Op de begraafplaats van Gemlik

Anderen bekijken is in Turkije een nationale bezigheid. Zo ook in Gemlik, een kustplaatsje aan de zee van Marmara. De iPod geeft half zes Nederlandse tijd aan....

Het gevoel van vrijheid dat ik ervaar, gecombineerd met het feit dat ik een eigen invulling geef aan mijn leven, hoe simpel ook, in een stad waar ik als kind aan strakke regels gebonden was, maakt dat ik me gelukkig voel. Omdat het nog zo vroeg is, hoop ik op verlaten straten en een eenzame mooie kust.

Bij het verlaten van de flat kijken de mannen van het koffiehuis me na. Ik snap niet hoe ze het doen, de hele nacht kaarten en dan weer vroeg op. De rest van de straat lijkt verlaten. Verderop, richting het centrum, staan groepjes mannen bij een halte te wachten tot ze worden opgehaald door busjes om naar hun werk te gaan.

Ik heb The Hives vol op staan en doe net alsof ik een levende flipperkast ben. Elke ongewenste blik, elke slijmerige aandachtstentakel schiet ik weg alsof het een balletje is. Maar ik word er ook moe van. Ik wil vrij zijn. Rust. Vrede. Ik besluit recht voor me uit te kijken. Soms naar de lucht. Niet naar de grond.

Mijn vader heeft me leren vechten, en me ingeprent dat ik altijd met opgeheven hoofd rond moet lopen. Toen vond ik dat aanstelleritis, nu begrijp ik precies waarom hij dat zei. Alles wat mij is aangeleerd wat betreft de Turkse omgangsvormen op straat heeft te maken met defensie. Geen enkele met contact.

Bij de kust aangekomen, blijkt het vol te zitten met vrouwen en meisjes. Een slank meisje loopt in snel tempo langs en heeft oordopjes in. Die doet dit vaker. De meeste vrouwen hebben makkelijke schoenen aan, een enkeling gympen. Er staan sporttoestellen opgesteld. Vrouwen zijn aan het fietsen, enkelen doen buikspieroefeningen. Ik probeer oogcontact te maken met een groepje meiden die langslopen. Tevergeefs.

De bergen, de zee, de zon die over de heuvels schijnt, het is hier zo mooi dat ik niet anders kan doen dan grijnzend rondlopen. Een vrouw die me aardig lijkt, raakt in de war van mijn groet en kijkt voor zich uit. O ja, groeten is hier niet normaal. Ik besluit verder te lopen, de heuvels in, naar de begraafplaats.

Het is in het centrum al wat drukker. De oude meneer die met zijn pet en zijn weegschaal op een krukje voor de moskee zit, durf ik nog net aan te kijken. Hij heeft een open blik, helblauwe ogen met een zweempje groen en spierwit haar. Zijn vingers lijken afgestompt, ik vraag me af wat voor werk hij in zijn jonge jaren heeft gedaan.

Hoe dieper ik de heuvels van Gemlik inloop, hoe exotischer ik word. Bij de begraafplaats aangekomen, lees ik het bordje bij de ingang met de opgestelde regels. Ik wil weten of je een hoofddoek om moet als je bij de graven loopt. Daar staat verder niets over in. Wel mag je niet luid praten en of zingen. Je mag niet luid overledenen bewenen. Je mag niet tegen betaling bij een graf verzen uit de Koran laten reciteren en je mag de werknemers van de begraafplaats op generlei wijze een fooi geven.

In het oudere gedeelte van de begraafplaats liggen de meeste mensen zij aan zij, hoofd bij voeten begraven. Vele graven zijn niet meer te bereiken, ingekapseld als ze zijn tussen de andere. Soms raak ik in paniek omdat een pad ophoudt en ik omsingeld blijk door graven.

Toch is het hier rustig, vredig en ik kijk mijn ogen uit. Ik kijk en kijk en kijk en kijk. Naar Oguz die 18 is geworden, naar Hadji Ahmet die 94 is geworden, naar kleine Hatice van twee dagen oud. Een waterdrager van een jaar of 12 volgt me al een hele tijd. Als ik hem aankijk condoleert hij mij. Ik murmel wat terug en wens dat hij weggaat.

Eigenlijk ben ik op zoek naar mijn vader en ik wil hem op eigen kracht vinden. Even ben ik bang dat hij tussen de onbegaanbare paden ligt, maar dan blijkt hij bij een mooi pad, op een heuveltje te liggen. Een cipres groeit uit zijn hoofd en eentje uit zijn voeten. Ik bind de hoofddoek die ik voor-het-geval-dat had meegenomen aan zijn hoofdeinde vast. Vier knopen, voor elk gezinslid een.

De waterdrager heeft ondanks de schaarste zijn blauwe plastic kruiken vol en vraagt of hij het graf water zal geven. Ik zeg: ‘Nee.’ De jongen kijkt mij verbijsterd aan. Ik loop weg. Onhandig. De enige die contact maakte, wees ik af, omdat ik dacht dat hij iets van me moest.

vk.nl/columnisten

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden