Op de bres voor de bacterie

In het Letterkundig Museum in Den Haag is op dit moment een tentoonstelling over het jaar 1954. In het bijbehorende Schrijversprentenboek merkt Carel Peeters op dat 'op grond van de bijna zestig romans die in dat jaar verschenen je niet zou zeggen dat de eerste tien jaar na de oorlog...

De typeringen mogen dan slaan op de boeken van Van het Reve, Hermans, Blaman en Vestdijk, maar de meeste schrijvers blijken zich van de tijdgeest niets te hebben aangetrokken of er zich juist tegen te hebben gekeerd. Een ronduit idealistische auteur ontdekte Peeters in het 'eigenaardige talent' Til Brugman (1888-1958), die in 1954 de roman Spanningen en de novelle Kinderhand publiceerde.

Peeters is duidelijk onder de indruk geraakt van het werk van Brugman. Hij ziet een verwantschap met Bordewijk en stelt vast dat 'haar groteske verhalen, haar zorgvuldige, gedecideerde stijl en humor' zelfs aan Frans Kellendonk doen denken.

Waarschijnlijk kun je met elke 'literaire doorsnee' ontdekkingen doen - zoals ook het struinen in tweedehandsboekwinkels altijd vondsten oplevert. Soms is een uitgever je vóór geweest. Een jaar geleden begon de feministische uitgeverij Vita met de serie Erf Goed, die 'belangrijke vrouwelijke auteurs' wil 'herontdekken'.

Nadat Willy Corsari (Charles en Charlotte), Elisabeth Keesing (De blinde spinners), Clara Eggink (De rand van de horizon) en A.H. Nijhoff (Twee meisjes en ik) uit de schemer van het antiquariaat waren gehaald, is nu ook een bundel verhalen en grotesken van Til Brugman samengesteld, Schijngehakt. (Dit voorjaar zullen verschijnen Truus, de nachtmerrie van Henriëtte van Eyck en En de akker is de wereld van Dola de Jong.)

'Schuchter aanvankelijk, rees en zonk de kaste der van vlees afkerigen golfsgewijs in het verloop der tijdsgewrichten. In het begin afzonderlijke, daarna tot groepen aaneengesloten, vegetariërs trachtten, zelfs bij het verkwijnen van dergelijke onder de vergankelijke mode der zedeleer bestaande perioden, hun groensel trouw te blijven.' De kennismaking met Brugmans verhalen zal menigeen niet licht vallen, omdat haar stijl en woordkeuze veelal hoogst ongebruikelijk zijn. Wel is haar eigenzinnige stijl zó consequent dat de tekst heel dwingend wordt en het lezen op den duur went. De bizarre ontknopingen, die je in elk verhaal voelt aankomen, belonen het doorzettingsvermogen.

Het titelverhaal Schijngehakt, dat Brugman in 1935 in Berlijn publiceerde met illustraties van Dada-kunstenares Hannah Höch, gaat over dolgedraaide vegetariërs die zelfs bacteriën niet van het leven willen beroven en uiteindelijk vervallen tot kannibalisme. In een ander verhaal, Tempora leren mores, gaat baronesse van Taxschade zo wild te keer met een geheimzinnig verjongingspreparaat dat ze eindigt als foetus en zo, nog net voordat ze in sperma en ei uiteenvalt, door haar echtgenoot wordt begraven: 'Ook alle eind heeft een begin', luidt het grafschrift.

Minstens zo nuttig als de heruitgaven van de praktisch onbereikbare teksten, zijn de begeleidende biografische schetsen van de schrijfsters. Wie Schijngehakt heeft gelezen, zal meer willen weten over die curieuze schrijfster. Marleen Slob schetst het beeld van een zeer gedreven, maatschappelijk betrokken schrijfster, die een dwingeland was voor haar vriendinnen Hannah Höch en Hans Mertineit, maar ook aan zichzelf alleen de állerhoogste eisen stelde. 'Geen gróót, wel een wijs schrijfster', volgens Alfred Kossman.

Het boekje van Slob is misschien wel de meest geslaagde biografie uit de reeks, terwijl Martje Breedt Bruyn's breed uitgeschreven interview met Elisabeth Keesing ook heel informatief is. De grootste nieuwsgierigheid wekt ongetwijfeld Marja Pruis' portret van A.H. Nijhoff, de schrijfster van Twee meisjes en ik, Medereizigers, Het veilige hotel en Venus in ballingschap, over wie weinig meer bekend is dan dat ze de echtgenote was van de dichter Martinus Nijhoff.

Met 'Pom', zoals Nijhoff voor vrienden heette, was 'Netty' op negentienjarige leeftijd getrouwd. Na zes jaar vertrok ze met haar zoontje naar Parijs, waar ze zich serieus ging toeleggen op het schrijven. Ze zou het contact met Martinus Nijhoff nooit helemaal verbreken, maar leefde wel het grootste deel van haar leven in het buitenland. In de buurt van Florence runde ze een pension met haar Italiaanse geliefde Maria en in Frankrijk leefde ze jarenlang samen met de kunstenares Marlow Moss. De laatste tien jaar woonde ze in Athene, dat ze moest verlaten toen de kolonels de macht grepen.

A.H. Nijhoff kende een grote vrijheidsdrang, ze kon en wilde zich niet onderwerpen aan burgerlijke normen. 'Het Hollandse binnenhuisje' was haar een 'lieflijke hel', maar dat hadden we uit haar romans al begrepen.

Til Brugman: Schijngehakt. Vita, ¿ 24,50.

Marleen Slob: 'De mensen willen niet rijpen, vandaar'. Leven en werk van Til Brugman. Vita, ¿ 17,50.

Marja Pruis: 'De lieflijke hel van het Hollandse binnenhuisje' Leven en werk van A.H. Nijhoff. Vita, ¿ 17,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden