'Ook meisjes van 40 kunnen heel behoorlijk gillen'

De reünieconcerten in oktober waren voor Ernst Jansz(64) 'misschien wel het allermooiste' wat hij ooit met Doe Maar heeft gedaan. Op naar de volgende hereniging dus? 'Nou, nee.'

Hij is als enige gebleven. Alle anderen van de hippiecommune rond de muzikanten van CCC Inc. (Capital Canal City Folk & Blues Incorporated) zijn lang geleden teruggekeerd naar de Randstad. Maar Ernst Jansz, wasbord, accordeon en piano bij CCC Inc en toetsen bij Doe Maar, voelt zich nu eenmaal op zijn gemak in De Peel. Het was meteen raak. In Amsterdam, waar hij opgroeide in de Rivierenbuurt, was hij gewend dat in de tram iedereen zo ver mogelijk van elkaar ging zitten. Toen hij hier begin jaren zeventig voor de eerste keer kwam, schoof een dame op leeftijd in een verder lege bus naast hem op de bank voor een praatje. Boven de rivieren voelt hij nog altijd calvinisme, het strenge leven. In Brabant is meerjoie de vivre. Hij heeft niets met het katholicisme, maar de biecht is mooi. Over de schreef gaan, wat weesgegroetjes en dan weer vrolijk verder. Wat een uitvinding!


De schuur waar hij destijds met wasbord, trekzak en haar tot op de schouders introk, is inmiddels zijn studio annex oefenruimte. De ramen kijken uit op het bos. Flarden ochtendmist klampen zich vast aan kale takken en smoren het geel en rood van het gevallen blad. Hij houdt van bos. Als hij een hotel reserveert, vraagt hij altijd of er een kamer is met zicht op bomen.


Afgelopen oktober stond hij met Doe Maar in de reeks Symphonica in Rosso-concerten vier keer in een uitverkocht Gelredome. Tot het begin van dit jaar toerde hij met Dromen van Johanna, waarvoor hij werk van Bob Dylan had vertaald. Van CCC Inc. verscheen vorige maand een nieuwe cd, gevolgd door een korte reeks optredens. Vanaf maart volgend jaar begeleidt hij Boudewijn de Groot. 'Het kan me niet vaak genoeg zijn. Drie tot vier optredens per week, dat kan ik nog makkelijk aan.'


Een vraag namens een vrouwelijke collega: hoe slagen jij en Henny Vrienten erin er nog altijd zo goed uit te zien?

'O jee. Als ik voor mezelf spreek: het kan mijn deels Indische afkomst zijn. Indische mensen blijven vaak wat beter geconserveerd. De huid is wat dikker, lijkt het. Het kan zijn dat muziek een rol speelt. Je kunt je nog zo ziek voelen, als je hebt opgetreden is het in de meeste gevallen over. De koorts is weg. Zingen maakt een hormoon aan dat een geluksgevoel geeft. Maar er is natuurlijk ook slijtage. Ik word kaal.'


Is dat lastig, voor een gewezen tieneridool?

'De eerste keer dat ik die plek zag, was het even slikken. Ik ben ijdel. Maar het was al snel: kan mij het schelen. Ik word kaal. En dan? En dan? Ik heb wel moeite met de kwaaltjes die met ouderdom gepaard gaan. Niet meer lezen zonder bril. Dingen vergeten. Met klussen sneller geblesseerd raken. Een slechter gehoor. Maar aan de andere kant: geestelijk ben je wel rijker. Dat geeft rust. Je relativeert beter.'


Ik zag je vorige maand in een kleine zaal in Austerlitz, met CCC Inc. Het spelplezier lijdt niet onder de jaren.

'Ik voel me altijd erg thuis op het podium. Het geeft adrenaline. Voor mij is het belangrijk dat ik iets teweeg breng. Dat het publiek ervaart wat ik voelde tijdens het schrijven of wat ik voel tijdens het spelen. Dat kan heimwee zijn, verlangen, verliefdheid. Bob Dylan heeft wel eens gezegd: ik kan in mensen hun hoofd zingen. Daar lijkt het op. Alsof er iets op elkaar wordt afgestemd. Dat is kicken.'


Hoe kijk je terug op de optredens in het Gelredome?

'Het was misschien wel het allermooiste wat we ooit met Doe Maar hebben gedaan. Dat kwam zeker ook door het orkest, Guido's Orchestra. Het klikte zo goed. 57 fantastische musici uit Rusland, Polen, Cuba, Tsjechië. Jonge mensen die hun leven hadden gewijd aan de beheersing van hun instrument. Veel prachtige vrouwen zaten erbij, de een nog mooier dan de ander. En die stelden allemaal hun talent ter beschikking om onze nummers te spelen. Met hart en ziel. Ik heb daar enorm van genoten. En het spelen met Doe Maar is altijd magisch. Muzikaal is het minimaal. Jan Hendriks doet met zijn gitaar alleen maar tsjak, tsjak. En mijn orgel is tje tjakke, tje tjakke. De bas van Henny pompt er een beetje doorheen, de drums vullen maar weinig op. Maar bij elkaar gevoegd ontstaat een hypnotiserende groove. Het is een trance.'


Het was de derde reünie, na 2000 en 2008. Begint het heintjedavidseffect niet de kop op te steken? Afscheid nemen en weer terugkeren?

'Ik weet niet of je het een reünie moet noemen. We bestaan gewoon, maar we doen bijna nooit wat. Daar komt het eigenlijk wel op neer. Het is een beetje jammer dat Henny telkens zegt dat het nu echt de allerlaatste keer is geweest. Dat zou ik nooit doen.'


Die vierde komt er dus wel?

'Nou, nee. Dit was toch echt de allerlaatste ...'


Het moet geloofwaardig blijven, zei je een paar jaar geleden.

'Het is geloofwaardig zolang je het leuk vindt. Het is ook een kwestie die erg bij mijn generatie past. Vroeger was er muziek die bij je ouders hoorde, en wij hadden pop, beatmuziek. Wat zij hadden vonden wij niks, en wat wij hadden vonden zij niks. Dat is niet meer zo. Popmuziek is van iedereen. De jeugd vindt het prachtig als oude mannen muziek maken. Als wij met CCC Inc. spelen, vinden jongeren het te gek. Oude knarren die bijna op het podium staan te sterven maar het kunstje nog verdomd goed beheersen. Het gaat toch niet om leeftijd? Ik heb The Rolling Stones in de jaren zeventig wel eens zien spelen. Dat vond ik toen heel slecht. Een zooitje. Ik zag pas beelden van hun laatste concert in Londen. Toen dacht ik: wauw! Lekker! Volstrekt geloofwaardig.'


De opgewektheid die Jansz uitstraalt op het podium is er niet altijd geweest. De dood van zijn Indische vader was een traumatische ervaring - hij was 17. De volgende schok kwam enkele weken later, toen hij een brief ontdekte, verstopt in een bijbel. Zijn vader schreef hem dat hij er niet in was geslaagd echt vriendschappen op te bouwen, en alle hoop had gevestigd op een band met hem. En die was ijdel gebleken. 'Het jochie van wie ik zo krankzinnig veel heb gehouden, is er niet meer. (...) En toen verloor ik ook jou, de laatste.' Jansz: 'Dodelijk, natuurlijk. Een mokerslag. Ik wilde zelf ook dood, vanaf dat moment.' Hij schreef drie boeken (Gideons Droom, De Overkant, Molenbeekstraat), bedoeld als verwerking van het verleden.


'Mijn vader had in het concentratiekamp Amersfoort gezeten, hij was labiel. Als kind voelde ik me verantwoordelijk voor zijn levensvreugde. Het was mijn specialisatie. Ik haalde goede cijfers op school om hem te plezieren. Ik verzamelde postzegels omdat hij dat leuk vond. Ik speelde Chopin omdat hij daar van genoot. Ik heb hem nooit laten vallen. Eén keer ben ik als puber in opstand gekomen. En dan krijg je dit. Ik heb jarenlang als een zombie rondgelopen. Ik ben naar Zweden op vakantie geweest op de fiets zonder een woord met iemand te wisselen. Compleet contactgestoord. Op het podium verstopte ik me achter een gordijn van haar. Het lukte me niet om relaties aan te knopen. Bindingsangst. Bij het begin van Doe Maar had ik een vracht aan sombere nummers in mijn bagage. Met de relaties kwam het op een gegeven moment wel weer goed, maar het schuldgevoel heeft heel lang standgehouden.'


Schrijven hielp?

'Het was een analyse. Stap voor stap. Woord voor woord. Het gaf lucht. Ruimte. Ik kon het letterlijk wegzetten. In de kast. Baf. Klaar. Vroeger kon een depressie maanden aanhouden. En nu... een uurtje, hooguit.'


Is het klaar?

'Dat weet ik eigenlijk niet. Ik ben nu aan het schrijven over de tijd van CCC Inc., het was een waanzinnig interessante periode, de tijd van de wereldverbeteraars. Wie weet wat ik nog tegenkom. Een boek over Doe Maar staat ook op de planning, maar dat kan nog wel een jaar of tien duren. Het maakt me eigenlijk niet uit of er dan nog iemand op zit te wachten. Ik doe wat ik doe. De reactie van mijn zus kan ik alvast wel voorspellen: moet het weer over al die meisjes gaan?'


Heb je ooit spijt gehad van het besluit met Doe Maar te stoppen?

'Nooit. Het was niet meer te houden. Er was geen lol meer aan. We konden niet meer over straat. Ze kwamen hier met bussen langs en dan gingen ze voor het raam staan van de schuur waar ik met mijn vriendin woonde. We hebben prikkeldraad geplaatst. Ik werd er doodongelukkig van. Eenzaam ook. Vrienden bleven op afstand.'


Was het binnen de band zelf ook niet op?

'We waren al gestopt met optredens na enkele incidenten. In Paradiso moest de politie eraan te pas komen, omdat rechts-extremisten ons belaagden. We zouden hun identiteit hebben gestolen, omdat ik dunne bretels droeg die ik in België van een skinhead had gekregen. Op Pinkpop werden we met fruit bekogeld. Muzikaal spoorde het ook niet geweldig op dat moment. We gingen de studio in, ik was de enige die nummers inbracht. Het lukte niet. Ik vond het niks. Henny vond het niks. Somber. Zwaar. Alleen Jan zei: jongens, dit is mooi. Toen kwam een van ons met het idee: waarom houden we er niet gewoon mee op? Wie dat was, weet ik niet meer. Henny claimt nu dat het van hem kwam, dat zou best eens kunnen. Hoe dan ook: het was alsof de zon doorbrak. Door die ene opmerking. Wat een geniaal idee. Ineens wenkte de wereld weer.'


Rondom die reünies hoorde je vaak dat Doe Maar eindelijk het publiek heeft dat ze bij het begin voor ogen hadden.

'Het publiek is altijd fantastisch geweest. We kregen in die tijd veel fanmail. Daar zaten veel brieven bij van meisjes van 17, 18 jaar. Die begrepen onze teksten en onze muziek veel beter dan al die recensenten die ons destijds alleen maar afbrandden. Het was toen ongebruikelijk om in popmuziek in het Nederlands serieus over jezelf te zingen. Het was de taal van de smartlap of de carnavalskraker. Voor de pers waren wij het kinderbandje. Het was jammer dat de meisjes snel wel erg jong werden. Van 25 jaar toen we zo'n beetje begonnen in 1978 naar 12 en 13 in 1983. We kregen het gevoel dat we onze eigen generatie aan het verliezen waren. Daarom noemden we ons vierde studioalbum met opzet 4us. Voor onze vrienden, voor onszelf. Met hardere teksten. Dat werkte niet.'


Ondanks Heroïne, godverdomme, Je loopt je lul achterna...

'De jongedames vonden het allemaal even prachtig.'


Sta je nu met meer plezier op het podium dan toen?

'De beleving is niet veel anders. De kick komt van de muziek. In het begin speelden we ook voor lege zalen. Mensen liepen zelfs weg. De inzet en de overtuiging leden er niet onder. Alleen in het laatste stadium werd het vervelend dat meisjes werden platgedrukt tegen de dranghekken. De een na de ander viel flauw. Dat was heel akelig.'


Dat gegil ook.

'Dat gegil vond ik niet zo erg. Dat vond ik eigenlijk wel leuk. Nu gillen ze nog steeds, hoor. Ook meisjes van 40 kunnen heel behoorlijk gillen.'


Wat is jullie erfenis, denk je?

'Mijn doel was dat het publiek zonder enig gevoel van schaamte serieuze Nederlandse teksten zou gaan meezingen. Ik was op de middelbare school verliefd geworden op de Nederlandse taal. Hugo Claus, Jan Wolkers; dat waren mijn helden. Het was pionieren, in de popmuziek bestond het niet. Schaamteloos pionieren, soms. Wees niet bang voor mijn lul. Dat is toch flauwekul. Al is het soms een stijve pik. Hij is net zo lief als ik. Dat was toch niet de manier. Je schrikt mensen af. Er moet afstand zijn. Ruimte laten. Inmiddels heb ik het gevoel dat het idioom is gelegd. Ik voel me zeer vereerd dat rappers ons hebben genoemd als hun voorbeeld. Helemaal te gek. Die gasten zijn zo goed. Het gaat ook over henzelf, wat ze bezighoudt. Heel zuiver. Ze geven een nieuwe dimensie aan de Nederlandstalige popmuziek. Ze bouwen voort op de traditie die wij hielpen creëren.'


Je speelt nog altijd, je schrijft. Hou je met wat je doet nog steeds rekening met je vader?

'Het is niet zo dat ik het gevoel heb dat hij naar me staat te kijken als ik aan het spelen ben of dat hij meeleest, nee. Ik denk er niet echt over na wat hij ervan gevonden zou hebben. Dat heb ik eigenlijk maar één keer ervaren: toen ik de 4 mei-lezing hield, in 2007, als zoon van een vader die in het verzet voor onze vrijheid heeft gevochten. Dat zou iets voor hem hebben betekend. Dat ontroerde mij. Hij was dichtbij, even.'


2012 IN 19 INTERVIEWS

DIT IS HET DERDE DEEL IN EEN DAGELIJKSE INTERVIEWSERIE DIE OP 22 DECEMBER WORDT AFGEROND MET EEN INTERVIEWKATERN.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden