Reportage Uitstervend ambacht

Ook de laatste weervissers van Nederland zullen spoedig afscheid moeten nemen van de zee

Een vrijwilliger van Stichting Behoud Weervisserij. Foto Simon Lenskens

Nog één Nederlandse familie vangt in de Oosterschelde volgens de oeroude techniek van het weervissen ansjovis, de delicatesse van Bergen op Zoom. Maar hoelang nog? De import uit de Middellandse Zee rukt op.

Aan de oever van de Oosterschelde zitten de mensen in de blakende zon. Geoliede buiken, schuine parasolletjes, strandstoeltjes op het gras. Het water schittert en weerkaatst bijna spiegelglad de lucht. Het is een luie dag. Maar even verderop, in de kleine haven aan de Bergsediepsluis, is beweging. Met een stapel gekleurde plastic kratten loopt Corné van Dort (54) uit Bergen op Zoom de bootsteiger af, naar ligplaats nummer 25. Daar ligt een zilverkleurige boot met een platte buik. ‘Een vissersvletje’, zegt Van Dort. ‘Speciaal om het laagwater mee in te gaan.’

Foto de Volkskrant

In het begin van de vorige eeuw had nog een tiental families hun visserijen in de Oosterschelde. Nu zijn de Van Dorts de laatste weervissers van Nederland en misschien zelfs de laatste ansjovisweervissers van de wereld. De Oesterdam bemoeilijkt de trek van de ansjovis naar de Oosterschelde en de import uit het Middellandse Zeegebied neemt toe. De eeuwenoude methode van het weervissen kan niet opboksen tegen modernere technieken die daar en elders toegepast worden. Vader Van Dort is al 85 en gaat alleen nog met goed weer het water op. En ook Van Dort en diens schoonbroer, Henk van Schilt (55), met wie hij de visserijen beheert, zullen de zee over een aantal jaar gedag zeggen.

Vooralsnog werken ze het hele jaar rond om hun, vooral Bergse, klanten te voorzien. In de winter kappen de mannen hout in het Brabantse landschap voor de weren (houten bouwwerken die de vis in een fuik leiden), die ze in de lente in het water opzetten. In het visseizoen, dat eind april begint en tien weken duurt, varen ze tweemaal daags met hoogwater uit. ‘Soms komen we met lege handen terug’, zegt Van Dort. ‘Soms slepen we duizend kilo op een dag binnen. De ansjovis is onvoorspelbaar. Maar wat moeten wij anders? Dit is alles wat wij kennen.’

Weervissers Corné en Henk uit Bergen op Zoom vissen op Ansjovis in de Oosterschelde. Foto Simon Lenskens

Da Ansjovisweren

Zodra we het havenhoofd passeren, zien we, omringd door hittemist, de ansjovisweren opdoemen in de verte. Drie langwerpige bouwstructuren van smalle boomstammen die zachtjes heen en weer deinen in het water. Als een ondergelopen jong bos zonder kruinen. De aanblik doet nog het meest denken aan een traditionele visserij, zoals deze in Zuidoost-Azië (waar ze ansjovis overigens gebruiken voor het maken van visolie) er vaak nog uitzien.

De weer bestaat uit een fuik en twee armen, ofwel vleuken. Opgebouwd uit wel vijfduizend boomstammen van 4 à 5 meter hoog. Hoewel deze in principe meerdere jaren meekunnen, vragen herfst- en winterstormen elk jaar om onderhoudswerk. Vijf vrachtwagens vol hout hebben de mannen dit jaar eigenhandig gekapt, het bos uitgesleept en de zeebodem ingestoken. Dat laatste gebeurt met behulp van een zandpomp (naast de dieselmotor en de kettingzaag het enige moderne hulpstuk dat ze gebruiken). Maar enkele decennia geleden gebruikten ze nog een stalen pin.

De armen kunnen tot wel een kilometer het water in reiken. De opening ligt op de laagste plaats – meestal een zandbank – en de fuik in het diepste water. Met hoogwater zoekt de ansjovis het ondiepe, warmere water tussen de vleuken op. Met eb zwemt hij terug richting het diepe; in de geopende armen van het noodlot. Hoewel het weerhout ver genoeg uit elkaar staat voor de ansjovis om erdoorheen te kunnen zwemmen, schrikt de beweging van het hout de vis af en weert dit hem ervan om nog aan zijn val te ontsnappen. De stroming en het ontwerp van de fuik zorgen er uiteindelijk voor dat de vis, eenmaal in de fuik aangekomen, niet meer terug kan.

Corné van Dort en Henk van Schilt bij de (vandaag teleurstellende) vangst. Foto Simon Lenskens

Voor elk van de drie weren dobbert een boot. Bij de middelste is Van Dorts schoonbroer Henk van Schilt ons, zittend in de schaduw van de kajuit, op aan het wachten. Het is rond een uur ’s middags wanneer we bij hem aankomen en het zal nog zeker een uur duren voor het water laag genoeg is om de vis uit de fuik te halen. Toch ligt Van Schilt hier al sinds half tien vanmorgen voor anker. Dikke lagen zeewier glimmen aan de weer. Verderop vaart een oude driemaster en daarachter zwaait een groep windmolens hun wieken sloom door de lucht.

Op een van de palen zit een visdiefje. Luid krijsend verkondigt ze haar baltsroep. ‘Die wacht tot het mannetje haar iets te eten brengt’, legt Van Schilt uit terwijl hij zich ophijst aan de bootreling. ‘Maar die visdiefkes zijn niet ons grootste euvel. Dat is de aalscholver. Als wij er niet van ’s morgens vroeg bij zitten, eet die onze hele fuik leeg.’

Portret van Henk van Schilt. Foto Simon Lenskens

Een gewilde delicatesse

Ansjovis – vers gebakken, gezouten, zo uit het vuistje, op een witte bol of naast de friet – is een delicatesse in Bergen op Zoom. ‘Een van de 3 AAA’s’, merkt Van Dort op. ‘Ansjovis, Asperge, Aardbei. Daar komen de mensen voor naar Bergen.’ Alle Bergse restaurants kopen bij hem in. Soms zijn ze door de grote vraag genoodzaakt om geïmporteerde ansjovis in te kopen die uit het Middellandse Zeegebied komt en ook in de meeste supermarkten ligt. Van Dort: ‘Maar daar zijn ze huiverig voor. Die vis heeft al meer dan een dag gelegen. Onze vis is vers. Dat is ons geluk.’

Tot tien jaar geleden hadden de vissers nog geen last van de aalscholvers en voeren ze gewoon uit wanneer het tijd was om de fuiken leeg te halen. Als er al ongewenste mee-eters waren, werden die gewoon afgeschoten. Maar sinds de Oosterschelde een beschermd natuurgebied is en er niet meer op vogels gejaagd mag worden, is het aantal aalscholvers explosief gestegen. De vissers komen om vijf uur ’s morgens vaak pas thuis van de eerste tocht. Om half tien moeten ze het water weer op. Van Schilt: ‘Het merendeel van onze werkdag bestaat nu uit vogelverschrikker spelen. Met het zonneke erbij is het fijn in de tuinstoel aan boord te zitten. Windkracht zes of zeven is een ander verhaal.’

Corné van Dort en Henk van Schilt bij de (vandaag teleurstellende) vangst. Foto Simon Lenskens

Even later overstemt het geluid van de motor zijn woorden. Het water is nu iets meer dan een meter hoog. Met de grote boot varen we weg van de fuik om met het vissersvletje terug te keren. De mannen en twee vrijwilligers van Stichting Behoud Weervisserij hijsen zich in rubberen broeken die tot aan hun zongebruinde borst reiken en laten zich het water in zakken. Stilzwijgend voeren zij hun dagelijks ritueel uit. Een kleine fuik wordt aan de opening van de weer vastgezet. Met een groot net wordt de vangst erin gesleept. Glinstering van kleine visjes. Het spartelen van een paar gepen die in het net verstrikt raken.

Van Schilt gooit de fuik leeg op het dek, dat op goede dagen bedekt wordt met een decimeters hoog krioelend tapijt van ansjovis. Sprot, grote glibberige kwallen, kleine kwallen als glazen knikkertjes, krabben en een paar gepen. Geen enkele ansjovis. De vrouw van Van Schilt, die net als alle Van Dort-vrouwen voor haar de viswinkel bestiert, zal de klanten vandaag moeten teleurstellen. ‘Soms staan ze al voor zonsopgang op de stoep’, zegt Van Schilt. Hij werpt alle zeedieren, behalve de drie gepen, weer overboord en haalt zijn schouders op: ‘Misschien morgen weer.’

Ouder dan de weg naar Rome

Al meer dan honderd jaar vist de familie Van Dort op ansjovis. Ze zijn weervissers: een ambachtelijke manier van vissen die ouder is dan de weg naar Rome. De oudste archeologische vondsten die duiden op het gebruik van deze techniek dateren uit het mesolithicum (tussen ca. 10.500 v.Chr. en ca. 11.000 v.Chr.). In de buurt van Bergen op Zoom wordt er sinds de 16de eeuw op ansjovis gevist, nadat de St. Felixvloed van 5 november 1530 grote delen van het landschap onder de golven had bedolven. De handel in het West-Brabantse plaatsje had eronder te lijden, maar het ‘verdronken land van het markizaat Bergen op Zoom’ werd een ideale paaiplaats voor de kleine ansjovis. Doordat het visje bestand is tegen grote zoutverschillen, strekt zijn leefgebied zich uit van de Indische Oceaan, de Zwarte Zee en de Middellandse Zee tot aan de Nederlandse kustwateren.

Meer over

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.