Oorlog tegen alles en iedereen

OP 1 OKTOBER 1982 woonde een delegatie van het Colombiaanse parlement op uitnodiging van de Spaanse Socialistische Partij de beëdiging bij van premier Felipe González....

De vraag was niet zo heel verbazingwekkend, want het keurige en timide parlementslid was niemand minder dan Pablo Escobar, de grootste drugshandelaar van Latijns-Amerika. Maar Escobar wilde op dat moment niet in zijn hoedanigheid van zakenman worden aangesproken. Hij stond aan het begin van een veelbelovende politieke carrière, had zich dankzij zijn geld en gunsten in het parlement laten kiezen, en was er heilig van overtuigd dat hij binnen afzienbare tijd president van Colombia zou zijn.

Escobar maakte van zijn nieuwe positie ook gebruik voor een reis naar de Verenigde Staten, zijn voornaamste afzetgebied. Hij bezocht het FBI-museum in Washington en liet zich daar fotograferen, verkleed als een gangster à la Al Capone. Voor het Witte Huis ging hij hand in hand met zijn zoon Juan Pablo op de foto. 'Een man die het coca had laten regenen in de Verenigde Staten, poseert voor de deur van het huis van Ronald Reagan', schrijft zijn biograaf Alonso Salazar, een Colombiaanse journalist, in Pablo Escobar - Auge y caída de un narcotraficante ('Opkomst en ondergang van een drugshandelaar').

De poging van Escobar zich de status van gerespecteerd politicus (er liepen en lopen er wel meer rond met weinig kosjere nevenactiviteiten) aan te meten, was echter van korte duur. Hij was simpelweg te veel beest. Salazar zegt het in een even kernachtig als laconiek zinnetje: 'Halverwege 1983 kwam een einde aan zijn imago van publiek persoon en politiek leider toen hij besloot minister van Justitie Rodrigo Lara Bonillo te vermoorden.'

Lara leidde een offensief tegen de narcoticahandel en maakte van Escobar zijn voornaamste doelwit. Hij liet het onderzoek naar de moord op de politieagenten die Escobar enkele jaren eerder hadden aangehouden, heropenen en kreeg het voor elkaar dat het parlement de onschendbaarheid van de drugshandelaar opschortte. Daarmee tekende de minister zijn eigen doodvonnis. Een paar maanden later werd hij in Bogota in zijn auto doodgeschoten. De moord droeg het keurmerk van Escobar, uitvinder van el asesino de la moto: de dader was een jongen achter op een snelle motor.

Salazar vertelt uitgebreid hoe Escobar zich smokkelend en moordend opwerkte tot de rijkste man van Colombia (zijn naam verscheen zelfs op de beroemde lijst van het blad Forbes), hoe zijn tentakels zich uitstrekten tot in alle sectoren van de maatschappij, de politiek voorop, maar hoe de 'oude' rijken hem buitensloten omdat hij voor hen slechts een ordinaire crimineel bleef. En toen de weg in de politiek voor hem werd geblokkeerd, ontketende hij een oorlog die van heel Colombia een slagveld maakte: 'Hij begon de wereld te vernietigen waarover hij niet mocht regeren.'

Natuurlijk heeft Escobar het geweld in Colombia niet uitgevonden, het land heeft een ellenlange traditie van burger- en guerrillaoorlogen. 'Colombia', schrijft Salazar, 'is een land waar guerrillaleiders als oude mannen sterven in het oerwoud.' Maar de narcotraficante, aan wie zo'n vierduizend moorden worden toegeschreven, 'ontketende de ergste epidemie van de dood die Colombia ooit gekend heeft'.

Escobar steunde actief de kleine guerrillagroep M-19 omdat ook hij zichzelf graag zag als een linkse anti-imperialist die het volk zou bevrijden. Dankzij de 'belasting' die de FARC, de grootste guerrillabeweging in de gebieden waar Escobar zijn cocaplantages en laboratoria had, groeide deze groep uit tot een leger van formaat. En met de oprichting van MAS (Muerte a Secuestradores, 'Dood aan Ontvoerders'), legde hij de basis voor de paramilitaire organisatie die nog altijd huishoudt in Colombia.

Toen M-19 in november 1981 een zus van de broers Ochoa, de andere topmannen van de drugshandel, hadden ontvoerd riep Escobar het gremium van cocaïne-exporteurs bijeen. Allemaal leverden zij geld en manschappen voor het vormen van MAS. Een vliegtuigje strooide vlugschriften uit boven de voetbalstadions met de aankondiging dat de oorlog was begonnen. Bij het eerste offensief maakte MAS vierhonderd slachtoffers onder de vrienden en familieleden van de guerrilleros.

Na zijn kortstondige politieke avontuur ontketende Escobar de totale oorlog tegen alles en iedereen: het leger, de politici, de guerrilla, zijn collega-narcos. Het narcoterrorisme sloeg ongenadig toe, met kogels of met autobommen, door Escobar 'de atoombom van de armen' genoemd. 'Als de Patroon zei: doe het, dan stierf een hoofdredacteur, een rechter, een legerofficier, een presidentskandidaat, een minister, een vijandige capo, een bevriende capo, honderden onschuldige voorbijgangers.'

In de sloppenwijken recruteerde hij zijn sicarios, huurmoordenaars. Jonge jongens zonder enig toekomstperspectief die begonnen als boodschappenjongens maar snel werden omgevormd tot revolverhelden. Een groot aantal van hen was zelfs bereid, onder invloed van drugs, zelfmoordmissies uit voeren. Escobar omschreef ze cynisch als desechables: wegwerpjongens, wier leven geen stuiver waard was.

Eind jaren tachtig schortte de Colombiaanse regering het verdrag op dat uitlevering van de drugshandelaren aan de Verenigde Staten mogelijk maakte. Het was een poging een einde te maken aan het narcoterrorisme, want de maffia was bereid tot het einde door te vechten, onder het motto: 'Liever een graf in Colombia dan een cel in de Verenigde Staten.' Na de Ochoas gaf Escobar zich in juni 1991 over aan de politie.

Hij werd ondergebracht in een speciaal voor hem gebouwde gevangenis, vanwaaruit hij zijn imperium gewoon bleef leiden. Toen het leger op het punt stond de gevangenis te bestormen, ontsnapte Escobar. Na een lange jacht werd hij op 2 december 1992 door de politie gelokaliseerd en doodgeschoten. Salazar beschrijft hoe zijn graf in Medellín nog altijd een bedevaartsoord is, waar honderden Colombianen van de dode zelfs nog gunsten komen afsmeken. Esobar liet zich veel gelegen liggen aan zijn imago van weldoener die met zijn sociale werken de armen een helpende hand toestak. Hij liet meer dan honderd voetbalveldjes met verlichting aanleggen en bouwde een complete wijk voor daklozen.

De biografie vertelt niet alleen het verhaal van Pablo Escobar, maar ook dat van een totaal verziekte maatschappij waarin alles en iedereen te koop was voor drugsgeld. Politici liepen de deur plat bij Escobar en alle presidenten van de laatste decennia ontvingen geld van hem: 'Als de helft van het land niet wegens corruptie in de cel zit, komt het doordat Pablo altijd contant betaalde, nooit met cheques.'

Ook de internationale gemeenschap blijft niet buiten schot. De weduwe van Escobar vestigde zich in Argentinië, waar enkele jaren geleden een schandaal losbarstte toen bleek dat zij in samenwerking met Argentijnse banken en de Amerikaanse Citibank haar drugsgelden witte. De oorlog die de Amerikaanse regering verklaarde tegen de drugshandel (nu naar de achtergrond verdwenen door de oorlog tegen het terrorisme) zou volgens Salazar in de VS zelf moeten beginnen. Zolang de consumptie van cocaïne ('de drug van het neoliberale kapitalisme') daar niet aan banden wordt gelegd, zal de productie elders doorgaan.

Escobar besefte, schrijft Salazar, dat hij verslagen kon worden, maar dat de strijd tegen de drugshandel bij voorbaat een verloren zaak was: 'Meer dan wie ook, wist Pablo Escobar dat de handel alleen in elkaar zou storten wanneer die gelegaliseerd zou worden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden