Ook kind moet naar rechter kunnen stappen

MAIKE is twaalf en wordt door haar vader en moeder al heel lang geslagen. Ze heeft al een keer geprobeerd hulp te krijgen via de Raad voor de Kinderbescherming....

Hannah is een Marokkaans meisje van zestien jaar. Haar grootste wens is huisarts worden. Van haar vader mag Hannah niet studeren: hij vindt dat ze moet trouwen met de man die hij heeft uitgekozen. Ze vraagt haar leraar met haar ouders te praten, ze gaat naar hulpverleners en probeert hen te laten bemiddelen. Hannah's vader wil er niets van weten. Hij heeft al een huwelijksdatum vastgesteld.

De dertienjarige Joost woont in een klein dorp op de Veluwe. Hij wordt streng gereformeerd opgevoed. Joost hoort in het Jeugdjournaal dat er een polio-epidemie heerst. Hij smeekt zijn ouders om tegen de ziekte te worden ingeënt. Zij weigeren. Ook de huisarts werkt niet mee.

De situaties van Maike, Hannah en Joost staan niet op zich. Zij kunnen om hulp vragen bij een huisarts, het algemeen maatschappelijk werk, een kinderrechtswinkel, een kindertelefoon, een JAC - of honderden andere hulpverleningsinstellingen. Maar wanneer de hulpverleners zijn uitgepraat, is het voor Maike, Hannah, of Joost onmogelijk uiteindelijk zelfstandig naar de rechter te stappen. Ze zijn immers minderjarig.

Kinderrechtswinkels en kindertelefoons zien en horen jaarlijks tientallen kinderen voor wie het van groot belang zou zijn om dat wel te kunnen. Bijvoorbeeld omdat zij worden mishandeld of door scheidende ouders worden verscheurd. Momenteel wordt in die gevallen nog wel eens een juridische omweg bewandeld door het inschakelen van een bijzondere curator.

Ook de Raad voor de Kinderbescherming kan in uiterste gevallen opkomen voor kinderen door aan de rechter een kinderbeschermingsmaatregel te vragen. In die gevallen is het al flink mis, en blijft de jeugdige afhankelijk van de welwillendheid en het oordeel van volwassenen. Internationale verdragen bieden een ieder - en dus ook kinderen - het recht op een onafhankelijk oordeel van de rechter.

De vraag is waarom jeugdigen in het Nederlandse recht dan nog steeds niet zelfstandig naar de rechter kunnen. De meeste argumenten hiertegen zijn varianten van de volgende vier punten.

Ten eerste de notie dat ouders verantwoordelijk zijn voor hun kinderen; zij kunnen namens hun kinderen naar de rechter. Dat is natuurlijk waar en het gebeurt in de praktijk ook, bijvoorbeeld als minderjarigen een conflict met een winkelier hebben over een leverantie.

Er zijn echter ook situaties waarin de ouders juist niet de aangewezen belangenbehartigers zijn van hun kind. Bijvoorbeeld als zij zelf de rechten van hun kind schenden door fysieke of seksuele mishandeling, psychische bedreigingen of door ernstige emotionele verwaarlozing. In die gevallen kan er uiteindelijk behoefte zijn aan een oordeel van de rechter.

Een tweede argument tegen een individuele rechtsingang voor kinderen is dat gezinsverhoudingen niet in juridisch vaarwater moeten komen. Ook dat is in zijn algemeenheid waar. Maar soms zijn die gezinsverhoudingen langdurig en ernstig verstoord. En eerder zal geen enkele minderjarige naar de rechter stappen, zo leert de ervaring van kinderrechtswinkels.

Het kan dan juist een oplossing zijn als een onafhankelijke derde zich ermee bemoeit. Het zou ons niet verbazen als het simpele feit dat een minderjarige uiteindelijk naar de rechter kan stappen al een stok achter de deur is om de problemen binnen het gezin op te lossen.

Een derde bezwaar kan zijn dat de rechterlijke macht al overbelast is, daar zouden geen nieuwe zaken bij moeten komen. Dat de rechters de handen vol hebben, valt niet te ontkennen. Maar er moet ook niet worden verwacht dat er opeens duizenden zaken per jaar bij komen.

Toen een eenvoudige rechtsingang voor kinderen werd ingevoerd betreffende omgang met gescheiden ouders, bleken in het eerste jaar slechts achttien kinderen de stap naar de rechter te zetten. Laten we wel zijn: het is uiteindelijk nogal een stap. De kans dat kinderen om futiliteiten als 'weinig zakgeld' de rechter opzoeken, is gering.

Maar er is een veel principiëler argument. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) bepaalt dat iedere burger het recht heeft op een onafhankelijk oordeel van de rechter. De rechtspraak heeft bevestigd dat dit recht ook voor minderjarigen geldt. Het mag weliswaar worden beperkt, maar niet op zo'n manier dat het recht voor alle minderjarigen wordt uitgehold. Dat betekent dat de overbelasting van de rechterlijke macht en de bijbehorende kosten nooit doorslaggevende argumenten kunnen zijn om dit fundamentele recht in de Hollandse wind te slaan.

Het vierde en laatste argument tegen het recht op rechtsingang voor kinderen is dat minderjarigen niet goed kunnen oordelen over hun situatie. Natuurlijk is het voor kinderen die in een benarde situatie verkeren moeilijk een objectief beeld te geven. Dat geldt echter ook voor volwassenen. Juist in die situaties kan een oordeel van een rechter ruimte bieden voor nieuwe kansen.

Bovendien zijn jeugdigen vaak beter in staat zich een oordeel te vormen van hun eigen situatie dan wordt gedacht. Eigenlijk wordt er op allerlei fronten in onze samenleving van uitgegaan dat jeugdigen vanaf een jaar of twaalf mondig en zelfstandig zijn: in de verhoudingen in de meeste gezinnen, in de reclame, in het besteden van geld. Alleen als het op fundamentele problemen aankomt geven we niet thuis.

Soms is een situatie zo uitzichtloos dat de betrokkenen niet vatbaar zijn voor overleg of therapie. Soms moeten er knopen worden doorgehakt waar het kind de middelen niet voor heeft. In die gevallen moet het een onafhankelijk juridisch oordeel kunnen vragen.

Vooralsnog moet dat gelden voor jeugdigen vanaf twaalf jaar, vinden wij. Bij minderjarigen vanaf twaalf die het voeren van een procedure te belastend vinden, bijvoorbeeld bij incestzaken, moet de rechter een bijzondere curator aanstellen. De keus voor deze leeftijdsgrens is een pragmatische: dat is een leeftijdsgrens die ook in andere delen van het recht is geaccepteerd. Daarbij aansluiten voorkomt juridisch-technische problemen. De jeugdige zou verplichte bijstand moeten krijgen van een advocaat.

DEZE week is het VN-verdrag inzake de Rechten van het Kind in Nederland in werking getreden. De boodschap van het verdrag is duidelijk: neem kinderen serieus en geef ze eigen rechten. In Nederland hebben kinderen het zo slecht nog niet. Maar als er zich ernstige problemen voordoen, zoals seksueel misbruik, kunnen minderjarigen niet zelf voor hun rechten opkomen. Dat zou wel moeten kunnen. De kinderen zijn er rijp voor.

Nanda Ammerlaan-Oosterlaan

Karin Kloosterboer

De auteurs zijn respectievelijk lid en beleidsmedewerker van de Raad voor het Jeugdbeleid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.