Oorlog: het wrede

Het beeld van oorlog als toppunt van ellende is nog niet zo oud. Voor Napoleon gold het ook in de kunst juist als dé plek voor glorie en roem.

Het eerste beeld is een held. Napoleon, geschilderd door hofpropagandist Jacques-Louis David in 1802. De eerste consul laat zijn paard steigeren, klaar om de Alpen over te steken en de Oostenrijkers te verslaan. Napoleon, de krijger, de strateeg, de man die Frankrijk zijn grandeur verleent.


Het tweede beeld is een slachtoffer. De kurassier van Théodore Géricault uit 1814. Een anonieme, eenzame officier, gewond en gedemoraliseerd. Napoleon stuurde hem het slagveld op, maar hij moest de strijd staken, symbool van een verslagen Frankrijk.


De twee beelden illustreren een keerpunt in de representatie van de oorlog, zegt Laurence Bertrand Dorléac, conservator van de tentoonstelling Les Désastres de la guerre, 1800-2014 in de dependance van het Louvre in de noord-Franse stad Lens. 'Tot de 19de eeuw werd de oorlog gezien als iets wat onvermijdelijk bij de wereld hoorde. Soldaten werden afgebeeld als helden. Vanaf 1800 laten kunstenaars vooral de gevolgen van de oorlog zien, het lijden, de vernietiging, de eenzaamheid van de soldaten', aldus Dorléac. Bij de ingang van de tentoonstelling hangt een citaat van filosoof Benjamin Constant uit 1819: 'Bij de modernen kost een gelukkige oorlog oneindig veel meer dan zij opbrengt.' Hij plaatste zijn tijdgenoten, 'de modernen', tegenover de klassieken, voor wie oorlog een doodnormale zaak was. De oorlog werd vaak gezien als een donderbui die de opgelopen spanningen tussen twee rivalen oploste. In de oorlog kon een man zich onderscheiden, kon hij werkelijk man zijn.


De schitterende tentoonstelling in het Louvre-Lens laat zien hoe kunstenaars zich tegen deze opvatting keren. In tweehonderd jaar vinden zij steeds nieuwe manieren om een simpele boodschap - oorlog is ellende - te verbeelden. Sommigen zoomen in op het individu, zoals fotograaf Nick Ut. Zijn iconische foto van het Vietnamese meisje Kim Phuc, dat naakt wegrent na een napalmbombardement, geeft een geopolitiek conflict een menselijk gezicht. Kim Phuc verrijst even uit de anonieme massa van burgerslachtoffers.


Anderen benadrukken juist hoe in de oorlog het individu verdwijnt, als een anonieme speelbal van de belligerenten. Henry Moore maakte een aantal prachtige schetsen van burgers die de nacht doorbrengen in de metro van Londen, tijdens The Blitz van 1940. Als insecten zitten deze gezichtsloze figuren gevangen in een kooi die hen tegen de bommen moet beschermen.


De tentoonstelling laat ook zien hoezeer oorlog fascineert. Als gruwelsprookje van een wereld waarin alle zekerheden zijn weggevallen, maar zelfs als esthetisch schouwspel. Er zijn gruwelijke foto's te zien, bijvoorbeeld uit de concentratiekampen, maar het is opvallend hoe mooi veel oorlogsbeelden zijn. Les Désastres de la guerre is een tentoonstelling met een boodschap, maar bovenal een lust voor het oog.


'Napoleon heeft de oorlog gedood door haar te overdrijven', stelde de Franse schrijver Chateaubriand. De oorlog veranderde van een slag tussen huurlingen in een alomvattende volkenstrijd, waarin dienstplichtige militairen naar het slagveld werden gestuurd. Napoleons krijgshonger inspireerde Goya tot een indrukwekkende serie van 82 gravures, Los Desastres de la Guerra, die in Lens als de moeder van alle anti-oorlogskunst wordt gepresenteerd. Magistraal toont Goya de wreedheden van de oorlog, van Spanjaarden die aan stukken worden gehakt tot de waanzin bij de overlevenden.


De serie heeft talloze andere kunstenaars geïnspireerd. Zo maakte oud-frontsoldaat Otto Dix na de Eerste Wereldoorlog zijn expressionistische variant Der Krieg, om de oorlogsdemonen uit zijn hoofd te verdrijven.


Steeds preciezer wordt de oorlog in beeld gebracht. In de Krimoorlog (1853-1856) verschijnen de fotografen. Aanvankelijk kunnen ze nog niet zo veel, gehinderd door hun loodzware apparatuur, lastige ontwikkelprocédés en de militaire censuur. Ze fotograferen vooral verlaten stellingen en soldaten achter het front. Maar in 1859 laat de Franse fotograaf Jules Coppier voor het eerst lijken zien, in de Italiaanse eenwordingsstrijd. Gaandeweg leggen fotografen de gruwelen van de oorlog steeds onbarmhartiger vast, culminerend in de stapels lijken uit Auschwitz.


Kunstenaars verwijderen zich juist van de natuurgetrouwe afbeelding. Zo zien we de oorlog door de ogen van impressionisten (Manet), expressionisten (George Grosz) en kubisten (Fernand Léger). 'Voor de verbeelding van de hedendaagse oorlog worden steeds meer media gebruikt', zegt conservator Dorléac. 'Niet alleen schilderijen en foto's, maar ook video's, installaties en andere middelen.'


Een anti-oorlogskunstwerk is een hele uitdaging in een tijd waarin ook iedere Miss World-kandidaat zich uitspreekt als hartstochtelijk voorstander van de wereldvrede. Toch vertellen sommige kunstenaars het overbekende verhaal op een nieuwe, indringende manier. Speciaal voor de tentoonstelling maakte de Franse kunstenaar Claude Lévêque een neonbuis met Je saigne ('ik bloed') in rode, bibberige letters. 'Ik wilde het individuele lijden benadrukken', zegt hij. 'De bibberende letters staan voor de kwetsbaarheid en de angst van het individu.'


De Franse fotograaf Luc Delahaye toont Syrische soldaten met hun kalasjnikovs, alsof ze poseren voor een Benetton-campagne. Ze hebben er duidelijk lol in. Zo laat Delahaye zien dat er ook mensen zijn die iets te winnen hebben bij oorlog: buit, mannelijkheid, opwinding, macht over anderen.


Het is een van de weinige werken waarin deze kant ter sprake komt. Dat is een bezwaar dat je tegen de expositie kunt opperen. Conservator Dorléac heeft de kunst van twee eeuwen in het keurslijf van haar centrale stelling gepropt: sinds Napoleon laten kunstenaars niet meer de heroïek, maar de ellende van de oorlog zien.


In historisch opzicht is dat op zijn minst eenzijdig. Zeker tot de Eerste Wereldoorlog was patriottische oorlogspropaganda normaal. Tijdens de Krimoorlog dichtte Alfred Tennyson zijn beroemde The Charge of the Light Brigade: 'Honour the charge they made, honour the Light Brigade.' De Italiaanse futuristen verheerlijkten oorlog als ultieme zelfexpressie.


Dorléac: 'Ik had een heel andere expositie kunnen maken. Dat is waar. Maar ik heb een duidelijk standpunt gekozen.' Anti-oorlogskunst wordt als modern gezien, pro-oorlogskust als een achterhoedegevecht van de aanhangers van een klassieke opvatting.


De oorlogen in Irak en Afghanistan hebben getoond hoe makkelijk het Westen nog altijd ten strijde trekt als het zich bedreigd voelt. De drone voegt er een pervers element aan toe: dood en verderf zaaien zonder zelf risico te lopen. Het ultieme wapen van een cultuur die een hekel heeft aan geweld, maar niet aarzelt het te gebruiken.


Maar in één opzicht heeft Dorléac zeker gelijk. Tweehonderd jaar na Napoleon is oorlogspropaganda iets geworden voor landen als Noord-Korea. In het Westen kun je je kunstenaar die een soldaat verheerlijkt, een veldslag bezingt of oproept de Taliban met drones uit te roeien niet meer voorstellen.


Dorléac: 'Oorlog blijft altijd mogelijk. Ik ben ook geen pacifist. Sommige oorlogen zijn de moeite waard om te vechten. Maar ik denk dat in onze cultuur wel iets veranderd is. De enige keer dat ik mijn vader heb zien huilen is toen hij vertelde over een verzetsactie waarbij hij betrokken was. Op zijn 17de heeft hij een Duitser gedood. Als hij niet geschoten had, was hij zelf misschien gedood. Maar hij vond het verschrikkelijk. Het verbod om te doden is heel sterk geworden.'


Het Louvre-Lens


Waarom heeft het Louvre in 2012 een dependance geopend in Lens, een grauw Noord-Frans stadje waar verder weinig is te beleven? Precies omdat er zo weinig te beleven was, zegt directeur Xavier Dectot. Het Louvre wilde kunst naar de arme voormalige mijnstreek van Noord-Frankrijk brengen, in het kader van de cultuurspreiding. Er waren verschillende kandidaatsteden, maar Lens kreeg de voorkeur omdat het zo slecht bedeeld was. 'Lens had de kolenmijnen en de voetbalclub. De mijnen zijn dicht en de club is gedegradeerd', aldus Dectot. De cultuurspreiding is een succes geworden, zegt hij. In anderhalf jaar trok het museum 900 duizend bezoekers, van wie de helft uit de regio kwam. Van de bezoekers bestaat 20 procent uit arbeiders of lager opgeleide werknemers, meer dan bij andere musea. Cultuur en toerisme zijn manieren om het verarmde noorden te revitaliseren, zegt Dectot, die het Guggenheim in Bilbao als voorbeeld noemt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden