Oorlog om Colijn

DE PASSAGE heeft intussen nationale bekendheid verworven...

'Na den achtsten aanval', schreef de jonge luitenant Colijn in 1894 over zijn aandeel in de Lombok-expeditie aan zijn ouders, 'bleven nog eenige weinigen over die genade vroegen, ik geloof dertien. De soldaten keken mij vragend aan. Een dertigtal mijner manschappen was dood of gewond. Ik keerde mij naar achteren om een sigaar op te steken. Eenige hartverscheurende kreten klonken, en toen ik mij weer omdraaide waren ook die dertien dood.'

Het brieffragment, geciteerd in de onlangs verschenen biografie van Herman Langeveld, haalde de voorpagina's als een nieuwswaardige onthulling: politieke tegenstanders hadden tijdens en na zijn leven al veel kwaads van Colijn kunnen zeggen, maar dit nog niet.

Minstens zo onthullend was intussen de vaststelling dat de passage, samen met ten minste nog een tweede van dezelfde strekking, door vorige biografen die toegang hadden tot de archieven van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme van de Vrije Universiteit, kennelijk welbewust is verzwegen.

Een kwestie van 'apologetische betrokkenheid' uit de dagen van de 'verzuilde geschiedschrijving', zoals Langeveld zijn voorgangers enigszins in bescherming nam?

Voorzover hij daarmee wilde suggereren dat die dagen voorgoed voorbij zijn, lijkt hij te vroeg te hebben gejuicht.

Deze week publiceerde dr. J. de Bruijn, hoogleraar aan de VU en directeur van het Historisch Documentatiecentrum - de drie brieven van Colijn die betrekking hebben op de Lombokse avonturen, en hij voorzag het uitgaafje van een curieuze inleiding.

'In de publiciteit rond de biografie van dr. Langeveld', schreef hij daarin ter verantwoording van de plompverloren openbaarmaking, 'hebben de passages over de executie de volle nadruk gekregen, waarbij de betreffende gebeurtenis meer als nieuwsfeit dan als historisch feit werd gepresenteerd. Daarmee werd echter te weinig recht gedaan aan de historische context waarin het drama zich afspeelde. Naar hedendaagse maatstaven moge de wijze waarop in het toenmalige Nederlands-Indië strijd werd geleverd als onaanvaardbaar worden beschouwd, het is historisch gezien even evident dat de publieke opinie in ons land er honderd jaar geleden anders over oordeelde.'

En na er op te hebben gewezen dat Langeveld verschillen heeft geconstateerd in de twee relazen (één aan zijn vrouw, de andere aan zijn ouders) die Colijn over het incident heeft opgemaakt, concludeert hij met haast jezuïtisch vernuft:

'Door Colijns verslag weinig betrouwbaar te noemen ondergraaft hij dus ook het bewijs voor zijn stelling dat Colijn zich op Lombok aan wreedheden heeft schuldig gemaakt. Ervan uitgaande dat ook de auteur dit dilemma onderkent, lijkt het mij vanuit zijn standpunt gezien dus verstandiger de betrouwbaarheid van Colijns verslag aan zijn ouders niet te zeer ter discussie te stellen, en enige overdrijving daarin voor lief te nemen.'

Het is beleefd geformuleerd, maar je hoort de messen in de vakgroep-geschiedenis aan de Vrije Universiteit geslepen worden, en je ruikt de apologetische betrokkenheid van de verzuilde geschiedbeoefening waarvan Langeveld in zijn biografie nog verzekerde dat ze van vóór 1960 dateerde.

Zou overigens de integrale publicatie van de drie brieven iets toe of af kunnen doen aan de indruk dat luitenant Colijn honderd jaar geleden verantwoordelijk is geweest voor wat we inmiddels oorlogsmisdaden zijn gaan noemen?

De Bruijn schijnt de op het spel gezette eer van de grote antirevolutionaire voorman op twee manieren te willen herstellen: door half te betwijfelen of het echt zo is gegaan met die dertien moorden (misschien heeft Colijn wel een beetje opgeschept tegenover zijn ouders) en door aan te geven dat de publieke opinie er in 1894 helemaal niet van opkeek als een Nederlandse militair in Indië dertien om genade smekende inlanders rücksichtslos liet neerknallen.

Die laatste redenering is natuurlijk de veelzeggendste: het waren misschien wel oorlogsmisdaden, maar we noemden ze nog niet zo, dus het waren eigenlijk geen oorlogsmisdaden.

Over de geldigheid van zulk historisch relativisme - de Grieken hielden nou eenmaal slaven, antisemitisme was in Midden-Europa nou eenmaal heel gewoon, de publieke opinie wees hard Nederlands optreden tegen opstandige Balinezen nou eenmaal niet af - zal nog eeuwenlang gefilosofeerd kunnen worden, maar wie de illusie zou koesteren dat voor christenmensen ('gij zult niet doden') moord toch altijd moord is geweest, blijkt bij sommige historici van de Vrije Universiteit dus in ieder geval bedrogen uit te komen.

Als het soort wreedheden waarvan Colijn ('in een mengeling van dramatiek en huiselijkheid', zoals De Bruijn bewonderend opmerkt) in z'n brieven gewag maakte - als die al verontschuldigbaar zouden zijn door een klimaat van algemene acceptatie of zelfs aanmoediging, dan hoeft er onder die omstandigheden maar één dissidente stem gehoord te worden, en het excuus heeft z'n geldigheid verloren.

In het boek van Herman Langeveld, dat met grote zorgvuldigheid en zonder casuïstische trucjes in elke fase van Colijns leven de historische context respecteert, komt zo'n dissidente stem uitvoerig aan de orde.

Het gaat om J.J.B. Fanoy, een kapitein van het KNIL, die in 1902 vanuit Atjeh, waar Colijn inmiddels was gedetacheerd, verontrustende brieven schreef aan het (Vrij-Antirevolutionaire) Kamerlid De Savornin Lohman.

'Unaniem', rapporteerde hij onder andere, 'erkende men dat er nog altijd op ontzettende wijze door ons wordt huisgehouden, zich uitende in het afmaken van gewonden, dooden van gevangenen, neerschieten van ongewapenden, enz. enz.' En meer speciaal over Colijn: 'Niemand kan Colijns beweerd Christelijk geloof in overeenstemming brengen met zijn daden. Hij wordt als een der ergste Atjeh-afmakers genoemd.'

De rapportages van Fanoy zijn nooit openbaar geworden, maar hebben wel, als een Excessennota avant la lettre, gecirculeerd in een kring van direct betrokkenen: via Lohman en de minister van Koloniën tot aan de gouverneur-generaal, Van Heutz (als gouverneur van Atjeh) en dus ook diens adjudant Colijn.

De consciëntieuze Langeveld verheelt niet dat misschien niet alle verklaringen van Fanoy 'waterdicht' waren - de kapitein werd afgeschilderd als een 'wereldvreemde idealist' - maar citeert uitvoerig uit de verweernota die Colijn op verzoek van Van Heutz tegen de beschuldigingen opstelde.

En het verrassende is dat Colijn de gewraakte strijdmethoden niet ontkende, maar toegaf, en ze verklaarde uit het door Fanoy kennelijk niet begrepen karakter van de guerrilla-oorlog: als zo vaak in zijn latere leven koos hij de (tegen)aanval, overdonderde zijn critici en oogstte lof en dank van zijn meerderen - 'als de keiharde realist, en als de handige politicus', zoals Langeveld het samenvat.

Maar de dissidente stem was gehoord. Ze kon moeilijk deel gaan uitmaken van wat De Bruijn zo simpelweg (en zo onhistorisch) 'de publieke opinie' noemt, want die was er nauwelijks: de openbaarheid werd angstvallig beperkt gehouden tot een handjevol autoriteiten: journalisten zijn nooit tot de slagvelden van Bali, Lombok of Atjeh toegelaten, en zelfs de koloniale specialist van de SDAP, het Kamerlid Van Kol, kon op bezoek op Sumatra met gemak door de beminnelijke Colijn worden ingepakt.

Niettemin: er was ten minste één medechristen die buiten alle historische contexten om gewetensnood opliep van Colijns houwdegerij, en het optreden benoemde zoals het benoemd moest worden: niet als de wreedheid die te velde nou eenmaal kan voorkomen, maar als koelbloedige moord.

Misschien waren er zelfs twee. In de kantlijn van het briefje waarin Colijn haar van nog een andere moord (op negen vrouwen en drie kinderen) had verteld, schreef mevrouw Colijn: 'Hoe vreeselijk' Of sloeg dat op Colijns verzuchting dat het 'onaangenaam werk' was geweest?

Hoe dan ook. Te zeggen dat de directeur van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlandse Protestantisme op de bres is gaan staan voor de geschiedverdoezeling, is misschien overdreven. Maar dat hij zich met z'n haastig gemaakte bundeltje wilde laten kennen als de dienaar van de historische waarheid kun je ook moeilijk volhouden.

De dagen van de verzuilde geschiedschrijving zijn klaarblijkelijk niet voorbij, en de oorlog op de Vrije Universiteit lijkt alsnog begonnen.

Jan Blokker

H. Colijn: De slag om Tjakra Negara, een verslag in drie brieven.

Uitgegeven en ingeleid door J. de Bruijn.

VU Uitgeverij, Amsterdam; 31 pagina's; * 12,50.

ISBN 90 5383 608 X.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden