Oorlogsverslaggevers onder vuur

VAN ALLE FOUTEN die journalisten maken, zijn die van oorlogsverslaggevers nog het best te verklaren. Vooral in landen waar een burgeroorlog woedt, werken ze onder heel chaotische omstandigheden....

Hij bericht bovendien over lopende gebeurtenissen. Zeker in burgeroorlogen overziet hij die maar zeer ten dele. Dat maakt hem afhankelijk van bronnen. Maar zijn die betrouwbaar? Pas als het conflict voorbij is en het stof is gaan liggen, wordt de situatie transparanter. Maar dan is de oorlogsverslaggever meestal al weer vertrokken.

Arnold Karskens kent deze problemen heel goed, want hij is zelf oorlogsverslaggever. In zijn Pleisters op de ogen - De Nederlandse oorlogsverslaggeving van Heiligerlee tot Kosovo schrijft hij: 'Oorlogen zijn oncontroleerbare processen waar een journalist als een kwetsbaar element doorheen zweeft.' Die kwetsbaarheid is geen reden de fouten van oorlogsverslaggevers goed te praten, maar wel om enige clementie te betrachten.

Maar mildheid is niet Karskens' sterke kant. Goed, er zijn verzachtende omstandigheden, schrijft hij, 'maar een excuus om slechte journalistiek af te leveren mogen ze niet zijn.' Karskens ontpopt zich als een strenge rechter. Het gaat hem om de vraag: hebben de Nederlandse oorlogsverslaggevers hun werk naar behoren gedaan? En al in de inleiding komt het antwoord: 'Soms wel, vaker niet'.

De meeste collega's krijgen van Karskens een onvoldoende. Ze zijn vooringenomen, ze overdrijven, nemen te veel risico's. Het ging al verkeerd in de Tachtigjarige Oorlog en het is nooit meer goed gekomen. 'In de Kosovo-oorlog van 1999 blijkt de Nederlandse journalistiek - maar ook die van andere westerse landen - niets geleerd te hebben van ruim vier eeuwen oorlogservaring.' En een paar bladzijden verder: 'Alle streken die journalisten kunnen vertonen, zoals liegen, verdraaien, eenzijdige berichtgeving, opruiïng en propaganda bedrijven, hebben hun oorsprong in de eerste eeuwen.' En op dat aambeeld blijft hij slaan: 'Maar ook op het einde van de twintigste eeuw valt een boel geschiedvervalsing en misleiding te ontdekken in de kolommen van de Nederlandse pers.'

Deze harde, ongenuanceerde oordelen ontsieren Karskens' boek. Dat is jammer, want hij heeft beslist een interessant verhaal te vertellen over de ontwikkeling van de Nederlandse oorlogsverslaggeving door de eeuwen heen. Daaruit blijkt hoezeer ook oorlogsverslaggevers kinderen van hun tijd waren. Ze voldeden aan de verwachtingen die leefden binnen hun 'zuil', stonden pal achter Israël toen heel Nederland kritiekloos Israël steunde, en bedreven geëngageerde journalistiek toen Nederland sterk geloofde in de 'maakbaarheid van de samenleving' en solidair was met de armen en onderdrukten in de Derde Wereld.

Karskens laat oorlogsverslaggevers vertellen over hun ervaringen, bijvoorbeeld in Vietnam en in Chili ten tijde van de coup tegen Allende, en hun fouten. Er wordt zelfkritiek geoefend. Boeiend en aangrijpend is zijn reconstructie van de moord op de vier IKON-journalisten in El Salvador in 1982, de dood van camaraman Cornel Lagrouw in 1989, ook in El Salvador, en van de journalist Sander Thoenes in 1999 in Oost-Timor.

Wat stoort is dat Karskens zich steeds weer opwerpt als die onbarmhartige rechter, als de journalist die het allemaal beter weet. Dat is net iets te gemakkelijk, want achteraf is iedereen altijd wijzer.

En weet hij het ook werkelijk beter? In het hoofdstukje over de Kosovo-oorlog staat: 'Niemand heeft toegang tot het slagveld, dus de leemten worden achter het bureau opgevuld. En opnieuw lijken journalistiek en propaganda een Siamese tweeling.' Zou het Karskens werkelijk zijn ontgaan dat Volkskrant-correspondent Michel Maas nog tijdens de oorlog als een van de weinige journalisten terugkeerde naar Kosovo? Vermoedelijk niet, want in hetzelfde hoofdstuk wordt Maas wél verweten te hebben meegedaan aan het overdrijven van de Servische moordlust.

Karskens ziet ook bij andere oorlogen vooral redacteuren achter hun bureau zitten. 'De Volkskrant zelf 'doet' de Golfcrisis ook voornamelijk van achter de Amsterdamse bureaus.' Zou het? Over de Golfoorlog werd destijds in deze krant bericht door correspondenten in Jeruzalem, Caïro en Washington en door speciale verslaggevers in Saoedi-Arabië, Jordanië, Turkije, Israël en - ten slotte - het bevrijde Koeweit.

Karskens doet wel meer onvolledige observaties. Zo schrijft hij over de oorlogen in het voormalige Joegoslavië: 'Men kiest voor een partij en besluit tot zelfcensuur uit overtuiging. Feiten worden niet of pas na lange aarzeling gebracht.' Een paar bladzijden eerder had hij al opgemerkt: 'Namen van concentratiekampen als Omarska en Preijdor zijn bekend, maar worden pas op het einde van de oorlog voor de eerste maal bezocht, en niet door Nederlandse verslaggevers.'

Een halve waarheid. Het kamp O marska werd voor het eerst begin augustus 1992 door journalisten bezocht en dus niet pas aan het einde van de oorlog (die duurde tot eind 1995). Maar het waren geen Nederlandse verslaggevers. De reportage van Guardian-verslaggever Ed Vulliamy verscheen op 7 augustus 1992 in de Volkskrant.

Karskens heeft het speciaal gemunt op Els de Temmerman, die in Afrika werkzaam was voor de Volkskrant en de Vlaamse BRT en die voor haar reportages werd onderscheiden met de Dick Scherpenzeelprijs (1994) en de Prijs voor de Dagbladjournalistiek (1995). Hij achtervolgt De Temmerman al geruimte tijd met zijn beschuldigingen, waarvan hoe langer hoe minder overblijft. Maar ook nu weer komt hij met zijn aantijgingen over wat De Temmerman wel of niet heeft gezien en gehoord op de elfde april 1994 langs de weg van de Franse school naar het vliegveld van Kigali, hoofdstad van Rwanda, en met welke non ze precies waar heeft gesproken. Deze details doen niets af aan de gruwelen van die dramatische dagen.

Voor Karskens heeft ook een enorm gewicht welk paspoort De Temmerman, naast haar Belgische, nog bezat en wanneer en hoe lang ze nu precies in Rwanda verbleef. Een blik in de Volkskrant had Karskens kunnen leren dat De Temmerman maandenlang vrijwel uitsluitend over de volkenmoord, de strijd in Rwanda en het daarop volgende vluchtelingendrama heeft geschreven, maar dat ze niet altijd in Kigali verbleef. Dat was aanvankelijk namelijk levensgevaarlijk. Haar reportages kwamen dan ook deels uit Nairobi, haar standplaats, en deels uit de gebieden waar de vluchtelingen verbleven: Burundi, Tanzania, Uganda en wat toen nog Zaïre heette. Dat stond ook boven haar verhalen.

Ten slotte zou De Temmerman partijdig zijn geweest, want ze zou alleen oog hebben gehad voor de moord op de Tutsi's. Dat is niet juist. Ze heeft geschreven over wraakacties, waarvan Hutu's het slachtoffer werden. Ze berichtte over de moord op dertien geestelijken en schreef over het bloedbad in het vluchtelingenkamp in Kibeho, waar Hutu's verbleven.

Daarbij loopt partijdigheid als een rode draad door heel het boek van Karskens. Oorlogsverslaggevers hebben de neiging partij te kiezen voor de slachtoffers, sympathie te koesteren voor de underdog. Is dat verkeerd? Goede reportages zijn een mengeling van betrokkenheid, gedrevenheid, bewogenheid ook, en kritische distantie. Door daarin het evenwicht te bewaren overtuigen oorlogsverslaggevers hun lezers.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden