Ook levenslang moet eindig kunnen zijn

De opmars van levenslang maakt een toets nodig om vast te stellen of deze straf nog wel een doel dient, betogen Tim de Bont en Gerard Hamer....

Tim de Bont en Gerard Hamer

Op 17 januari kopte de Volkskrant dat in 2005 een recordaantallevenslange gevangenisstraffen werd uitgedeeld. Maar liefst zeven keeroordeelde de rechtbank dat dit de gepaste sanctie was. Bovendien is er metde hausse aan terrorismewetgeving een toename van het aantal delictenwaarvoor levenslang kan worden opgelegd.

Dat heeft de gemoederen niet onberoerd gelaten. Zo hebben verscheidenerechtswetenschappers ervoor gepleit dat wordt getoetst of de straf ookdaadwerkelijk levenslang ten uitvoer moet worden gelegd. Zeker nu Nederlandlangzamerhand een van de weinige 'beschaafde' landen is waar de levenslangegevangenisstraf in principe ook een leven lang duurt, is het hoog tijd nate denken over de vraag of dit wel humaan en rechtvaardig is.

In diverse internationaalrechtelijke bronnen komt het - ook door onsgevoelde - belang van een toets naar voren. Al in 1976 heeft de Raad vanEuropa een aanbeveling gedaan om na acht tot veertien jaar te kijken of eenvoorwaardelijke invrijheidstelling mogelijk is. Meer recent werd de strafop Europees niveau door de Europese Commissie voor het voetlicht gebracht.Naast de mogelijkheid van een toets werd zelfs een voorzichtige discussieover afschaffing aangekaart. In het Statuut van het Internationaal Strafhofis het niet bij aanbevelingen en discussies gebleven, maar werd bepaald dater na 25 jaar een review plaatsvindt. Ook van mensen die de vreselijkstedelicten hebben begaan.

Waarom een toets? Waarom is het wenselijk dat de rechter zich nogmaalsbuigt over een opgelegde straf? Er zijn twee belangrijke gronden voor hetopleggen van levenslang: vergelding en beveiliging. Enerzijds vormt desanctie de ultieme vergelding sinds de afschaffing van de doodstraf,anderzijds beveiligt zij de samenleving optimaal. Vaak blijkt eencombinatie van beide uit het vonnis. Met betrekking tot beide kunnen zichwijzigingen voordoen waardoor ze komen te vervallen of in ieder geval aankracht inboeten.

Ten eerste de vergelding. Men kan zich afvragen of devergeldingsbehoefte op een bepaald moment niet zo is verminderd dat devergeldingsgrond afwezig moet worden geacht. Een rechterlijk oordeelomtrent aangedaan leed, de vergelding daarvan en de persoon van de daderheeft immers geen eeuwigheidswaarde. Zoals inzichten veranderen, zoveranderen ook (de gevoelens van) slachtoffers, nabestaanden vanslachtoffers en daders. De vraag naar de eindigheid van hetvergeldingselement wordt des te prangender als men zich realiseert dat inveel gevallen (ernstige) sprake is van psychische problemen bij de dader(soms zelfs dusdanig dat sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid)en vraagtekens kunnen worden gezet bij het volle bewustzijn waarmee dedader zijn misdrijven pleegde.

Ten tweede de beveiliging. In die gevallen dat levenslang is opgelegdvanwege het gevaar dat de dader vormt, geldt in nog sterkere mate datontwikkelingen door de rechter ten tijde van zijn vonnis niet zijn tevoorspellen. Niet alleen is het denkbaar dat de gedetineerde tot 'inkeer'komt, eveneens is het mogelijk dat een dader door fysieke gebreken nietlanger een gevaar vormt of dat het gevaar door een psychiatrischebehandeling voldoende is verminderd.

Toetsing is dus nodig vanwege de mogelijkheid dat zich veranderingenvoordoen. Bovendien is uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechtenvan de Mens af te leiden dat in 'levenslangzaken', waarin de detentie opeen bepaald moment louter is gebaseerd op de beveiliging van demaatschappij, er een rechterlijke toets moet zijn om vast te stellen of(nog steeds) sprake is van 'gevaar'. Immers, het gevaar en de risico's dieuitgaan van een dader zijn elementen die kunnen veranderen.

In de Nederlandse praktijk speelt het probleem dat, in tegenstelling totde Britse praktijk, geen onderscheid wordt gemaakt tussen het 'vergeldende'en het 'beschermende' gedeelte van de levenslange gevangenisstraf (in diezaken waarin beide gronden aan de orde zijn). Er wordt door de Nederlandserechter niet gezegd hoeveel jaar dient ter vergelding en vanaf welk momentde straf nog slechts op beveiliging is gebaseerd.

Het is dan ook noodzakelijk dat de rechter zich na een bepaaldedetentieperiode buigt over de vraag of het verder 'uitzitten' van de strafnoodzakelijk is.

Uitgangspunt bij de door ons voorgestelde toets is dat de gedetineerdena het verstrijken van een vastgelegde detentieperiode in vrijheid wordtgesteld, tenzij hij of zij zo gevaarlijk voor de samenleving wordt geachtdat invrijheidstelling onacceptabel is. In verband met de verhoging van demaximale tijdelijke gevangenisstraf naar dertig jaar (twintig jaar zitten)valt te denken aan een toets na twintig jaar detentie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden