Ook de stadsheilige Sint Blasius wordt gerestaureerd. Gelukkig voor Dubrovnik branden eiken slecht

Een plattegrond met slechts drie straten, maar 'er staat alles op wat u nodig heeft'. Vóór de oorlog leefde Dubrovnik van en voor zijn toeristen, maar sinds de belegering van de stad willen die maar niet terugkomen....

De beschermheilige van Dubrovnik is Sint Blasius. Sint Blasius heeft Dubrovnik zelf nooit gezien, vermoedelijk heeft hij zelfs nooit van het stadje gehoord. Hij verscheen in een droom aan een priester met de waarschuwing dat de Venetianen zich opmaakten om Dubrovnik in te nemen. De verdedigers van de stad konden zich nog snel voorbereiden op de aanval en de inname had niet plaats.

Duizend jaar later prijst Dubrovnik zich nog steeds gelukkig met zo'n beschermheilige. Al had hij beter weer even kunnen waarschuwen dat er een grootscheepse aanval op stapel stond, in de herfst van 1991. Toen het Joegoslavische Volksleger, gedomineerd door de Serviërs, de stad onder vuur nam.

Alhoewel, zou iemand Sint Blasius hebben geloofd?

Wat er in hemelsnaam mis is met deze stadsplattegrond, dat zou de dame achter de balie van het toeristenbureau nou wel graag eens willen weten.

Wel, dat er maar drie straten op staan misschien?

Geïrriteerd trekt ze een la open. Het is stoffig en heet in het kantoortje. Ze heeft geen andere plattegrond, en bovendien: 'Er staat alles op wat u nodig heeft.' Ze zet een kribbig kruisje: u bevindt zich hier.

Midden in het oude centrum van Dubrovnik, omsloten door zes meter dikke stadsmuren. Placa heet de straat, het is de hoofdstraat, een verblindend witte oost-west as, die de stad in twee delen snijdt.

Of juister eigenlijk: verbindt. Want waar nu de straat is, liep ooit een smalle strook zee. Aan de zeezijde, op de rotsen, hadden de Romeinen Ragusa gesticht, later, aan het eind van de zesde eeuw, vestigden Slaven zich aan de bergkant. In de elfde eeuw assimileerden de volkeren. De zeestrook die hen scheidde, werd gedempt en geplaveid en men begon aan de bouw van de vestingmuren. Ragusa werd Dubrovnik, stad in het eikenwoud.

Eiken branden slecht en dat was gelukkig voor Dubrovnik, dat zich mettertijd tot ver buiten de muren heeft uitgebreid. De Serviërs gebruikten veel fosforgranaten bij hun aanvallen. Er kwam een aantal neer op de Placa, maar dat is bijna niet meer te zien.

'En u had niet gereserveerd?', vraagt de receptioniste fronsend. Voor haar ligt een dik boek, ze slaat aan het bladeren. Een kwartiertje later veroordeelt ze de onverwachte gast ernstig tot kamer 602, westzijde.

De andere gast bewoont kamer 603. Hij komt uit Nieuw-Zeeland. Dubrovnik stond eigenlijk niet op zijn programma, maar de stad bleek een handig tussenstation voor een bezoek aan verre familie in Bosnisch-Kroatië.

De volgende morgen is hij al vroeg weg. De openrollende deuren van de lift veroorzaken een akelige hoop herrie in de lege ontbijtzaal. Uit de duisternis maken zich drie serveersters los, die onwennig wat gaan ronddrentelen langs de negentig gedekte tafels.

Langs het restaurant strekt zich een groot terras uit, met oranje plastic stoelen. Een verdieping lager ligt net zo'n terras, te bereiken vanuit de bar. Het laagste niveau vormt een privé-'strand', een betonnen vlakte met een trappetje naar zee.

Hotel Excelsior, A-categorie. Het overdekte zwembad is leeg, op de bodem ligt de tafeltennistafel, daarbovenop strandstoelen en parasols. De sauna, de massagekamer, de kapsalon, de bibliotheek, de talloze gezellige winkeltjes waarvan de folder melding maakt: dicht. Van de 360 bedden wordt er nu één beslapen. Maar een aanplakbiljet naast de lift getuigt van het feit dat de grote congreszaal recentelijk nog is gebruikt. Voor een symposium over de groeiende problematiek van het toerisme aan de Kroatische Adriatische kust.

Mirjana Darrer is de volgende in de rij die nauwelijks raad weet met een plotselinge gast. 'U had zich moeten aanmelden', snibt ze. Om vervolgens te vertellen dat Dubrovnik placht te leven voor en van zijn bezoekers.

Darrer is de public-relationsmanager van het overkoepelend bureau voor toerisme voor de Dubrovnik-Neretva regio. Vroeger hield het bureau keurig de cijfers bij, maar dat was vóór de oorlog. Sindsdien moddert Darrer wat met een schriftje. Voor het idee: in 1990 werden 5,5 miljoen overnachtingen geregistreerd. Van de bezoekers was 65 procent buitenlander. Van hen kwamen de meesten uit achtereenvolgens Groot-Brittannië, Italië, Duitsland, Oostenrijk en Tsjechië.

Dubrovnik had 35 hotels met in totaal zestigduizend bedden. Daarnaast werden appartementen en kamers verhuurd, goed voor nog eens twintigduizend slaapplaatsen. In de piekmaanden kwamen er evenzoveel mensen bij als Dubrovnik aan inwoners telt: zeventigduizend.

Vanaf 1991 is de administratie een puinhoop. In oktober van dat jaar begonnen de beschietingen op de stad, maar daarvoor al hadden de toeristen zo hun bedenkingen over vakantiebestemming Joegoslavië.

Toch waren de vooruitzichten voor dit seizoen niet slecht; vorig jaar bleef het redelijk rustig in Kroatië. Totdat het Kroatische leger in mei dit jaar West-Slavonië heroverde op de Serviërs en die laatsten wraak namen met twee bombardementen op de hoofdstad Zagreb. Duizenden boekingen werden geannuleerd, en dat was nog voor de gevechten van afgelopen maand. Daarmee werd alle hoop op betere tijden definitief de grond ingeboord.

Darrers humeur wordt er gaandeweg het geprek niet beter op. Vreselijk dat niemand meer naar haar stad durft te komen. De prijzen van de hotels die open zijn - vijftien dit seizoen - zijn met zeker 20 procent gereduceerd.

Het ergste is, zegt ze even later, dat alle goed geschoolde krachten in de toeristenbranche de regio verlaten. Als de oorlog ooit voorbij zal zijn, zitten ze aan de Adriatische kust behoorlijk in de problemen.

Ze zegt het niet hardop, maar verwijst hiermee naar onder anderen haar ex-collega Mario Marusic. Een paar weken tevoren heeft hij zijn baan bij het toeristenbureau opgegeven voor een contract met Phoenix-vakanties in Rotterdam.

Op dat moment zit Marusic in een kantoortje van reisbureau GeneralTurist, waarmee Phoenix zaken doet.Met Phoenix wil hij zich gaan toeleggen op vakanties in Slovenië en Istrië. Hij haalt de folder te voorschijn. Dubrovnik staat ergens achterin. Marusic haalt zijn schouders op. Het zal nog wel even duren voor het hier weer wat wordt. Volgens zijn gegevens werden in 1994 284 duizend overnachtingen in Dubrovnik geregistreerd, het merendeel van de bezoekers waren Kroaten. Toch kwamen er ook weer Tsjechen, Oostenrijkers en Slovenen. Die kunnen het gebied eenvoudig met eigen vervoer bereiken en hebben enig inzicht in de politieke en militaire situatie. Die vinden het niet eng.

Tsjistji is al wat ouder en heeft een grote neus. Die omschrijving moet volgens haar ruim voldoende zijn om haar te kunnen herkennen op het plein voor de St Blasiuskerk. Ruim 37 jaar lang gidste ze toeristen door Dubrovnik, nu werkt ze bij de Kamer van Koophandel.

Voorovergebogen loopt ze door de Ulica od Puca, de straat van de bron. In het plaveisel zijn nog putdeksels te ontwaren. Tot voor twee eeuwen betrok Dubrovnik zo zijn water, via een elf kilometer lang buizennet, uit enkele bergbronnen. Als de stad belegerd zou worden, zouden de inwoners in ieder geval niet verdorsten. Uiteindelijk werden de waterwerken uit de vijftiende eeuw vervangen door een moderner systeem. En dat konden de Serviërs makkelijk afsluiten.

De belegering duurde vijftien maanden, zeggen de Dubrovnikers; ze rekenen dan vanaf de eerste beschietingen begin oktober 1991 tot de terugtrekking van de Serviërs in februari 1993. De zwaarste aanval had plaats op 6 december 1991.

Niemand kon het geloven. De oude stad stond als cultuurmonument onder Unesco-bescherming. De enige schade die Dubrovnik in zijn eeuwenoude bestaan ooit had opgelopen, was aan aardbevingen toe te schrijven.

Bovendien was alleen al het idee van een bezetting moeilijk te verteren voor de inwoners, trots als zij zijn op het eigenzinnige, onafhankelijke en vooruitstrevende imago dat de stad altijd heeft gehad. Nu nog moeten ze weinig hebben van de regering in Zagreb. Het verleden onder Tito willen velen zo snel mogelijk vergeten, getuige ook de wat klungelig afgeplakte passage die in het verouderde stadsgidsje van die periode verhaalt. Eigenlijk zou het beste zijn als Dubrovnik gewoon weer stadstaat werd, zoals het dat was voor Napoleon er binnenviel.

Van die laatste gebeurtenis hebben ze achteraf bezien nog voordeel gehad: de twee Napoleontische forten bij Dubrovnik hebben de Kroatische verdedigers nog enige bescherming geboden tegen de agressor.

Op de top van de berg Srdj, vlakbij een van de forten, stond een groot wit kruis. Dat kruis is weg, vernietigd. Maar in de oude stad is de schade relatief beperkt gebleven.

De grote fontein aan het westelijke uiteinde van de Placa is geraakt, evenals het portaal van de St Blasiuskerk aan de oostkant van de hoofdstraat. Het dak van de grote kathedraal achter de St Blasius is in brand geschoten, maar veel verder dan het dak heeft het vuur zich niet uitgebreid. Enkele ornamenten van de laat-gothische kruisgang van het franciscaner klooster zijn beschadigd, maar de apotheek, een van de oudste van Europa, is bewaard gebleven.

Bij de stadspoorten zijn plaquettes aangebracht waarop is aangegeven waar de stad is getroffen. Ongeveer 85 procent van de daken werd vernietigd. Opmerkelijk genoeg zijn maar negen huizen volstrekt uitgebrand, voor het overige bleef het bij de bovenste verdiepingen. Van de verwoeste negen panden staan de voorgevels nog overeind, zij moeten wachten op hun renovatie.

Aan de andere gebouwen is nauwelijks meer iets af te zien. Meteen na de aftocht van de Serviërs kreeg Dubrovnik financiële en ook praktische steun uit het buitenland voor de herstelwerkzaamheden. Bij gebrek aan expertise onder de plaatselijke bevolking kwamen Franse en Italiaanse deskundigen de monumenten restaureren; de voor de stad zo karakteristieke bleek-oranje dakpannen werden uit Frankrijk aangevoerd.

De Servisch-orthodoxe kerk is wat gepokt, maar zij staat nog. De Dubrovnikers zouden het niet in hun hoofd halen om zoals het in andere delen van voormalig Joegoslavië niet zelden is gebeurd, een heiligdom van de vijand te vernietigen. De boodschap is duidelijk: hier leven werkelijk beschaafde mensen. Maar geen Serviërs meer.

Dzemila Bukovica heeft een appartement buiten het centrum. Tijdens de belegering zocht zij met zo'n 25 duizend lotgenoten beschutting achter de dikke vestingmuren. Al eeuwenlang telt het oude centrum een vast aantal inwoners, namelijk vijfduizend. Samen met de vluchtelingen hebben ze zo snel als ze konden de kunstschatten uit de musea en de kerken in veiligheid gebracht, in kelders, kerkers en spelonken. Daar staan ze nu nog steeds opgeslagen. Je weet maar nooit wat er nog gebeurt.

Dzemila Bukovica heeft psychiatrische hulp gezocht; onder de driehonderd doden die in de regio Dubrovnik gevallen zijn, waren enkele goede vrienden en kennissen. Haar carrière lijkt ten einde, want evenals zovele andere stadgenoten, werkte ze in de toeristenbranche.

Hetzelfde geldt voor Maro. Mopperend rijdt hij in zijn witte Renault 4 door de omgeving van Dubrovnik. Kwaad op de Serviërs, dat spreekt, kwaad op Zagreb vanwege de hoge belastingen, kwaad op zichzelf omdat hij nog steeds Joegoslavië zegt als hij Kroatië bedoelt en in dinars rekent terwijl de nationale munteenheid de kuna is.

Maro neemt de oostelijke kustweg de stad uit, richting de baai van Zupa. De bergen langs de route zijn kaal, heel kaal, op een eigenwijze eik na. Platgebrand door de vijand die een beter uitzicht wilde. Aan de voet staan zwartgeblakerde huizenrestanten. Op een rotspunt boven zee ligt het verwoeste hotel Belvedère, waar ooit de Kroatische soldaten kwartier hielden.

De streek heeft het zwaar te verduren gehad. Veel mensen zijn gevlucht; nog steeds wonen zo'n zevenduizend vluchtelingen in halfverwoeste hotels rond Dubrovnik. Geld voor wederopbouw ontbreekt; de kosten van de strijd tegen de Krajina-Serviërs zijn hoog, subsidie kan nog lang op zich laten wachten.

Srebreno en Mlini, aan de baai van Zupa, waren populaire bestemmingen. Wat nu vooral opvalt, is de stilte. Een vervreemdend idee, dat de vakantiegangers, die zich ooit met duizenden tegelijk naar dit idyllische oord begaven, ieder afzonderlijk op zoek moeten zijn geweest naar deze rust.

Tegenover het oude centrum van Cavtat, een paar kilometer verderop, steken de zwaar gehavende verdiepingen van hotel Kroatia boven de boomkruinen uit. De herstelwerkzaamheden zijn hier in volle gang. De wedstrijd om het beste ontwerp voor de verbouwing is gewonnen door een Serviër. 'Mafia', zegt Maro. Een van de opzichters kijkt op. In de kale hotellobby onstaat een geladen sfeer.

Mafia, zegt hij weer, wanneer hij langs de pastorie in Cilipi loopt. Het is het enige gebouw in het stadje dat is gerestaureerd. Van de 240 panden in de stadskern zijn er tweehonderd verwoest. Het is er doodstil.

Cilipi was de belangrijkste plaats in het Konavle-dal, dat wordt doorsneden door de landingsbaan van luchthaven Dubrovnik. Eind 1992 werd het complex heropend, maar het is slechts ten dele gerepareerd. De verkeerstoren heeft nog steeds geen ruiten.

De Dubrovnikers zijn haast gewend geraakt aan de beschietingen die de Serviërs met enige regelmaat vanuit Bosnië uitvoeren. Passagiers en personeel doen gewoon hun uiterste best hun verblijf op de luchthaven zo kort mogelijk te houden.

Maro schiet het terrein van de jachthaven op. Daar ligt zijn bootje dat hij aan het eind van de oorlog van de zeebodem heeft gevist. Het is maar goed dat het zo snel is gezonken, zegt hij, anders was het nog veel erger beschadigd. Ooit voer hij toeristen naar de eilanden. Maar nu er toch niemand is om over te zetten, is er ook geen haast bij de opknapbeurt. Maro's zoon heeft zich op het dek uitgestrekt.

Ruim vijfhonderd vaartuigen zijn destijds naar de kelder gegaan. De aanvallen kwamen in oktober 1991 en veranderden de luxe jachthaven in één grote vuurzee, vertellen de werklieden op de kade. Er liggen vijftien groen uitgeslagen boten met gehavende rompen en geknakte masten.

De commerciële haven in Gruz, ten westen van Dubrovnik, was eenzelfde triestig lot beschoren. De loodsen, opslagruimten en winkels langs de kade zijn niet herbouwd, zodat een brede strook niemandsland de doorgangsweg van de zee scheidt. Ten zuiden van Gruz schreeuwen de verlaten hotelkolossen van het schiereiland Lapad om aandacht.

Een oom van Maro is monnik. Hij verbouwt wijn in het franciscaner klooster op een heuveltop bij Orebic, dat een adembenemend uitzicht biedt op Korcula. De oorlog ging voorbij aan de middeleeuwse stad op het gelijknamige eiland. Toen zijn de bewoners ingeslapen.

Ooit ging er vanuit Dubrovnik een draagvleugelboot naar toe, veertig minuten duurde de tocht. Nu varen er nog twee stoomboten per dag. In een huisje tegenover de St Marcus-kathedraal getuigen opgravingen van Korcula's rijke historie. De toegang tot het museum is gratis, besluiten de twee dames aan de deur. In de verte wordt de stoomboot ongeduldig.

De weg terug naar Dubrovnik voert over land, langs zwaar gehavende plaatsen als Ston en Slano, de door brand getroffen botanische tuin van Trsteno. In een hotel dat voor de oorlog met name aan Duitse nudisten onderdak verleende, wonen nu vierhonderd vluchtelingen.

De lucht in de Renault 4 wordt zwaarder. De stop op de jerrycan met wijn, een presentje van de franciscaner oom, is losgeschoten. Er komt een bodempje rode vloeistof in de auto te staan. De dampen stijgen Maro naar het hoofd en hij begint weer eens flink te mopperen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden