Nieuws Pensioenleeftijd

Ook vorig jaar steeg de echte pensioenleeftijd weer

De echte pensioenleeftijd van de Nederlanders is in 2017 opnieuw fors gestegen. Werknemers gingen vorig jaar gemiddeld met 64 jaar en 10 maanden met pensioen, 5 maanden later dan in 2016. Sinds de eeuwwisseling is de echte pensioenleeftijd met meer dan 4 jaar omhoog gegaan.

Foto Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Dit blijkt uit woensdag gepubliceerde cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De AOW-leeftijd was in 2017 65 jaar en 9 maanden, maar een deel van de Nederlanders ging voor die leeftijd met pensioen, bijvoorbeeld omdat ze het zich konden veroorloven om eerder te stoppen met werken. 

Maar de echte pensioenleeftijd kruipt wel steeds dichter naar de AOW-leeftijd toe, blijkt uit de CBS-cijfers. In 2006 ging nog 88 procent van de werknemers voor hun 65ste met pensioen, vorig jaar nog 38 procent, blijkt uit de CBS-cijfers. En was in 2006 nog een kwart van de kersverse pensionado’s 59 jaar of jonger, in 2017 ging dit nog maar om 4,4 procent.

Het vroegst met pensioen gaan hbo- of universitair geschoolden. Zij zwaaiden in 2017 gemiddeld met 64 jaar en 5 maanden af, een kleine 10 maanden eerder dan werknemers met alleen basisschool, vmbo, mbo1 of onderbouw havo/vwo, blijkt uit de CBS-cijfers. De reden voor dit verschil is dat hoger opgeleiden het zich vaker kunnen veroorloven om voor de officiële AOW-leeftijd met pensioen te gaan. Bijvoorbeeld door hun spaargeld aan te spreken of hun huis te verkopen, zoals het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit Maastricht eerder in de Volkskrant opmerkte. 

Vrouwen gingen gemiddeld bijna negen maanden eerder met pensioen dan mannen, aldus het CBS. Het aantal werkende 55-plussers is door de vergrijzing en de hogere AOW-leeftijd flink toegenomen, meldt het CBS: met 80 procent tussen 2005 en 2016. In 2016 lag het aantal werknemers van 60 tot 65 jaar bijna vier keer hoger dan in 2005. 

Meer over