Ook artistiek verzet kan hardnekkig zijn

Kunst volgens Pontzen

Wekelijks nemen de cultuurspecialisten van de Volkskrant stelling in de wereld van film, muziek, theater of beeldende kunst. Deze week: Kunst volgens Pontzen.

Een rij wachtenden bij de Fundació Antoni Tàpies, februari 2012. Foto jesus G. Pastor / Demotix

Het was een onverwachte gebeurtenis. Voorjaar 2012 verbleef ik enkele weken in Barcelona. Het was de laatste wintermaand. Je moest nog een stevige jas dragen, terwijl je rook dat het voorjaar nakende was. Hier en daar botte al iets uit.

Op een dag wandelde ik over de Carrer d'Aragó, aan de overzijde van de Fundació Antoni Tàpies. Het was vroeg in de ochtend, geen uur dat er veel mensen op straat zijn, laat staan voor het instituut dat is vernoemd naar de Catalaanse aarde-, gips- en jutekunstenaar Antoni Tàpies.

Uitgezonderd die dag.

Er stond een lange rij wachtenden voor het gebouw. Tv-technici parkeerden hun satellietwagens op het trottoir. Filmploegen drongen zich een weg naar binnen. Op de deur hing een eenvoudig A4'tje met de mededeling dat Tàpies die nacht op 88-jarige leeftijd was overleden. Het verklaarde veel. Alles. In elk geval meer dan iemand uit Nederland kan vermoeden. Of zelfs iemand uit Spanje. De verslagenheid leek vooral voor Catalanen te bestaan.

Binnen heerste een ongekende drukte. In allerijl waren schilderijen van de kunstenaar aan de muur gehangen. Monitoren lieten interviews met hem zien. In vitrines lagen tekeningen en teksten uit het archief. Aan een grote tafel discussieerden kunstkenners en politici met elkaar over het belang van Tàpies, onder het oog van talloze camera's. Alles werd live uitgezonden.

Even moest ik denken aan hoe stil het op straat was toen Karel Appel stierf. Dat er bij zijn dood geen uitzending werd onderbroken. Nergens op een stoep een menigte stond te trappelen. Wat misschien toch vreemd was: Appel was van een vergelijkbare grootheid als Tàpies, meende ik in mijn naïviteit.

Dom.

Tàpies was niet zomaar een kunstenaar van Catalaanse origine. Er stroomde rood-geelgestreept bloed door zijn aderen. Met de lijnen en voegen die Tàpies door aarde, gips en jute trok, markeerde hij een stuk land. Zijn land. Hun land. Catalaans land. Land dat ooit verdedigd moest worden, toen Franco nog aan het bewind was. De generalissimo die vanuit Madrid alle macht naar zich toe had getrokken. Hoofdstedelijke macht die geen ruimte liet voor regionale sentimenten. Laat staan voor regionale autonomie.

Of voor regionale kunst.

Maar Tàpies was niet zomaar een kunstenaar. Hij was een verzetskunstenaar, in tijden van oorlog. Hij streed met zijn schilderijen tegen het Franco-regime. Wat verklaarde dat hij in zijn schilderijen rode en gele strepen naast elkaar verfde. Niet omdat het zo'n mooie kleurencombinatie was. Het was een noodzakelijke kleurencombinatie, die van de Catalaanse vlag!

Hij bood de Catalanen beelden en kleuren die niet openlijk gebruikt mochten worden, maar in de kunst oogluikend werden toegestaan, of niet werden toegestaan. Wat niet uitmaakte, omdat ze in Madrid toch niets om kunst gaven. Wel in Barcelona.

Het was een enerverende ochtend in het voorjaar van 2012, die nu weer actueel is. Je kon op die dag zien hoe diep dat Grote Verzet van die Catalanen was. Ondergronds en artistiek, maar niet minder hardnekkig. Wat anno 2017 blijkt.

Meer over