Oorlogskroost

Nederlandse militairen en vrouwen in Indië 1945-'49: daar kwamen kinderen van. Project Oorlogsliefdekind laat ze zien. Hier het verhaal van Jako Kruidenier ( 55 ) en Roos van der Geugten ( 63 ), halfbroer en -zus.

Roos: 'Ik was 24 toen mijn moeder mijn zus en mij opwachtte na een avondje dansen. Ze zei: ik moet je iets vertellen, je vader is je vader niet. We gaan hem zoeken, riep mijn zus gelijk. Dacht ik niet, zei ik, hij zoekt mij toch ook niet? Het bleef wel in mijn hoofd spoken. Al heel jong wist ik dat ik anders was dan mijn broers en zussen. Lichter van huid, grotere bos haar, logger, groter. Zij zijn veel gracieuzer. Mijn opvoedvader was ook een Indo. Ik heb de naam Kruidenier gegoogled, maar dat schoot niet op. Toen kreeg ik de site Oorlogsliefdekind.nl onder ogen en dat was een openbaring. Ik had geen idee dat er zo veel mensen waren als ik. Mijn moeder heeft in Indië Bas Kruidenier leren kennen in een marinehospitaal in Soerabaja. Ze was verpleegkundige. Jouw vader?'


Jako: 'Hij was ook verpleegkundige, bij de marine.'


Roos: 'Langzaam is er een romance ontstaan. Hij was de love of her life. Ze moesten het geheim houden.'


Jako: 'Hij was verloofd toen hij naar Indië ging. De verloofde van een zus van mijn moeder was daar ook en die mocht niks merken.'


Roos: 'Mijn moeder wist van die verloofde. Hij schreef haar elke week brieven. Toen ze zwanger van hem werd, wilde hij met haar trouwen en in Indonesië blijven. In brieven naar huis heeft hij dat kenbaar gemaakt. Dat vonden ze niet best; hij moest terug.'


Jako: 'Vrij recent heb ik gehoord dat de oudste broer van mijn vader de marine heeft aangeschreven. Dat Bas als de sodemieter terug moest. De marine heeft hem overgeplaatst. De familie heeft behoorlijk druk uitgeoefend. Hij had de verloving al verbroken.'


Roos: 'Jouw moeder heeft destijds contact met hem gezocht en ze hebben de draad weer opgepakt. Bas vertelde dat ze naar een hotelletje zijn geweest en de situatie hebben besproken. Verder nooit meer.'


Jako: 'Dat heeft hij mij ook verteld. Het werd gewoon doodgezwegen. Echt jammer dat ik mijn moeder er nooit naar heb kunnen vragen. Ze was al overleden toen Roos en mijn vader elkaar ontmoetten.'


Roos: 'Bas kreeg huisarrest en werd overgeplaatst naar Medan. Toen is hij op de boot naar Nederland gezet. Wij zijn in 1957 in Nederland aangekomen. Ik was 7. Mijn moeder was inmiddels getrouwd met een ander, ook een Indische Nederlander. Na mij zijn er nog vier kinderen in Indonesië geboren en een in Nederland. Eerst woonden we in Vught, in de pensions, en in de barakken in Eindhoven. Ik zal nooit vergeten hoe mensen in de rij stonden voor een kit kolen. Het was een afgang, stond je daar te schooien. Later woonden we in Nuenen, daar woont mijn moeder nog.


'Ze voelde zich in de steek gelaten. Ik was 59 toen ze me vroeg of ik zijn naam wilde weten. Bas Kruidenier, adres, naam van zijn verloofde: Map. Exact, zo uit haar hoofd. Via het Fiom, de organisatie die helpt met zoeken naar biologische ouders, heb ik hem gevonden. Een foto op internet, toen hij ongeveer 30 was. Herken je hem, vroeg ik mijn moeder. Bas, zei ze. Of hij met Map was getrouwd, wilde ze als eerste weten.'


Jako: 'Ik heb jouw brief aan mijn vader gelezen. Je schreef dat je al sinds 1957 in Nederland woonde maar uit respect voor je opvoedvader niet eerder op zoek was gegaan. Je had foto's meegestuurd, van je jeugd tot nu toe.'


Roos: 'Ik wilde hem ontmoeten, al was het maar een keer. Veel mensen erkennen het bestaan van een oorlogskind niet. Ik wist dat z'n vrouw was overleden, dat maakt het makkelijker.'


Jako: 'Ze was 79 toen ze overleed. Ruim zes jaar geleden. Toen jij contact zocht, was mijn vader 82. Hij heeft mij en mijn broer gebeld. Joh jaja, zei hij aan de telefoon, hij kwam altijd heel moeilijk uit zijn woorden, jaja, je hebt nog een zus. Ik heb het altijd al geweten, dat zei ik ook gelijk. Als jongen van een jaar of 5, 6 vond ik zijn verhalen over de marine heel spannend. Later merkte ik dat hij er eigenlijk niet zoveel over kwijt wilde. In de puberteit realiseerde ik me dat hij daar drie jaar had gezeten, en dus drie jaar droog had gestaan. Ik heb toen al met de gedachte gespeeld dat ik misschien nog een broer of zus had. Helaas heeft hij er nooit iets van laten merken. Mijn broer is die eerste keer met hem meegegaan. Hij durfde niet alleen.'


Roos: 'Het was op het Fiom-kantoor in Eindhoven. Aan Bas werd overgelaten wat hij wilde. Binnenkomen in een kamer waar ik zat of wachten totdat ik de deur zou opendoen. Hij wachtte. Ik stond voor de deur en kon die niet openen. Ik begon te huilen, man, verschrikkelijk, allemaal spanning en emotie. Maar goed, toch naar binnen gestapt. Daar zat een blanke oude man, een wildvreemde blanke man op leeftijd, heel anders dan de 30-jarige van de foto. Hij stond op, we gaven elkaar een hand. Ik kan het niet omschrijven, maar als ik er nog aan denk heb ik buikpijn. Wat we gezegd hebben weet ik niet meer.'


Jako: 'Heb je niet meteen gevraagd: waar was je nou?'


Roos: 'Nee, dat is niet mijn pakkie-an. Ik heb hem wel gevraagd waarom hij mij niet had gezocht. Hij wist niet eens dat ik in Nederland zat. Hij vroeg hoe het met mijn moeder ging. Wat jammer, zei hij toen hij hoorde dat mijn opvoedvader was overleden. Hij was hem dankbaar, omdat ik goed was terechtgekomen. Hoelang we daar zaten? Een half uur, een uur? We zijn daarna iets gaan drinken met mijn echtgenoot en zijn oudste zoon. Het klikte zo goed dat er een diner achteraan kwam.'


Jako: 'De tweede keer was bij mijn vader thuis. Ik vond het vooral leuk m'n zus te ontmoeten. De mond en oren, die herken ik. Ook hoe je loopt, dat hebben we allemaal, iets naar voren gebogen. Wat ik het mooiste vond, was het antwoord van mijn vader toen ik vroeg of hij niet moest onderzoeken of ze wel zijn echte dochter was. Hij zei: nee, dat hoeft niet. Ik ben ervan overtuigd.'


Roos: 'Het Fiom vroeg of we niet een dna-test moesten doen. Vaak hebben mensen het mis. Moet je doen, zei mijn moeder, toen ik het haar voorlegde. Ik weet toch wel dat het klopt. Een beter antwoord kun je niet krijgen.'


Jako: 'Het was anders gelopen als mijn moeder nog had geleefd. Ik denk niet dat mijn vader dan, laat ik het anders zeggen, hij zei vaak: ik ben blij dat je moeder dit niet hoeft mee te maken. Hij vond het te confronterend. Hij is in juli overleden, 86 jaar oud. Zijn gemoedstoestand schoot alle kanten op. Dan weer vond hij het leuk, de andere keer hoefde het voor hem niet. Hij had niet de neiging haar moeder te zien. Hij voelde zich vooral schuldig..'


Rood: 'Naar jouw moeder toe, naar mijn moeder.'


Jako: 'Hij zat op school toen de oorlog uitbrak. Na de oorlog was hij fietsenmaker. Hij wilde bij de marine, hij werd afgekeurd voor een bepaalde functie. Hij tekende toch voor drie jaar, omdat hij de kans kreeg op een opleiding voor verpleegkundige. En het avontuur lokte. Hij was 19 toen hij zich in 1946 meldde. Hij kwam midden in de politionele acties, we hebben daar geen idee van. Wat ik jammer vind, is dat ik niet veel eerder wist dat ik een zus heb. We zijn familie. Wettelijk is ze niet erkend, maar na het overlijden van Bas hebben we afgesproken de erfenis een beetje leuk te verdelen.'


Roos: 'Ik stapte geen vreemd huis binnen, het voelde eigen. Mijn aandenken staat daar, een klarinet. Achteraf kun je zeggen: was hem eerder gaan zoeken. Maar mijn opvoedvader was bang dat ik hem niet meer als vader zou zien. Mijn moeder vond het spannend. Ze wilde Bas graag ontmoeten. Ik weet waarom: ze riep hem gewoon op het matje. Allebei zijn ze doof. Hun eerste gesprek konden we dwars door de deur heen horen. Ze hebben later geen contact meer gehad. Bas raakte met zichzelf in de knoop.'


Jako: 'Hij kon er niet mee omgaan. Ik heb het niet goed gedaan, zei hij steeds.'


Lidy Nicolasen


Aanklachten

Tijdens hun onderzoek zijn Annegriet Wietsma en Stef Scagliola op één kind gestuit dat is voortgekomen uit een verkrachting door een Nederlandse militair. Volgens de auteurs kwam verkrachting niet op grote schaal voor. De verslagen van de krijgsraad maken melding van enkele aanklachten. Historicus Scagliola: 'Verkrachtingen tijdens oorlogen kunnen systematisch zijn en deel uitmaken uit van de middelen om de vijand psychologisch te breken. Dat was in Indonesië zeker niet het geval. Verkrachtingen zie je ook vaak als een ongedisciplineerde militaire macht kan opereren in een rechteloze omgeving. Dat was daar niet waarschijnlijk, de militaire politie controleerde intensief. In de onthullingen over Nederlandse oorlogsmisdaden komen verkrachtingen tot dusver niet voor. Maar er is nooit gericht onderzoek naar gedaan.'

VERZWEGEN KINDEREN VAN DE OOST


Het multimediale project Oorlogsliefdekind helpt kinderen die zoeken naar Nederlandse verwekkers.


Aanvankelijk meldden zich vooral de kinderen zelf met hun verhaal: eind jaren veertig geboren in de kampongs en desa's van Indonesië, sommigen in de jaren vijftig verhuisd naar Nederland en nu, inmiddels de 60 voorbij, op zoek naar hun verwekkers: de Indiëgangers, de militairen van wie velen, eenmaal thuis, hun oorlogsrelatie of -slippertje verzwegen. Er kwamen nieuwsgierigen bij: halfbroers en -zussen in Nederland die vermoeden dat hier of op Java en Sumatra naaste familie kan rondlopen.


Militair historicus Stef Scagliola en documentairemaker Annegriet Wietsma begonnen in 2009 het multimediale project Oorlogsliefdekind. Een website, oorlogsliefdekind.nl, biedt ruimte aan verhalen en zoektochten die wortelen in de contacten tussen Nederlandse militairen en Indonesische en Indische vrouwen tijdens de politionele acties tussen 1945 en 1949. Wietsma maakte in 2010 de documentaire Tuan Papa. Morgen verschijnt het boek: Liefde in tijden van oorlog, onze jongens en hun verzwegen kinderen in de Oost. Tientallen betrokkenen in Nederland en Indonesië werden geïnterviewd. Die ervaren een taboe. Meer nog dan hun lichte huidskleur en deels Nederlandse afkomst, kampen de kinderen met het stilzwijgen van hun moeder en een onbekende vader.


Dat nu ook halfbroers- en -zussen op zoek gaan, is volgens Wietsma en Scagliola eenvoudig te verklaren. Veel Indië-veteranen zijn ouder dan 80. Na hun overlijden stuiten kinderen op zorgvuldig weggestopte fotootjes, brieven. Ook als de militairen nog leven, neemt de beladenheid van het onderwerp af, zeker als de echtgenote is gestorven. De dreiging dat het gezin uiteenvalt, is geweken. Verlies van status speelt niet meer.


Wietsma en Scagliola schatten dat er drie- tot achtduizend kinderen uit de relaties zijn geboren, gebaseerd op onderzoek naar het nageslacht dat andere bezettingslegers achterlieten. De seksuele moraal was in Indië veel vrijer dan in het christelijke Nederland. 'Dit waren vooral jonge mannen van begin 20, ze kwamen net de huwelijksmarkt op.'


Het stilzwijgen verbreken, heeft ook schaduwkanten. Wietsma: 'Zoekers ervaren een ethisch dilemma. Hebben hun vaders recht op geheimhouding in hun laatste levensfase? Weegt het recht van de kinderen zwaarder?' Scagliola twijfelt niet. 'De vaders moeten het toegeven. Het is de waarheid. Een opmerking van iemand op de site zegt alles: eindelijk is de term onecht kind of bastaard overboord, ik ben een oorlogsliefdekind.'


Rob Gollin

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden