Ook Ierland heeft asfalt, beton en graffiti

Waren George Bernard Shaw, Oscar Wilde en William Butler Yeats echt Ierse schrijvers, of past hun werk in de Engelse literatuur en zijn ze louter toevallig in Ierland geboren?...

Drie jaar geleden publiceerde de Ierse schrijver, uitgever, criticus en kampioen-bloemlezer Dermot Bolger zijn visie op de hedendaagse Ierse literatuur. The Picador Book of Contemporary Irish Fiction, een bloemlezing uit het werk van een kleine vijftig auteurs, veroorzaakte in de meer traditionele literaire kringen een schok, maar iedereen was het erover eens dat Bolgers keuze een nieuwe fase in de Ierse literatuur markeerde. Zijn voorwoord eindigde hij met de opmerking: 'Ik heb geweigerd deze schrijvers in enige Ierse literaire traditie te plaatsen, behalve dan in de algemeen bekende gewoonte om de Engelse taal beter te hanteren dan wie ook.'

'Ierse literaire traditie' - zelfs wie er niets mee te maken wil hebben kan niet om het begrip heen. En geen wonder. Wanneer we het aantal inwoners in aanmerking nemen, is er misschien geen land ter wereld dat zoveel grote schrijvers en dichters heeft voortgebracht als Ierland. Iedereen die in Ierland de pen ter hand neemt weet zich voorafgegaan door groten als Oscar Wilde, William Butler Yeats (Nobelprijs 1923), George Bernard Shaw (Nobelprijs 1925), James Joyce, Samuel Beckett (Nobelprijs 1969) en Seamus Heaney (Nobelprijs 1995). Hun namen hebben een internationale faam, zozeer zelfs dat het Iers Toeristenbureau, Bord Fáilte, kalenders uitgeeft met hun portretten.

Natuurlijk is de Ierse literaire traditie er een om trots op te zijn, maar tegelijk dreigt het rijke verleden de hedendaagse Ierse literatuur geheel te overschaduwen. Boekblad, het nieuwsblad voor het boekenvak, blikte vorige week vooruit op de aanstaande Frankfurter Buchmesse, waarop Ierland het zogeheten Schwerpunkt is: het blad stelde de vraag welke boekenvakkers eigenlijk Ulysses hebben gelezen, en niet de vraag hoe het zit met hun kennis van de hedendaase Ierse letteren. Bij de term 'Ierse literatuur' denk je nu eenmaal vooral aan hele grote dode schrijvers.

Denkend aan Ierland zien wij wrakkige huifkarren traag door oneindig groen weideland gaan. We zien schapen en ezels, Guinness en Jameson's, Danny Boy en Molly Malone, Maria-verering en geloof in elfen. Een vriendelijk, ouderwets, ja zelfs wat achterlijk eiland aan de uiterste westrand van Europa.

Dat beeld komt niet uit de lucht vallen. Nadat de Ierse republiek in 1922 onafhankelijk werd van Groot-Brittannië, volgde een lange periode van isolement, met Ierlands neutraliteit tijdens de Tweede Wereldoorlog als een sprekend voorbeeld. Het land was in zichzelf gekeerd, de katholieke kerk domineerde het maatschappelijk leven - er was een strenge censuur - en iedereen met enige ambitie emigreerde.

Pas eind jaren zestig ontwaakte Ierland uit zijn schier comateuze toestand. Het omarmde de twintigste eeuw met gretigheid. Er was nog heel veel in te halen, betoogt Michael O'Loughlin, dichter, Achterberg-vertaler, auteur van de verhalenbundel De weeën van de mannen van Ulster, en sinds een aantal jaren woonachtig in Amsterdam. 'De grote verschuiving in de Ierse literatuur begon in de jaren zestig en vindt zijn oorsprong in een aantal belangrijke maatschappelijke veranderingen. Tot die tijd was Ierland een agrarische gemeenschap, een staat die leefde van landbouw en emigratie.

'In de jaren zestig kwam alles in één klap. Je kreeg de ontwikkeling van de steden en hun buitenwijken, de televisie - ongelooflijk belangrijk voor een gesloten en door censuur gekenmerkte maatschappij als de Ierse - en vanaf 1968 gratis middelbaar onderwijs. Dat betekende dat een hele nieuwe generatie jongeren met een stedelijke achtergrond naar school of zelfs de universiteit ging.

'Sommigen van hen ontwikkelden literaire ambities, en de effecten daarvan werden voor het eerst in de late jaren zeventig duidelijk. Er stonden nieuwe schrijvers op, zoals Dermot Bolger en Colm Tóibín, die zich op andere thema's wierpen dan tot dan toe gebruikelijk. Ze schreven over stedelijke onderwerpen zoals drugs, geweld, industrieel verval, werkloosheid. Een heel ander beeld van Ierland dan de lezers tot die tijd hadden voorgeschoteld gekregen.'

Ook Dermot Bolger noemt 1968 als het jaar van het grote keerpunt. Alle fragmenten in zijn bloemlezing zijn dan ook van na dat jaar. Bolger: 'De generatie van na 1968 was voor het eerst bevrijd van de ketenen van het verleden, bevrijd ook van het minderwaardigheidscomplex waarmee veel Ieren voor die tijd kampten. Nog geen vijftig jaar geleden had je de krankzinnige situatie dat jonge Ieren, wier toekomst om economische redenen veelal buiten hun vaderland lag, op school onderwijs in het Iers kregen, in plaats van in het Engels, wat voor de meesten de enige taal was die ze beheersten. Die kinderen werden als politieke proefkonijnen gebruikt.

'Als gevolg van deze bizarre praktijk waren de meeste jonge Ieren zeer slecht opgeleid en konden ze uitsluitend ongeschoold werk krijgen. Dat is sinds enkele decennia sterk veranderd. In zijn algemeenheid is het nu zo dat een achttienjarige Ier die naar het buitenland gaat beter opgeleid is dan de leeftijdgenoten die hij daar aantreft. Al deze zaken hebben geleid tot een steeds sterker wordend gevoel van zelfvertrouwen en zelfbewustzijn. Dat manifesteert zich niet alleen in de Ierse literatuur, maar ook in de film, de beeldende kunst en de muziek, via de opkomst van internationaal gewaardeerde bands als U2, de Hothouse Flowers en The Cranberries. De jonge Ieren zijn niet langer bang zich te uiten.'

Volgens Bolger ligt Ierland nu cultureel en maatschappelijk in het hart van Europa. For better or for worse. 'Nog niet zo lang geleden was dit een vrijwel drugsvrije maatschappij, maar halverwege de jaren tachtig werd Dublin de heroïne-hoofdstad van Europa. We zijn allang geen in zichzelf gekeerde, geïsoleerde maatschappij meer, en de associatie met ouderwetsheid is volstrekt achterhaald. De helft van de Ierse bevolking is jonger dan 25 jaar, en meer dan eenderde woont in Dublin: een metropool met grotendeels dezelfde problemen als Amsterdam, Berlijn of New York.'

Dat de maatschappelijke veranderingen in Ierland ook hun weerslag hebben gekregen in de literatuur, is volgens Bolger voor een niet gering deel te danken aan de opkomst van een Ierse uitgeversindustrie, een fenomeen waaraan hij zelf actief heeft bijgedragen. 'Tot voor een aantal jaren geleden waren Ierse schrijvers vrijwel geheel afhankelijk van Engelse uitgevers, en in die kringen heerste nog altijd het traditionele beeld over hoe Ierse literatuur eruit dient te zien. Ieren werden geacht te schrijven over het dorpse leven op het platteland, over de oude keltische mythen en tradities, of anders over de Noord-Ierse burgeroorlog.'

O'Loughlin: 'In het buitenland wilde men de verhalen van Frank O'Connor, Sean O'Faolain en Edna O'Brien, waarin het vertrouwde beeld van Ierland opdook. Ierland kampt wat dat betreft met hetzelfde probleem als Nederland. Van Nederland wil men in het buitenland ook vooral dat gedoe met klompen en molens. Het is niet voor niets dat juist een film als Antonia met een Oscar is bekroond.

'Wij waren nooit geïnteresseerd in schrijvers als O'Brien. Ze kwamen uit een ander heelal. Meestal woonden ze trouwens in Londen of New York en daar bevond zich ook hun lezerspubliek. Wij jongere auteurs waren ook helemaal niet zo gelukkig met de enorme populariteit van Seamus Heaney. Want ook hij schreef over de traditionele onderwerpen, over het verleden, het platteland. Met als gevolg dat de mensen dachten dat dat nog steeds de Ierse werkelijkheid was. Hij is in het buitenland een enorm obstakel voor ons geweest. Maar dat is inmiddels veranderd, zoals ook het werk van Heaney is veranderd.'

Vóór de grote ommekeer in de jaren zestig en zeventig waren er wel degelijk Ierse schrijvers die zich op niet-traditionele thema's richtten, maar die werden slechts door een minderheid gewaardeerd. Iemand als Francis Stuart was voor jongeren als O'Loughlin, Bolger en Tóibín heel belangrijk. Stuart schreef over zijn ervaringen in Duitsland, waar hij van 1940 tot 1945 docent was aan de Universiteit van Berlijn, en vervolgens enige tijd door de geallieerden gevangen werd gezet wegens zijn controversiële bijdragen aan de Ierse radio. Ook John Banville, die in 1970 debuteerde, was voor O'Loughlin een lichtend voorbeeld. O'Loughlin: 'Banville's eerste boeken gingen over Copernicus en Kepler. Dat waren dus Ierse romans die zich afspeelden in het Europa van de Middeleeuwen. Wij beschouwden hem als heel modern, heel Europees, heel cosmopoliet. Maar dat soort schrijvers wilde men buiten Ierland niet. Stuart is buiten Ierland zo goed als onbekend, en Banville heeft zelfs nu nog moeite Europese uitgevers te vinden.'

Hoe anders is de situatie met de nieuwe generatie Ierse schrijvers. Met onder anderen Roddy Doyle, Colm Tóibín, Michael O'Loughlin, Patrick McCabe, Dermot Bolger, Colum McCan, Emma Donoghue en Neil Jordan levert Ierland een aantal van de interessantste auteurs van het Engelstalige literaire spectrum. Londense en andere Europese uitgevers vechten om Ierse schrijvers. Bolger: 'Bij het samenstellen van mijn Picador-bloemlezing viel het mij op dat sommige Engelse uitgeverijen wel zes of zeven nieuwe, nog niet gepubliceerde Ierse auteurs onder contract hebben, louter op basis van één of twee verhalen. Er gaat momenteel geen week voorbij of er wordt een nieuw Iers talent gelanceerd.'

De grote populariteit van Roddy Doyle, sterk gestimuleerd door zijn bekroning met de Booker Prize in 1993, is in die ontwikkeling ongetwijfeld belangrijk geweest. Doyle is een schrijver die de 'typisch Ierse' thema's schuwt. Zijn boeken spelen in de fictieve, maar nadrukkelijk door de werkelijkheid geïnspireerde Noord-Dublinse arbeiderswijk Barrytown. Geen groene weiden hier, maar asfalt, beton en graffiti.

Het werk van Roddy Doyle geeft een stem aan de kansarme, werkloze bewoners van de buitenwijken, vaak op een uiterst komische wijze, maar met een treurige ondertoon. Zijn meest recente boek, The Woman Who Walked Into Doors (De vrouw die tegen de deur aanliep) gaat over een vrouw die door haar man wordt mishandeld en wier ambities een voor een zijn gefnuikt.

Een andere jonge Ierse schrijver, Patrick McCabe, werd in 1992 voor de Booker Prize genomineerd met The Butcher Boy (De slagersjongen) en publiceerde vorig jaar The Dead School. In deze roman werkt hij het conflict uit tussen de generaties van respectievelijk voor en na de oorlog. Met andere woorden: zij die opgroeiden met de nationalistische idealen van het onafhankelijke Ierland, en de 'hippy-generatie' van 1968, die zich een veel kritischer houding veroorlooft ten opzichte van het vaderland.

Hoezeer de Ierse maatschappij is veranderd, moge blijken uit het feit dat een schrijfster als Emma Donoghue, dochter van de befaamde literatuurwetenschapper Denis Donoghue, in haar boeken openlijk uitkomt voor haar homoseksuele geaardheid, zonder dat ze daardoor een controversiële figuur wordt. Integendeel, ze presenteerde respectabele televisieprogramma's en is bij de media een veelgevraagde spreekbuis namens de Ierse lesbische gemeenschap.

Van haar collega Colm Tóibín verschijnt dezer dagen The Story of the Night, een roman over de coming out van een homoseksuele Argentijn. De eerste protesten tegen zijn boek hebben al geklonken. Maar ze kwamen niet uit Ierland. Naar verluidt kan Tóibín een nominatie voor de Booker Prize dit jaar wel vergeten, omdat het zéér Engelse jurylid A.N. Wilson de seksscènes in het boek vunzig en moreel verwerpelijk acht. In Ierland zal het wel een bestseller worden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden