'Ook personages moet je soms met rust laten'

Het suggestieve proza van Vonne van der Meer doet vermoeden wat ze in een gesprek bevestigt: ze is 'een enorme schrapper'. Tot er een verhaal overblijft dat de lezer permanent alert houdt. Bij het verschijnen van Het smalle pad van de liefde licht ze haar werkwijze toe.

Twee bevriende echtparen brengen een paar jaar gezamenlijk de zomer door in de Auvergne. In elkaars gezelschap hangt er al gauw 'iets verliefderigs in de lucht'. En dat is lang niet alles. In de nieuwe roman van Vonne van der Meer (1952) speelt er veel meer dan flirts die in overspel kunnen verkeren. Het ene paar heeft zeven jaar geleden een zoontje verloren door een tragisch ongeluk op het strand, en dochter Dédé wil een kapel voor haar gestorven broertje oprichten. Moeten de ouders, van wie de moeder liever niets met geloof te maken heeft, zoiets toestaan of tegenhouden?


Ook dat thema is verdisconteerd in de titel: Het smalle pad van de liefde. 'Ineens werd ik wakker met die titel, en die vond ik goed', zegt de schrijfster in haar woning die van twaalfhoog boven de hoofdstedelijke Sloterplas uitkijkt. 'In mijn verhaal komt huwelijkse liefde aan de orde, buitenechtelijke liefde, en dan ook nog de liefde tot God. Eigenlijk raken al die drie liefdes in dit boek in een crisis.


'Bijna niemand die ik deze titel voorlegde, dacht daarbij nog aan het bijbelse 'smalle pad van de deugd'. Maar dat geeft niet. Ik associeer de titel met risico. Als ik mezelf een smal pad voorstel, zie ik me hoog in de bergen lopen, wetende dat ik mijn kop er goed bij moet houden, anders val ik naar beneden. Opletten.'


Op verschillende andere plekken duikt een alwetende verteller op; ongebruikelijk in deze tijden. Prominent en soms vermanend: 'Laat ons niet langer stilstaan bij het rampjaar (...), gun dit gezin zijn schuwe periode'. Van der Meer: 'Heb ik op deze manier nooit eerder gedaan. Of zo'n type verteller tegenwoordig wel of niet mag, daar maak ik me niet druk om. Maar op een zeker moment wilde ik iets zeggen over het leven van dat gezin in de rouw, alleen niet vanuit een personage. Een verteller wil verder, en niet voortdurend aan die heftige emoties van de personages blijven kleven.


'Daarom begint het volgende hoofdstuk met: 'Ruim zeven jaar later is het nu.' En die alwetende verteller kan ook iets over deze tijd zeggen. Men zwelgt vandaag de dag al zoveel in andermans verdriet; laat deze mensen nu even met rust.'


De verteller kan ook iets zeggen over de mens, én over het schrijven: 'De kalme, zachtmoedige naturen worden vaak veronachtzaamd, niet alleen in gezelschap maar ook in verhalen. Laten we daarom nog even bij Pieter stilstaan.' Zoiets als een voice-over in een film. Van der Meer: 'Schrijven is in hoge mate van scène naar scène schakelen, monteren. Hier wilde ik juist wél dat we even stilstaan bij die man, iemand aan wie we anders zo voorbij zouden kijken.


'De beginscène ontstond een paar jaar geleden, toen ik de rest van de roman nog aan het doordenken was. Ik was op het strand, en zag een man en een vrouw, vlak bij de vloedlijn. Ze deden een spelletje: lieten een buggy met hun kind erin los, op de wind. Eén van hen hoeft maar even mis te stappen, dacht ik, en die buggy rijdt linea recta het water in, of de strekdam op.


'Leek me een sterk beginbeeld. In de roman is die vader een surfer geworden. Hij is ver weg op de golven, hij ziet zijn vrouw met de buggy op het strand staan, en dan steekt de wind op.


'De kiem van het eigenlijke verhaal was een observatie. Ik bevond me in een gezelschap, en hoorde een vrouw ongewoon fel praten over een crisis in het huwelijk van vrienden. Wat een vreemde betrokkenheid, dacht ik toen ik naar haar luisterde. En ook betrapte ik me op de gedachte: zou zij er soms iets mee te maken hebben? Dat was in werkelijkheid niet het geval trouwens, maar daarmee had ik wél iets te pakken: door de manier waarop je ergens over praat kun je, zonder het zelf te weten, je betrokkenheid bij een gebeurtenis verraden. Vanuit zoiets kleins, een paar zinnen die ik opvang, kan zich in mijn hoofd een verhaal ontwikkelen.


'Ja, daar komt verder ook research bij kijken, want ik wil dat de details van zo'n surftocht kloppen: aan een ervaren surfer heb ik gevraagd of de gevaarlijke situatie die ik schets ook echt kán. En ik heb een poosje in het huis van vrienden in de Auvergne gezeten. Die streek, vulkanisch en een beetje leeg, kon ik goed als decor gebruiken. Research is geen corvee, mijn mooiste reizen heb ik voor mijn boeken gemaakt.


'Het was voor mij niet genoeg om een boek te schrijven over een overspelige liefde die uitgaat, en dat was het. Nee, daar wilde ik juist verder, door te kijken of ik bij de overspelige vrouw, May, nadat het is uitgegaan met haar minnaar, een religieus ontwaken teweeg kon brengen. En omdat ik al vroeg wist dat ik daar naartoe wilde, kon ik ook veel eerder in het verhaal scènes laten ontstaan die met dat gegeven te maken hebben. Zoals de kapel die Dédé en haar vriendinnetje Merel voor het overleden jongetje willen bouwen.'


Als de provisorische kapel klaar is en de ouders en kinderen er omheen staan, weet eigenlijk niemand iets te zeggen. Iets bidden misschien, maar wat? Niemand heeft een tekst paraat. Veel later duikt het geloof opnieuw op, nadat May op het terras van een café aan de Sloterplas haar overspel heeft opgebiecht aan een vrouw die ze vertrouwt maar die niet tot haar vriendenkring behoort, en die non is. Ze vraagt deze Heleen of die haar misschien een gebed kan leren. En komt daardoor pas in aanraking met het Onze Vader.


'Daarvan noteer ik op die plek maar een paar flarden. Het verhaal moet geen evangelisch traktaat worden. Ik laat het bij een kind beginnen. Een kind weet niets over deze tijd, en dat er vroeger gebeden en rituelen bestonden. Het jonge meisje Dédé zit eenvoudig met een behoefte: ze wil een plek om haar dode broertje te gedenken, waar ze iets tegen hem kan zeggen, zonder te weten of dat nou bidden heet. En de volwassenen staan met lege handen.'


Het zegt iets over deze tijd, dat we die traditie niet meer kennen. Maar is het niet ook mooi dat we in penibele omstandigheden de gewenste woorden en rituelen zelf moeten uitzoeken en beleven, in plaats van ze aangeleverd te krijgen door pastoor of dominee? Van der Meer, die bijna twintig jaar geleden enig opzien baarde toen ze zich liet dopen: 'Zeker, maar je moet óók kunnen terugvallen op 'formuleringen ouder dan ons verdriet'- zoals ik het een priester eens heb horen zeggen bij de begrafenis van een heel jonge man.


'Daarbij: het is niet alleen een nadeel, dat ik bij de lezer niet veel kennis over psalmen en liturgie mag veronderstellen. Daardoor moet ik me namelijk ook van alles afvragen. Als geloof niet meer vanzelf spreekt, moet ik nagaan op welke momenten het kan beginnen. Waarschijnlijk rond een dode, dacht ik. Als je een kind iets laat bouwen voor een dode, om daar een kaarsje te kunnen opsteken, dan zit je bij de oorsprong. Zoiets voelen lezers van alle gezindten aan.'


Ze zet koffie, en vraagt zich hardop af of ze nu de verkeerde indruk wekt haarfijn te weten hoe ze te werk gaat. Als gewezen theaterregisseur is ze er wel van doordesemd dat een concieze dialoog hele lappen beschrijving overbodig kan maken. Maar ook na een kwart eeuw schrijverschap en vijftien boeken weet ze nooit zeker of het voorgenomen verhaal gaat lukken. Metaforen bijvoorbeeld, die moet je niet gaan zoeken. Zou je een paar losse metaforen bedenken en die noteren, dan zien ze er ook zo uit: te bedacht. Zo werkt het niet. De oma in de Auvergne die oude handen heeft met 'radijzige knokkels'; die vergelijking springt te voorschijn als ze die oude vrouw voor zich ziet.


Of de stevige brildrager Pieter die moet huilen, en het ding afzet. Dan schrijft ze: 'Hij keek haar aan, heel bloot zonder bril.' Door dat compacte zinnetje hoeft ze niet expliciet iets over kwetsbaarheid en ontroering te zeggen. Die gevoelens zijn in dat beeld vervat.


Twee of drie versies schrijft ze, altijd eerst met de hand. 'Als je direct in het computerscherm werkt, ziet het er zo áf uit, alsof een secretaresse het heeft uitgetypt. Terwijl het stadium dat een verhaal nog heel veel kanten op kan, en ik nog van alles verander, zo interessant is. Ik ben een enorme schrapper. De eerste versie is altijd zo'n veertig pagina's langer dan de uiteindelijke. Het blijkt altijd weer bondiger te kunnen.'


In een lezing die Van der Meer dit voorjaar in De Balie hield over de toekomst van de roman, sprak ze haar bedenkingen uit bij de hedendaagse stortvloed aan lijvige boeken. Er is sprake van toenemende roman-obesitas. Ze knikt. 'Als je erg houdt van de suggestie, en niet van het extensieve uitleggen, dan is dat een probleem. Zou het kunnen dat die omvang komt door de computer? Al die dikke pillen zijn verschenen sinds de computer bestaat. Als je eenmaal bezig bent met een dialoog, staan er voor je het weet zes pagina's in het scherm. Je hoeft niets over te schrijven. Dat doe ik wel, en dat is een testmoment: wanneer ik bij het overschrijven merk dat ík me al verveel, dan wil ik dat vanzelfsprekend de lezer besparen, en begint het eerste schrappen.'


In Van der Meers roman wordt de 20ste-eeuwse Duitse theoloog Romano Guardini geprezen, en komt Het gebed des heren (1934) ter sprake, de essaybundel waarin hij het Onze Vader bijna woord voor woord overdenkt.


Over 'en vergeef ons onze schuld' schrijft Guardini dat 'Hij telkens opnieuw het gebed om vergeving kan aannemen'. Zou dat wellicht opgaan voor May uit Het smalle pad van de liefde? En zou haar man Pieter haar vergeven?


Van der Meer: 'Aan die zin van Guardini heb ik niet gedacht, maar als je dat zo vraagt: ja, we hebben alle reden te mogen hopen op vergeving voor May. Ik eindig het boek met de scène dat ze haar man iets gaat vertellen wat heel belangrijk voor haar is. En dat hij gaat luisteren.


'Vond ik een mooi, actief slot. Ik begrijp jouw vragen over vergeving wel, maar als ik die uitvoerig ga beantwoorden, wordt dit gesprek een uitleg van mijn eigen boek. Liever geen ondertiteling.'


Vonne van der Meer: Het smalle pad van de liefde.

Atlas Contact; 219 pagina's; euro 19,95.


CV Vonne van der Meer

1952 geboren in Eindhoven


1978 is bijna tien jaar theaterregisseur bij onder meer RO theater en Haagse Comedie


1985 verhalendebuut Het limonadegevoel (Lubberhuizenprijs)


1994 bekeert zich tot het katholieke geloof


1996 Weiger nooit een dans (toneel)


1999 Eilandgasten (verfilmd in 2006)


2001 De avondboot (verfilmd in 2007)


2004 Ik verbind u door (roman)


2009 Zondagavond (roman)


2011 De vrouw met de sleutel (roman)


2013 Het smalle pad van de liefde (roman)


Van der Meer is getrouwd met de schrijver Willem Jan Otten, samen hebben ze twee volwassen zoons.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden