Ook Ian McEwan voor de tweede keer?

De shortlist voor de Booker Prize, die op 17 oktober wordt uitgereikt, is verrassend. Twee oudere, bekende schrijvers die eerder de prijs kregen, Ian McEwan (Atonement) en Peter Carey (The True History of the Kelly Gang)....

HET GAAT niet goed met Iceland, het moederbedrijf van de firma Booker, sponsor van Groot-Brittannië's bekendste en meest invloedrijke literaire onderscheiding, de Booker Prize. Het bedrijf wil dan ook van de financiële verplichtingen rond de prijs af. De kosten bedragen jaarlijks euro 300.000; naar de winnaar gaat daarvan slechts euro 21.000. Naar verluidt wenst Iceland vanaf volgens jaar nog slechts euro 100.000 bij te dragen. Tweederde van de kosten moet door co-sponsors worden opgebracht.

Iceland zit daarom erg in zijn maag met de negatieve publiciteit die de prijs recentelijk heeft gekregen. Met name de Schotse schrijfster A.L. Kennedy, jurylid in 1996, roerde zich in augustus van dit jaar. Ze stelde vast dat de prijs 'onzinnig' was en dat de uitslag steeds werd bepaald door de vragen: 'wie kent wie, wie doet het met wie, wie verkoopt wie drugs, wie is met wie getrouwd en wiens beurt is het'.

Met dat laatste duidde ze op de winnaar uit haar 'eigen' jaar, Graham Swift, die volgens haar werd gelauwerd voor een van zijn mindere boeken (Last Orders), simpelweg omdat hij 'toe was' aan het winnen van de prijs. Over haar medejuryleden was ze weinig vriendelijk: 'Ik heb alle 300 boeken gelezen, wat geen enkele andere klootzak deed.'

Jurygenoot uit 1996 Jonathan Coe sprak in The Guardian de beschuldiging tegen: 'Alison was kwaad, omdat ze vond dat we niet de juiste winnaar hadden gekozen, maar frustratie is iets anders dan corruptie. Overigens vermenigvuldigt ze het aantal boeken dat we moesten lezen met een factor drie, dus misschien moeten ze haar andere opmerkingen ook tot die proportie terugbrengen.'

Jason Cowley, jurylid 1997, zegt evenmin tekenen van corruptie te hebben bespeurd. 'Ik verwachtte champagne, sigaren en escortmeisjes, maar niets van dat al.'

Corrupt of niet, vast staat dat de Booker Prize in de loop der jaren steeds meer een politieke aangelegenheid is geworden. Martin Goff, al sinds de oprichting secretaris van de prijs, bekende in een interview: 'Vroeger zeiden de juryleden heel open: laten we het beste boek kiezen. Dat is veranderd, nu de prijs overal ter wereld voorpaginanieuws is. Je merkt een toegenomen spanning en ik heb juryleden wel horen zeggen: ''Sorry, maar ik kan mij onmogelijk associëren met de nominatie van dat boek''.'

Alle negatieve publiciteit ten spijt, is het 33ste Booker-jaar in literair opzicht een uitstekend jaar. Zo uitstekend dat Salman Rushdie, Jim Crace en Bernard Mac Laverty niet eens de longlist haalden, en Nobelprijslaureaat en oud-Booker-winnares (1974) Nadine Gordimer een shortlist-notering aan zich voorbij zag gaan. Zij bevond zich in het gezelschap van auteurs als V.S. Naipaul, James Kelman (beiden oud-winnaars), Melvyn Bragg, de verrassende debutant Manil Suri en Beryl Bainbridge.

Voor Bainbridge was het de zesde maal dat ze haar status van potentiële winnaar in rook zag opgaan. Vaker dan wie ook (vijfmaal) stond ze op de shortlist en toen haar naam op de dit jaar voor het eerst gepubliceerde longlist van 24 titels verscheen, was ze meteen favoriet. Maar ze haalde niet eens de laatste zes.

Aan de zes genomineerde boeken vallen op het eerste gezicht twee dingen op: ze zijn over het algemeen ernstig van toon, en ze zijn bijna allemaal geschreven door 'Engelse' auteurs. Al naar aanleiding van de longlist zag de criticus Robert McCrum in The Observer van 9 september 'een diepe en opmerkelijke Englishness'. In een artikel getiteld 'Curry and chips' vroeg hij zich af of hier het einde werd aangekondigd van een tijdperk waarin de Britse literatuur werd verrijkt met de energie en verbeeldingskracht van de voormalige koloniale tradities van de Commonwealth-landen. Immers, alle Engelstalige boeken ter wereld komen voor de Booker Prize in aanmerking, behalve die van Amerikanen.

De Booker-shortlist werd op dinsdag 18 september bekendgemaakt en inmiddels hebben enkele collega's van McCrum gesuggereerd dat de selectie mede is beïnvloed door de gebeurtenissen van precies een week daarvoor. Die constatering klinkt geforceerd en klopt niet erg met het passeren van auteurs als Nadine Gordimer en V.S. Naipaul. Eerder lijkt de constatering op zijn plaats dat de shortlist van 2001 - met vijf in Groot-Brittannië geboren auteurs - de minst internationale alliantie is van de laatste jaren. Tenminste: op het eerste gezicht.

Neem Rachel Seiffert (30). Zij werd weliswaar geboren in Oxford, maar is het kind van een Australische vader en een Duitse moeder. In haar debuut The Dark Room (Heinemann; fl 49,95) exploreert ze de Duitse schuldgevoelens over de Tweede Wereldoorlog aan de hand van twee jonge Duitsers die de oorlog zelf niet hebben meegemaakt. Deze thematiek is (Leonoor Broeder wees er in haar bespreking in Cicero vorige week al op), anders dan men in Engeland denkt, inmiddels veelvuldig behandeld, met Bernard Schlinks bestseller De voorlezer als voorbeeld bij uitstek. Hoe moeilijk het is een dergelijk zwaar thema aan te snijden zonder dat de romanschrijver het dreigt te verliezen van de moralist en didacticus, bleek zelfs uit een geslaagd boek als De voorlezer. Bij Seiffert levert het een onevenwichtige roman op, waarin een levensecht begin- en middendeel ongelukkig wordt gekoppeld aan een slotdeel, waarin de auteur krampachtig poogt de cirkel rond te krijgen.

Schijnbaar minder ambitieus is Hotel World (Hamish Hamilton; fl 45,95) van de Schotse Ali Smith (39), die eerder twee verhalenbundels en een roman publiceerde en creative writing doceert aan de University of East Anglia. In haar boek komen vijf personen aan het woord: de geest van een zojuist doodgevallen kamermeisje, haar dakloze zuster, een collega-dakloze, een journaliste en een receptioniste. Hun lot is verbonden door het chique hotel The Global. Via vijf bekwaam georkestreerde stemmen, soms weergegeven via onconventionele typografie, geeft Ali een reeks doorkijkjes in vier levens en een ex-leven. De verhalen zijn bewust onafgerond, de is toon somber, het totale koor indringend.

Oxygen (Sceptre; fl 49,95) van wereldreiziger Andrew Miller (41) is het verhaal van twee broers die gedwongen terugkeren naar hun ouderlijk huis in het Britse West Country, vanwege de naderende dood van hun moeder. Larry, de oudere broer, is een naar de VS verhuisde ex-tennisster, thans tv-acteur, wiens bestaan overal haarscheurtjes vertoont. Terug in Engeland ontmoet hij zijn filosofisch ingestelde, zorgende broer Alec, die eindelijk als vertaler naam lijkt te maken dank zij een toneelstuk van de Hongaar Lazlo. Er ontstaan twee plots: één in het ouderlijk huis rondom de stervende moeder, en één in Parijs, rondom Lazlo en zijn vrienden. Met behulp van een (eigenlijk iets te) uitgebreide cast, werkt Miller op overtuigende wijze grote thema's uit als het verwerven van identiteit, het verwerken van verlies en het in het reine komen met ballingschap.

Wellicht het meest eigenzinnige boek op de shortlist is number9dream (Sceptre; fl 39,90) van de in Hiroshima wonende David Mitchell (32). De twintigjarige Eiji Miyake verlaat zijn geboorte-eiland om in Tokio te gaan zoeken naar zijn vader, die hij nooit heeft gekend. Na een conventioneel begin, neemt het boek gaandeweg de gedaante aan van een hallucinatoire gangsterroman. Eiji belandt in een wereld die hij niet begrijpt en waarop hij geen vat kan krijgen, en eigenlijk geldt dat evenzeer voor de lezer.

Bij number9dream vergeleken lijkt True History of the Kelly Gang (Faber; fl 32,95) van de Australische New Yorker Peter Carey (58) een wondertje van eenduidigheid. Helemaal waar is dit natuurlijk niet, want het betreft hier een fictief dagboek van de historische Australische boef annex volksheld, en de grens tussen feit en verbeelding is niet altijd te traceren. Carey idealiseert Kelly tot de grens van het toelaatbare en de anti-Engelse teneur van het boek - dat duidelijk kiest voor de underdog die eindelijk opstaat tegen de corrupte wereldmacht - laat weinig heel van de suggestie dat de jury zich heeft laten beïnvloeden door '11 september'.

Ten slotte is er Atonement (Cape; fl 49,95) waarin Ian McEwan (53) - als enige geboren, getogen en woonachtig in Engeland - op magistrale wijze vertelt over de macht en verantwoordelijkheid van de verteller (zie ook Cicero van vorige week).

Onmiddellijk na de openbaarmaking van de shortlist werden McEwan en Carey, die beiden de Booker Prize al eerder in de wacht sleepten (in respectievelijk 1998 en 1988), tot uitgesproken favorieten bestempeld. Ook los van hun veel grotere naamsbekendheid, is dat begrijpelijk, maar als we rekening houden met de kwaliteit van alle zes boeken, lost buiten dit koningskoppel alleen Andrew Miller zijn beloften echt in.

Normaliter zou dit een goede reden zijn om Miller als winnaar te tippen. Jury's hebben er doorgaans een broertje dood aan de publieke opinie te volgen, en het is in 32 jaar maar één keer gebeurd dat een auteur tweemaal met de Booker Prize werd bekroond, namelijk J.M. Coetzee in 1983 en 1999. In dat laatste jaar stak Coetzees boek zo hoog boven de andere nominaties uit, dat de jury wel gek was geweest zijn hem te negeren.

Nu twee jaar later, is dat toevallig opnieuw het geval, en wel met Atonement van Ian McEwan. Zou de jury McEwan drie jaar na zijn eerste bekroning voor de tweede keer durven lauweren? Zo niet, dan zullen voorzitter Kenneth Baker (oud-staatssecetaris voor Onderwijs) en zijn medejuryleden de geschiedenis ingaan als de sukkels die het bestonden een meesterwerk te passeren voor een verdienstelijk boek, waarvan de titel ons even niet te binnen wil schieten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden