Ook bij antifascisten is de mens verdwenen

Correspondent Peter Giesen schrikt van Franse lust voor geweld

De beelden gingen de wereld rond. Een politieauto wordt in brand gestoken. Een agent stapt uit en wordt belaagd door een man met een ijzeren staaf. Behendig en met ongelooflijke bravoure ontwijkt de agent de slagen van de linkse activist. De Kung Fu Cop, werd hij genoemd. Ik zag destijds, in mei 2016, de uitgebrande Renault staan. Activisten hadden er een kartonnen bordje voor gezet: Poulets rôtis, gebraden kippen. 'Poulet' is een scheldwoord voor politieman.

In mei 2016 staken actievoerders in Parijs deze politieauto in brand. Toen de agent die erin zat uitstapte werd hij belaagd met een ijzeren staaf. Foto AFP

Die lust tot geweld schokte me. Zo niet de socioloog en filosoof Geoffroy de Lagasnerie die het in de linkse krant Libération opnam voor de verdachten, die afgelopen week moesten voorkomen. De aanval moet in zijn context worden gezien, betoogde hij. De activisten drukten slechts hun 'ongerustheid en collectieve woede uit' tegenover een autoritaire regering. Justitie was niet onder de indruk en eiste celstraffen tot acht jaar.

Het heeft me altijd verbaasd, de tolerantie van veel Fransen ten opzichte van politiek geweld. In oktober 2015 werd twee Air France-directeuren het hemd van het lijf gerukt door vakbondsleden die boos waren over de bezuinigingen bij het bedrijf. 'Ik kan het best begrijpen', zei een keurige vriendin, accountant van beroep. 'Je baan verliezen, dat is pas echt erg!'

Land van de Revolutie

Er verscheen een enorme grijns op het gezicht van een linkse vriend, toen ik het incident ter sprake bracht. 'Dat was heel goed! Die directeuren moeten een keer beseffen dat ze over echte mensen beslissen, niet over cijfers in hun computer', zei deze zachtaardige, goedlachse jongen.

Frankrijk is nog altijd het land van de Revolutie. Voor protest bestaat een heilig respect. Dat daar wat geweld bij wordt gebruikt, ach ja, dat hoort er bij, zolang er maar geen doden vallen. Zelf was ik ook enigszins gevoelig voor die revolutionaire romantiek, toen ik vier jaar geleden naar Parijs ging. Maar al mijn eerste verhaal was een ontnuchterende ervaring.

De jonge antifascist Clément was op straat doodgeslagen door een skinhead. Ik toog naar een eerbetoon met een tamelijk schematisch beeld in mijn hoofd: jonge linkse idealist gedood door gemene neonazi. Maar toen verschenen de antifascistische 'vrienden van Clément' ten tonele. In het zwart gekleed, velen gemaskerd, brullend, intimiderend, ontoegankelijk, met het fanatisme van mensen die de waarheid in pacht menen te hebben. Het was alsof de SA de bierkelder binnenmarcheerde.

Kick van het geweld

Nadien zag ik deze 'antifascisten' regelmatig aan het werk bij demonstraties. Ze beschuldigen de politie steevast van excessief geweld. Dat zal soms best kloppen, er zijn getuigenissen genoeg van. Maar ik zag iets anders. Jongens - soms meisjes - met motorhelmen en gasmaskers die de politie net zo lang provoceren tot ook de vreedzaamste demonstratie uit de hand loopt. Politieke hooligans die de kick van het geweld overgieten met idealistisch sausje.

Mijn linkse vriend heeft gelijk. Het kapitalisme kan mensen behandelen als cijfers in een spreadsheet, hoewel een directeur soms hard moet ingrijpen om te voorkomen dat straks álle werknemers werkloos zijn. Maar ook bij de antifascisten en hun intellectuele verdedigers is de mens verdwenen. Er is niets rechtvaardigs of romantisch aan een politieman wiens auto in brand wordt gestoken, die geslagen wordt en, zoals hij getuigde, bang is dat hij ter plekke zal sterven.

Peter Giesen is Volkskrant-correspondent in Frankrijk

Meer over