Oost-Timor begint onafhankelijkheid in misère

Oost-Timor zal maandag als nieuw onafhankelijk land toetreden tot de wereldgemeenschap. Verwoest door Indonesiërs wordt het het armste land van Zuidoost-Azië....

Het was of Oost-Timor een rijpe appel in de schoot werd geworpen toen president Habibie in januari 1999 beloofde dat de Oost-Timorezen zelf mochten kiezen tussen de status van autonome Indonesische provincie en volledige onafhankelijkheid. Het leek te mooi om waar te zijn - en dat was het ook: zodra de bevolking in grote meerderheid voor onafhankelijkheid had gekozen, werd Oost-Timor door Indonesische militairen en pro-Indonesische milities verwoest, ontvolkt en platgebrand.

Het is geen rijpe appel, maar slechts een wormstekig klokhuis dat de Oost-Timorezen onder de naam van onafhankelijkheid voorgeschoteld krijgen. Oost-Timor maakt maandag zijn debuut op het wereldtoneel als armste land van Zuidoost-Azië, en een van de twintig armste ter wereld.

De wraakzuchtige Indonesiërs maakten in 1999 plaats voor een interimbestuur van de Verenigde Naties. De VN-medewerkers lieten de vervallen Indonesische villa's - de enige niet-verwoeste gebouwen van Dili - blinkend wit schilderen, namen Timorese huishoudsters, tuinlieden en chauffeurs in dienst en zochten elkaar 's avonds op in eetgelegenheden die diarreevrije gerechten uit de Italiaanse, Amerikaanse en Thaise keuken op tafel wisten te brengen. Ze bezorgden Dili een economische opbloei, die nu echter met het interimbestuur verdwijnt.

Bij wijze van afscheid vertoonde de UNDP het kunstje waar ze bij deze ontwikkelingsorganisatie van de Verenigde Naties zo goed in zijn: de rampzalige werkelijkheid van een ongeschoolde bevolking in een straatarm en verwoest land vertalen in het emotieloze jargon waar de tekstverwerkers van de internationale organisaties wel raad mee weten. Een nuttige exercitie. Want uit dit overzichtelijke en zakelijke rapport blijkt dat het zo desperaat ogende Oost-Timor wel degelijk toekomstperspectieven heeft.

Daarbij wordt niet alleen gedacht aan de voorraden olie en aardgas onder de Timorzee die Oost-Timor samen met Australië wil gaan exploiteren. Dat moet het jonge landje, half zo groot als België, vanaf 2004 tot 2025 naar schatting zeven miljard dollar opleveren. Maar de politieke leiders van Oost-Timor zijn zelf de eersten om te zeggen dat met dat geld verstandig moet worden omgesprongen. Net als het Indonesië van Soeharto wil Oost-Timor zijn olie-inkomsten juist gebruiken om het land minder afhankelijk te maken van olie.

Omdat bijna driekwart van de bevolking op het platteland woont, beveelt de UNDP aan allereerst de armste dorpen te helpen bij het verbeteren van de voedselproductie. Verder kunnen kokos, cacao, cashewnoten en vanille worden geleverd aan de wereldmarkt, waar vooral de Timorese koffie als 'biologisch' product een goede kans maakt.

Ook voor het toerisme naar de 'onbedorven' palmenstranden kan een eco-label volgens de UNDP wonderen doen. Oost-Timor zal het voorlopig moeten hebben van rugzaktoeristen, want de weinige hotels voldoen niet voor een vijfsterrentoerist - nog afgezien van het ontbreken van internationle luchtverbindingen.

Oost-Timor heeft geen eigen industrie en die zal ook niet snel van de grond komen, gezien het gebrek aan vakbewame arbeidskrachten, de betrekkelijk hoge loonkosten en de armzalige transportmogelijkheden. De beste kansen, oppert de UNDP, liggen nog in het ontwikkelen van een textiel- en schoenenindustrie. Maar daarvoor zijn buitenlandse investeringen nodig, want welke Timorees heeft er nu spaargeld.

Meer dan 40 procent van de Oost-Timorezen leeft onder de plaatselijke armoedegrens van 60 eurocent per dag. Meer dan de helft kan niet lezen of schrijven. De levensverwachting is 57 jaar. 'De bevolking van 800 duizend mensen moet het doen met vijf ziekenhuizen en een aantal klinieken', meldt de Nederlandse hulporganisatie HealthNet International. 'Daar werken slechts 35 Oost-Timorese dokters.'

Als gevolg van de armoede en de slechte kwaliteit van het onderwijs gaat één op de drie kinderen niet naar school. Geldgebrek is volgens de UNDP wel het voornaamste, maar niet het enige probleem dat goed onderwijs in de weg staat. De regering heeft besloten op school niet het gehate Indonesisch te gebruiken, maar het Portugees van weleer. Daarin bestaat tenminste lesmateriaal, maar de meeste onderwijzers spreken het niet. De Universiteit van Oost-Timor zal zich de eerstkomende tien jaar vooral moeten toeleggen op het opleiden van leerkrachten, vindt de UNDP.

Dat gaat allemaal veel geld kosten. President Xanana Gusmão en de regering voelen er eigenlijk niets voor hun onafhankelijke Oost-Timor onmiddellijk afhankelijk te maken van buitenlandse hulp. Maar het duurt nog drie tot vier jaar eer de oliekraan begint te stromen. Vandaar dat Nobelprijswinner José Ramos Horta, tegenwoordig minister van Buitenlandse Zaken en Samenwerking, toch wel blij is met de 360 miljoen dollar die het buitenland hem vorige week voor de komende drie jaar heeft toegezegd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden