Oorlog zonder einde

De bomaanslag op de VN in Bagdad bewijst dat terroristen het Westen als één partij zien. Europa dreigt te worden meegesleept in een utopisch Amerikaans experiment, een oorlog tegen terreur die nooit te winnen is....

De bomaanslag op het VN-hoofdkwartier in Bagdad lijkt te onderstrepen dat in de oorlog tegen het terrorisme de VS en de internationale gemeenschap in hetzelfde schuitje zitten. Eensgezindheid is nu een eerste vereiste. Wie de strijd van wat grotere afstand bekijkt, kan echter ook tot een andere conclusie komen. Toont de aanslag niet evenzeer aan dat de internationale gemeenschap onbedoeld dreigt te worden meegesleurd in een oorlog die niet te winnen is?

Wie gunt de Irakezen en Afghanen geen beter bestaan en wie is niet doordrongen van de dreiging die uitgaat van terreurgroepen wier enige doel het is de internationale (voor hun westerse) orde te ondermijnen door zoveel mogelijk dood en verderf te zaaien? Toch is er dat ongemakkelijk gevoel dat de Amerikaanse kruistocht tegen het terrorisme ons juist verder van het nagestreefde doel, een veiliger wereld, voert.

Dat president Bush in Europa op weinig symphatie kan rekenen, was reeds vóór 11 september 2001 duidelijk, tot zover weinig nieuws. Dat maakt het niet minder opmerkelijk dat ná de verovering van Irak, met aanzienlijk minder bloedvergieten dan de tegenstanders hadden voorspeld, de anti-Amerikaanse gevoelens alleen maar lijken toe te nemen.

De verdrijving van Saddam Hussein is niet gevierd als een overwinning van de democratie. In plaats daarvan wordt Bush, en zijn hulpsherrif Blair, voor de voeten geworpen de democratie en de westerse geloofwaardigheid juist te hebben ondermijnd door onder valse voorwendsels een oorlog te beginnen. Bovendien toont de moeizame pacificatie van Irak en Afghanistan aan dat democratie geen exportproduct is dat per bommenwerper overal ter wereld kan worden afgeworpen.

Dat is niet het enige. Hoeveel lawaai de straat ook maakte, in het verleden kon Washington altijd rekenen op de steun van zijn NAVO-bondgenoten. De transatlantische band was na het wegvallen van de Sovjet-Unie als gemeenschappelijke vijand weliswaar losser geworden, de gebeurtenissen van 11 september gaven, zo leek het, de solidariteit een nieuwe impuls. Twee jaar later is de kloof breder dan ooit. Dat de chaos in Irak de VS en Europa vermoedelijk weer in elkaars armen drijft, doet daar weinig aan af.

We moeten naar de toekomst kijken, heet het nu. Amerika's macht is nu eenmaal een gegeven en zolang Europa daar weinig meer dan verdeeldheid tegenover weet te stellen, zal kritiek op het unilateralisme van de VS weinig effect sorteren. Dit machtspolitieke argument mag van realiteitszin getuigen, als bindmiddel voor een bondgenootschap is het wat mager. Een veel belangrijker vraag is daarom: wat hebben Europa en de Verenigde Staten elkaar eigenlijk nog te vertellen?

Tony Blair heeft met verve de rol op zich genomen de boodschap uit te dragen: ondanks alle meningsverschillen delen Europa en de VS, schatplichtig als beiden zijn aan de Verlichting, dezelfde liberale en democratische waarden. Het bondgenootschap tussen Groot-Brittannië en de Verenigde Staten is, zo hield de Britse premier het Amerikaanse Congres onlangs voor, een bondgenootschap van de vrijheid. Een vrijheid die wordt bedreigd zolang andere delen van de wereld in duisternis zijn gehuld en miljoenen zuchten onder wrede dictaturen en nog veel meer mensen moeten leven in bittere armoede. Een wereld die een voedingsbodem vormt voor religieus extremisme. 'De verspreiding van vrijheid is de beste veiligheidsgarantie voor hen die reeds in vrijheid leven.'

Het was Blair op zijn best en Bush zou het hem, als hij de gave van het woord had, graag hebben nagezegd. Beide leiders mogen de inzet van hun strijd graag in universele termen schilderen en hoe grover de penseelstreken, hoe moeilijker het wordt om niet te zeggen 'zo is het'. Wie zou willen beweren dat de wereld niet beter af is als iedereen in vrede en vrijheid zou kunnen leven?

'Wij zijn allen Amerikanen', kopte het Franse dagblad Le Monde op 12 september 2001 nog. Twee jaar later bekruipt velen in Europa het gevoel dat de VS de solidariteit hebben opgevat als een carte blanche om de wereld in een permanente staat van oorlog te houden. Een oorlogstoestand die de neoconservatieve hardliners achter Bush de gelegenheid moet geven definitief af te rekenen met Amerika's vijanden en de wereld te herscheppen naar hun model. De bondgenoten kunnen in deze oorlog nuttige diensten bewijzen, zolang zij bereid zijn hun belangen ondergeschikt te maken aan die van de VS. Hulp is geen kwestie meer van solidariteit, maar een vanzelfsprekendheid. Weigert Europa persoonlijke gegevens van vliegtuigpassagiers door te geven? Dan kunnen de landingsrechten wel eens in gevaar komen.

Even bestond de hoop dat de regering-Bush door '11 september' daadwerkelijk meer oog zou krijgen voor de noden van de wereld en de noodzaak deze gezamenlijk aan te pakken. Het zou Amerika niet meteen veiliger hebben gemaakt, wel geloofwaardiger. In plaats daarvan is de zorg om de eigen veiligheid een obsessie geworden die de VS blind lijken te maken voor welke tegenwerping dan ook. Wat goed is voor Amerika's veiligheid, is goed voor de rest van de wereld. Argumenten maken plaats voor dreigementen. Worden Amerikanen niet gevrijwaard van vervolging door het Internationaal Strafhof? Dan geen Amerikaanse hulp meer.

De oorlog tegen het terrorisme speelt zich allang niet meer alleen af in de straten van Bagdad en in de woestijn van Afghanistan. Zij confronteert de westerse samenleving met de vraag in hoeverre beveiliging tegen het terrorisme mogelijk is zonder tegelijkertijd de waarden die men zegt te verdedigen op te offeren.

Dat in Guantánamo Bay, het Amerikaanse 'Goelag', zoals Kees Schuyt het in deze krant noemde, de elementaire regels van de democratische rechtsstaat met voeten worden getreden, is genoegzaam bekend. Maar wie maakt zich nog druk om burgerrechten? Is het inleveren van een beetje vrijheid niet de prijs die wij voor onze veiligheid moeten betalen? Dan is ook het weren van zeelieden die Mohammed heten al snel een verstandige voorzorgsmaatregel in plaats van een vorm van parnoia.

Op een symposium van de Universiteit van Amsterdam schetsten strafrechtdeskundigen eerder dit jaar de risico's van het steeds oprekken van het strafrecht in naam van de strijd tegen het terrorisme. Nederland is daarbij geneigd aan

sluiting te zoeken bij de Angelsaksische opvatting dat in de afweging van belangen de eindoverwinning voorop hoort te staan. 'In oorlogstijd zijn privacyregels ongepast, want die belemmeren de samenwerking en ondermijnen de oorlogsinspanningen. Wie daarover zeurt, begrijpt de ernst van de situatie niet. Schade, ongemak en onschuldige slachtoffers zijn een prijs die betaald moet worden', zo verwoordde docent strafrecht Coen Mulder dit standpunt.

De afschuw over de aanslagen en het medeleven met de Amerikaanse bevolking was in Europa destijds even groot en oprecht als in de VS. Er was één belangrijk verschil: waar het voor veel Amerikanen een eerste kennismaking was met de boze buitenwereld en Osama bin Laden de verpersoonlijking werd van het absolute Kwaad (in welke hoedanigheid hij inmiddels is opgevolgd door Saddam Hussein), herinnerde men zich in Europa nog Verdun en Auschwitz, Hitler en Stalin.

Na twee jaar durft nog steeds niemand het hardop uit te spreken: de aanslagen op het WTC en het Pentagon waren in alle opzichten verwerpelijk en door niets te rechtvaardigen, maar zij waren niet het ergste wat een land ooit eerder in de geschiedenis is overkomen. Een Amerikaanse dode mag politiek gezien meer gewicht in de schaal leggen dan een willekeurig slachtoffer in de Derde Wereld, het is geen reden Amerika het exclusieve recht op medeleven noch op wraak toe te kennen.

Maar beseffen wij, Europeanen, dan niet dat het islamitisch terrorisme ons net zo goed bedreigt? Dat niet Amerika het doelwit is, maar de westerse samenleving als geheel? Het zijn terechte vragen die echter voorbij gaan aan de kwestie waar het hier om gaat. Het terrorisme is een gevaar, daarover geen twijfel, maar wanneer de illusie postvat dat het kan worden uitgeroeid, kan het middel wel eens erger zijn dan de kwaal. Het terrorisme is ook niet het enige gevaar en de strijd ertegen moet worden afgewogen tegen de aanpak van andere problemen die de stabiliteit en veiligheid in de wereld evenzeer bedreigen.

De op wanhopige toon gestelde vraag 'Why do they hate us?' werd niet het begin van een Amerikaans zelfonderzoek, maar eerder de afsluiting daarvan. Niet bij machte zich rekenschap te geven van Amerika's rol in de wereld, noch in staat zich voor te stellen dat iemand anders zou willen leven dan de Amerikanen zelf, kon het antwoord slechts 'jaloezie' luiden. De beste manier om herhaling te voorkomen is dan de hele wereld te laten delen in de American way of life.

De ambities van de neoconservatieven waren er al en kregen na 11/9 hun vertaling in Bush' missie de wereld voorgoed te zuiveren van alle kwaad, waarbij terrorisme, onwelgevallige regimes en massavernietigingswapens moeiteloos met elkaar werden verbonden. De oorlog tegen het terrorismeheeft daarmee het karakter gekregen van een seculiere jihad: de oorlog die een einde moet maken aan alle oorlogen. De wereldvrede is binnen bereik, mits men bereid is af te rekenen met zijn vijanden. Deze utopie heeft Europa reeds te veel doden gekost om er nog in te geloven.

Wie het terrorisme beschouwt als een uiting van het kwaad dat met de wil van alle 'goede' krachten kan worden uitgeroeid, gaat uit van het idee dat goed en kwaad onveranderlijke begrippen zijn. Internationale politiek laat zich echter niet in dit soort morele categorieën vangen. Morele pretenties smelten in het aangezicht van de macht doorgaans als sneeuw voor de zon. Misschien wordt wel nergens beter dan in het Midden-Oosten aangetoond dat de bondgenoot van gisteren de vijand van vandaag kan zijn.

Afghanistan en Irak zijn inmiddels 'bevrijd' en laten we hopen dat de bevolking uiteindelijk beter af zal zijn. Maar dat was het doel van de oorlog niet. Althans niet het doel dat ons is voorgehouden.

Terwijl Al Qa'ida nog springlevend is en in de woestijn van Irak alleen oude Mig-straaljagers worden opgegraven, nemen de krijgsheren in Afghanistan hun oude posities weer in, is Bagdad iedere dag opnieuw het toneel van aanslagen en ontploffen er bommen in Indonesië.

Wie spreekt over een oorlog, spreekt over een vijand die hij kan herkennen en lokaliseren, die hij kan verslaan of waarmee hij op zijn minst kan onderhandelen. Afghanistan en Irak konden op de kaart worden aangewezen, platgebombardeerd en veroverd. De vraag is of dit een bewijs was van Amerika's overweldigende militaire macht, of juist van zijn onmacht de echte vijand aan te pakken, de terrorist als de verpersoonlijking van de haat en rancune tegen een wereldorde die nog altijd meer verliezers dan winnaars telt. Een vijand die overal en nergens is, die iedere keer een ander gezicht aanneemt, waarvan men de kop kan afhakken zonder hem te doden.

Het zal steeds weer een argument opleveren om landen de duimschroeven aan te draaien, nieuwe veiligheidsmaatregelen te nemen en de privacy van burgers verder aan te tasten. Morgen kan de Eiffeltoren het doelwit zijn, of Schiphol.

Is Amerika's veiligheid daarmee ook onze veiligheid? Of is het juist Europa's taak om, hoe lafhartig dat in Amerikaanse ogen ook mag klinken, in het belang van diezelfde veiligheid te wijzen op de gevaren van de utopie die men najaagt? De Amerikaanse essayist Robert Kagan wond er vorig jaar geen doekjes om. 'Het is tijd om op te houden net te doen alsof Europeanen en Amerikanen een gemeenschappelijke visie op de wereld hebben, of dat ze zelfs maar dezelfde wereld bewonen', zo luidde de eerste zin van zijn roemruchte essay in het tijdschrift Policy Review. Waar de Europeanen geloven in een wereld die wordt geregeerd door het recht en aan praten de voorkeur geven boven vechten - in Kagans ogen tamelijk naïef - zien de VS de wereld eerder als een hobbesiaanse jungle waarin het onvermijdelijk is af en toe geweld te gebruiken om de orde te herstellen. 'Amerikanen komen van Mars, Europeanen van Venus.'

Het zou betekenen dat de verwijdering definitief is en ook een regime change in Washington daar geen invloed meer op kan uitoefenen. Dat zou geen recht doen aan de miljoenen Amerikanen die Bush net zo graag zien vertrekken als zijn tegenstanders in Europa. De Brits-Amerikaanse historicus Paul Kennedy kiest daarom voor een geheel andere benadering.

De Amerikaanse buitenlandse politiek heeft zich altijd bewogen tussen isolationalisme en internationalisme, tussen idealisme en pragmatisme. Kennedy onderscheidt vier presidenten die bij uitstek model hebben gestaan voor het idealistische Amerika: Woodrow Wilson, Franklin D. Roosevelt, John F. Kennedy en. . . George W. Bush. 'Hij is de onbetwiste leider van de machtigste natie in de geschiedenis, (. . .) gepassioneerd aanvoerder in de kruistocht tegen het terrorisme, waarbij hij het idealisme van Wilson, combineert met de vastberadenheid van Churchill om zijn vijand te verpletteren.'

Bush' boodschap over vrijheid en democratie verschilt nauwelijks van die van zijn voorgangers. Het grote verschil, aldus Kennedy, is dat niemand hem gelooft. Wilson, Roosevelt en Kennedy waren in hun tijd de populairste leider van de wereld, terwijl Bush op dit moment, afgaande op opiniepeilingen, de meest impopulaire figuur op aarde is.

De belangrijkste reden hiervoor is, meent de historicus, dat Wilson, Roosevelt en Kennedy de wereld ervan wisten te overtuigen dat de bedoelingen van de VS oprecht waren. Dat de Amerikaanse bemoeienisssen en de hulp die men bood, zoals het Marshall Plan, niet in de eerste plaats het oogmerk hadden er zelf beter van te worden. Natuurlijk verloor men ook toen het eigenbelang niet het oog, maar dat kon het beeld niet negatief beïnvloeden. Wat nu overheerst is het beeld van een regering die is gekaapt door neoconservatieven die lak hebben aan de mening van de rest van de wereld, die openlijk streven naar de vestiging een Amerikaans imperium en bij wie zakelijke en politieke belangen op een verontrustende manier door elkaar lopen.

Dit moge niet allemaal waar zijn, zegt Kennedy, Bush doet weinig moeite het beeld te ontkrachten. Wil hij zijn reputatie en die van Amerika redden, dan dient hij zich te ontdoen van de neoconservatieve scherpslijpers die hem omringen en de VS steeds verder wegvoeren van de tradities die het land groot hebben gemaakt.

Volgens sommigen hoeft Bush daarvoor niet in actie te komen en zijn de neocons al druk bezig om in Irak en Afghanistan hun eigen graf te graven. Europa past daarbij geen leedvermaak, maar nog minder onderdanigheid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden