Column

Oom Paul was de enige die ons nog kon vertellen hoe de dingen écht waren gegaan

Foto Robin de Puy / de Volkskrant

Oom Paul was dood. Mijn lievelingsoom, drummer, dienstweigeraar, vader van een zoon die later militair zou worden. Oom Paul, eindeloos wijs en eeuwig kind, professor en pupil tegelijk. Die Paul, zomaar dood. Nou ja, niet zomaar, de laatste weken lag hij in een hospice en als je verder uitzoomde zag je een leven dat allengs kleiner en brozer werd - laten we zeggen dat hij niet in een borreltje spuugde, zoals ze dat zo poëtisch verwoorden - maar toch: ook als iemand oud is en de dagen zat, komt de dood vaak onverwacht, misschien omdat je geest het mysterie van het einde gewoon niet kan bevatten.

Het verdriet was er hoe dan ook niet minder om. De laatste Hoeke was weg, de laatste uit dat wonderlijke Hollands-Indische gezin van professoren, muzikanten, conflictvermijders, drinkebroers, vogelfluisteraars, sterke verhalen en stille wateren. Broer van mijn vader, de jongste, de laatste getuige, de enige die ons, kinderen en kleinkinderen, nog kon vertellen hoe de dingen écht waren gegaan.

In de auto op weg naar begraafplaats Westerveld in Driehuis, een van de mooiste begraafplaatsen van Nederland, luisterden we naar Paul Wellers You do something to me en keken we naar de monumentale huizen die aan ons voorbijgleden. In de auto rook het naar vroeger, een fusie van sigaretten, Chanel Nr. 5 en benzinepompkoffie.

'De laatste keer dat ik hier kwam, was voor de begrafenis van Pim Fortuyn', zei de Man.

'De laatste keer dat ik hier kwam, was voor de crematie van mijn vader', antwoordde ik.

In de ontvangstruimte klonken klapzoenen, in mijn ooghoek zag ik iemand wegduiken. Zwarte jassen, innige omhelzingen, flonkerende sieraden.

Even later voerde de wandeling naar de monumentale koepel boven op de heuvel langs eeuwenoude bomen en een familietombe met de prachtige naam Derkinderen, verderop lagen Eduard Douwes Dekker, Aletta Jacobs, Bram Vermeulen, Anton Pieck en Zwarte Riek. 'Ik denk dat ik me hier later ook laat neerleggen', fluisterde ik tegen de Man.

'In Arnhem hebben we Moscowa', fluisterde hij terug. 'Daar liggen Wim Kan en De Zwarte Panter.'

Tijdens de dienst namen de gedachten het over. Zoals oom Paul daar zat in zijn cognackleurige, lederen stoel, een troon die naarmate hij ouder werd steeds groter leek te worden, was hij de laatste jaren heerser geweest in zijn eigen koninkrijk van krantenknipsels, jazzplaten, landkaarten, stenen, fossielen, mineralen, foto's, stapels non-descripte papieren en rijen boeken, onaangeraakt door de wereld daarbuiten, waarin competitie en onbegrepen jaloezie zo op de mens kunnen drukken. Als ik bij hem kwam, aten we een broodje, vertelde hij iets over een sterrenstelsel, ik wat over mijn werk. We lazen stukjes Simon Carmiggelt aan elkaar voor, iets waar ik met mijn eigen vader, ook een bewonderaar, nooit de tijd voor had genomen. Door oom Paul kreeg ik iets van mijn vader terug. Ook dat was nu voorbij.

Bij de borrel na afloop verloor ik nog iemand. Na het bericht van de dood had ik jaren van verwijdering proberen te slechten met een telefoontje, nood breekt immers wet, maar het telefoontje was onbeantwoord gebleven. Daar, in het café, werd er verder gezwegen. Geen blik, geen condoleance, geen schijn van kans. 's Avonds, in de beschutting van ons eigen huis, proostten we op de levenden en prees ik me gelukkig, maar toen niemand me zag, kotste ik de wc vol.

Reageren? eva.hoeke@volkskrant.nl

Meer over