Interview Pejman Akbarzadeh

Ook Iran kan uiteindelijk niet zonder muziek

Pejman ­Akbarzadeh: ‘Door de vrijheid hier realiseer je je wat er in je geboorteland allemaal niet verloren is gegaan.’ Beeld Foto Ivo van der Bent

De Nederlandse Iraniër Pejman Akbarzadeh moest als kind in het geheim op pianoles. Westerse muziek en instrumenten waren na de revolutie verboden. Nu probeert hij de Perzische muziekcultuur te redden. ‘Mijn land heeft zoveel meer te bieden dan het fundamentalisme.’

Op zijn negende mocht Pejman ­Akbarzadeh van zijn moeder heimelijk op pianoles. De ­piano, in zijn geboorteland Iran gezien als symbool van het westerse imperialisme, had ­altijd al zijn belangstelling getrokken. Thuis oefende hij op een klein keyboard, speelgoed eigenlijk, dat zijn ouders in het geheim hadden gekocht bij een handelaar die het in een magazijn had verstopt.

Na de islamitische revolutie van 1979 in Iran ging de westerse muziek ondergronds. Officieel mochten geen westerse muziekinstrumenten in beeld worden gebracht of worden verkocht. Maar zijn ouders hebben er altijd alles aan gedaan om de muzikale tradities aan hem door te geven. Achter de voordeuren werd volop gemusiceerd. Op ­familiefeestjes in zijn geboortestad ­Shiraz zat de kleine Pejman geboeid te luisteren naar de muziek die daar met groot enthousiasme werd gespeeld.

‘Thuis luisterden we naar cassettebandjes. We lazen oude bladen over Perzische muziek. Mijn ouders vertelden verhalen over prerevolutionaire musici’, vertelt pianist, journalist en documentairemaker Akbardazeh (38) in het Amsterdamse café De Tropen.

Het ‘vrije, culturele leven’ van voor de revolutie heeft Akbarzadeh, geboren in 1980, niet meegemaakt. Maar hij raakte door de muziek en de verhalen van zijn ouders zo geïnspireerd dat hij als middelbare scholier op onderzoek uitging. Hij zocht in bibliotheken naar boeken over de Perzische muziekcultuur. Hij kreeg zo steeds meer informatie over componisten die aan westerse conservatoria hadden gestudeerd. In het geheim interviewde Akbardazeh Iraanse musici.

Uiteindelijk verhuisde hij vanwege ‘het verstikkende culturele klimaat’ in 2006 naar Nederland. Sindsdien strijdt hij vanuit zijn woonplaats Amsterdam met grote passie en koppige vasthoudendheid voor het behoud van de Perzische cultuur. ‘Alles wat ik doe in ballingschap is gerelateerd aan Perzië. Ik wil ­laten zien dat mijn land zoveel meer te bieden heeft dan het onderdrukkend fundamentalisme.’

In februari vorig jaar ging in Londen zijn documentaire Taq Kasra: Wonder van Architectuur in première, over de ruïne van een paleis dat het Perzische Rijk van de 3de eeuw voor Christus symboliseerde. Uit angst dat IS die ruïne in de buurt van Bagdad van de aardbodem zou wegvagen en voorgoed uit het internationale geheugen zou wissen, reisde Akbarzadeh naar Irak. Twee jaar heeft hij aan de documentaire gewerkt.

Bandopnames uit 1978

Glunderend vertelt hij dat hij er ook in is geslaagd een cd uit te brengen met verloren gewaande opnamen uit 1978 van Perzische volksliederen, uitgevoerd door het Farah Koor. Op een cruciaal moment, vindt hij, voor de veertigste verjaardag van de islamitische revolutie. Half januari 1979 vluchtten sjah Mohammad Reza Pahlavi, zijn vrouw ­Farah Diba, naar wie het koor is genoemd, en hun vier kinderen het land uit. Op 1 februari zette ayatollah Ruholla Khomeini weer voet op Iraanse bodem. Zijn terugkeer markeert het begin van een cultureel grauwe periode, waar­tegen de bevolking bij vlagen in opstand komt, zegt Akbarzadeh.

‘Ook nu strijden jonge vrouwen voor meer vrijheid. Ze willen weer stadions kunnen bezoeken, solo zingen voor een gemengd publiek, zonder hoofddoek de straat op. Het Farah Koor was gemengd. De cd representeert de culturele vrijheid die Perzië ooit heeft gekend.’

Zijn reis begon in 2006, toen hij op weg naar Nederland speciaal een tussenstop maakte in Istanbul, de plek waar de familie Baghcheban in ballingschap leefde. Akbarzadeh was op de Baghchebans gestuit als tiener tijdens zijn zoektocht in de archieven. De Perzische componist Samin Baghcheban en diens vrouw, operazangeres Evlin, hadden hem betoverd en hij wilde het stel ontmoeten.

Voor Akbarzadeh was het in 2006 ‘nu of nooit’. De componist was oud en ­depressief. Hij was bang dat de man zou sterven voordat hij hem had kunnen spreken over zijn ‘prachtige muziek’. Hij had verse Perzische pistachenootjes meegenomen, waar Baghcheban blij mee was. Ze hadden een prettig gesprek. Maar over zijn composities van voor de islamitische revolutie wilde hij met geen woord praten. Akbarzadeh: ‘Hij was totaal verbitterd. Hij was diep gevallen. Van de top van de muziekwereld was hij in het niets verdwenen. Hij wilde niet worden herinnerd aan zijn hoogtijdagen.’

Baghcheban had muziek gecom­poneerd voor de kroning van de sjah in 1967 en voor de viering van het 2.500-jarig bestaan van het Perzische Rijk in 1971. Dat was een exorbitant festijn, waarvoor de sjah een tentendorp had laten bouwen in de woestijn nabij de antieke hofstad Persepolis. Staatshoofden en leden van koningshuizen vanuit de hele wereld gaven acte de ­présence, onder wie prins Bernhard. Er was veel kritiek op die geldsmijterij, over de hoofden van de arme bevolking.

Weeskinderen

Evlin had in 1973 van de Farah Pahlavi Charity Foundation de opdracht gekregen muzikaal met weeskinderen aan de slag te gaan. Muziek zou helpen bij het oplossen van psychische problemen. De operazangeres reisde het hele land af op zoek naar talenten. Ze haalde ze naar Teheran, richtte in 1975 het Farah-koor op en trad met hen op in het hele land. Bij de eerste opvoering in Teheran waren de keizerin en haar vier kinderen aanwezig.

Het koor kreeg een professionele uitstraling. In 1978 trok het naar Wenen, waar opnamen werden gemaakt voor twee albums. Het ene album, Regenboog, was bedoeld voor kinderen en werd opgenomen met het Weense Radio Symfonie Orkest. Het tweede was de a capella gezongen collectie volksliederen.

Akbarzadeh: ‘Beide albums zouden enkele maanden na de opnamen worden uitgebracht in Teheran. Maar daar kwam de revolutie tussen. Evlin en haar kinderen vluchtten ongeveer tegelijkertijd met de sjah en zijn gezin het land uit. Haar man mocht pas in 1984 vertrekken. Regenboog is uiteindelijk wel uitgekomen, maar met een gewijzigde naam van het Farah Koor. Dat werd Mitra Koor.’

De componist heeft niets over zijn muziek willen zeggen. Hoe bent u aan die oude opnamen gekomen?

‘Ik ben altijd met de Baghchebans in contact gebleven, overigens zonder dat ik wist dat er nog opnamen waren. Ik hoopte dat ze eens zouden gaan praten over hun successen. Ik belde om gelukkig nieuwjaar te wensen; na een aardbeving in Turkije. Twee jaar na mijn bezoek aan Istanbul stierf Samin Baghcheban.’

U dacht: daar gaan de verhalen?

‘Evlin leefde nog. Ik wilde niet opgeven. Dat doe ik nooit.’

Zelf gaf hij in 2008 zijn eerste Perzische pianoconcert in het Amsterdamse Bethaniënklooster. Tijdens zijn optredens schuwde hij politieke statements niet. In augustus van dat jaar droeg hij zijn concert in Keulen op aan de bij studentenprotesten gearresteerde activist Ahmad Batebi, die in de gevangenis wegkwijnde. Kort daarna wist Batebi tijdens een medisch verlof te ontsnappen naar de Verenigde Staten.

In 2009 voltooide hij zijn documentaire over de Perzische diva Hayedeh (1942-1990), die door de Iraanse staatsmedia werd weggezet als ‘een corrupte monarchiste’. In datzelfde jaar werden zijn hardnekkige pogingen iets los te weken bij de Baghchebans beloond. Akbarzadeh trof Evlin bij een concert in Londen waar de Perzische muzikale pioniers, onder wie Baghcheban, werden geëerd.

Bij die gelegenheid zei ze dat ze nog opnamen uit Oostenrijk had liggen, thuis in een la in Istanbul.Akbardzadeh: ‘Toen pas hoorde ik dat die er nog waren. Ze dacht dat niemand erin geïnteresseerd zou zijn. Ik heb ze opgehaald. Net op tijd, anders waren ze voorgoed verloren gegaan. Evlin overleed in 2010.’

Akbarzadeh heeft de banden gerestaureerd in Amsterdam en historische foto’s boven water gehaald. Van de voormalige koorleden heeft hij een paar heimelijke reacties gehad. ‘Het koor werd opgeheven na de revolutie. De weeskinderen moesten noodgedwongen hun opleiding staken aan het conservatorium in Teheran, dat werd bezet door de Revolutionaire Garde. Nog altijd is het riskant om openlijk over je associaties met de Pahlavi’s te praten. De paar koorleden die reageerden zeggen warme herinneringen te hebben aan die periode.’

U heeft de cd eerder dit jaar aan ­Farah Pahlavi aangeboden. Hoe ­reageerde zij?

‘Ze moest huilen toen ze de muziek hoorde. Dat vier decennia na haar vlucht jonge Perzen nog belang hechten aan prerevolutionaire cultuur raakte haar diep.’

Farah Pahlavi speelde een belangrijke rol in het culturele leven van het mondaine Iran. Ze had architectuur gestudeerd in Parijs en was daar in aanraking gekomen met westerse films en muziek. In 1977 opende zij als beschermvrouwe het Museum van Hedendaagse Kunst in Teheran, dat de grootste collectie moderne kunst buiten het Westen bezat. ‘Veel is verloren gegaan voor het Perzische volk’, zegt Akbarzadeh.

Hij laat een fragment zien van zijn ­video-interview met de inmiddels 80-jarige Farah Pahlavi. ‘Ze zegt dat het ­regime er alles aan heeft gedaan om ­muziek uit het alledaagse leven te bannen. Kort na de revolutie verkondigden sommige mullahs zelfs dat vrouwen die tijdens het geven van borstvoeding naar muziek luisteren criminaliteit in hun kinderen injecteren. Maar het regime is duidelijk niet in zijn missie geslaagd. Overal zijn jonge mensen muzikaal actief.’

Akbarzadeh zegt dat hij het zelf ook ­niet drooghield toen hij de klanken van het zevende en laatste lied op de cd, Dast be Dastmalom Nazan (Raak mijn zakdoek niet aan), voor het eerst hoorde. ‘Ik huil eigenlijk nooit. Als je huilt, lijkt het alsof je je niet kunt wapenen tegen het islamitisch regime in Teheran. Ik wil daar juist tegen strijden. Maar dat lied, stammend uit een prachtig deel van Perzië (de provincie Bekhtiari in het zuidwesten, red.), emotioneerde me. Het leven in ballingschap kwam plotseling zo hard bij me binnen. Door de vrijheid hier om je heen realiseer je je wat er in je geboorteland allemaal niet verloren is gegaan.’

Tot zijn grote genoegen kreeg Akbarzadeh ook rea­cties op de cd van buiten de Iraanse gemeenschap. Een Noorse dirigent en koren uit Nederland, België en Duitsland hebben hem laten weten ­liederen van de cd op hun repertoire te willen zetten. Akbarzadeh: ‘Missie ­geslaagd, de muziek blijft voortleven.’

Muziek in Iran

Muziekinstrumenten mogen in Iran nog ­altijd niet op de staatstelevisie worden getoond. Vrouwen mogen niet solo zingen voor een gemengd publiek. In films mogen mannen en vrouwen elkaar niet aanraken, zelfs niet als het echtparen betreft. Vrouwen zonder hoofddoek in beeld brengen is verboden. Vorig jaar juli werd de tiener Maedeh Hojabri gearresteerd nadat ze een video op Instagram had geplaatst waarop ze dansend op westerse muziek te zien was. Haar Instagrampagina werd verwijderd en ze moest op de staatstelevisie een bekentenis afleggen. Het leidde tot een groot tegenprotest van tal van Iraanse vrouwen.

Toch is het culturele klimaat in Iran nu veel vrijer dan in het eerste decennium na de islamitische revolutie van 1979. Er zijn conservatoria en orkesten die in het hele land optreden. Als onderdeel van een koor mogen vrouwen wel zingen voor een gemengd publiek. Er zijn rockbands en straatmusici actief. Zelfs metalbands mogen soms optreden. Onder bepaalde voorwaarden weliswaar: de muzikanten mogen niet headbangen, geen aanstootgevende kleding dragen, hun lichtshows moeten bescheiden blijven en hun teksten moeten zijn voorgelegd aan Ershad, het ministerie van Cultuur en Islamitische Begeleiding.

Heldere richtlijnen ontbreken. Zelfs als er toestemming is van Ershad, kunnen hardliners binnen de politie straatmuzikanten arresteren of een optreden van een band, dans- of theatergroep stopzetten. Tussen de regels en hardliners van lokale politiekorpsen door manoeuvreren is in Iran al een kunst op zich.

Veel speelt zich ondergronds af, soms letterlijk. Er wordt opgetreden in grotten, tunnels, op afgelegen plekken in de natuur en vooral thuis, achter de voordeur. Altijd is er angst te worden opgepakt. Dat laten de filmmakers Bahman Ghobadi in No One Knows about Persian Cats (een in het geheim opgenomen film uit 2009 over de ondergrondse rockscene in Teheran) en Jafar Panahi in 3 Faces (2018, over de wanhoop van een plattelandsmeisje met theaterambities) treffend zien.

Vorig jaar juli werd de tiener Maedeh Hojabri gearresteerd nadat ze een video op Instagram had geplaatst waarop ze dansend op westerse muziek te zien was. Haar Instagrampagina werd verwijderd en ze moest op de staatstelevisie een bekentenis afleggen.

Perzië is zijn land, dus niet Iran

Pejman Akbarzadeh gebruikt bewust Perzië om zijn geboorteland aan te duiden. Van de zesde eeuw voor Christus tot 1935 stond het land wereldwijd bekend als Perzië. Dat jaar verzocht de vader van sjah Mohammad Reza Pahlavi de internationale gemeenschap om zijn land voortaan Iran te noemen, onder meer om een nieuw tijdperk te markeren. Na protest van een commissie van Perzische geleerden besloot sjah Pahlavi in 1959 dat beide namen door elkaar gebruikt konden worden.

Tegenwoordig gebruiken sommige Iraniërs in de diaspora Perzië ook wel om negatieve associaties met het Iran van de ayatollahs te omzeilen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.