Oogsttijd begint voor de school van Raas

'Een ceremonie' noemt Jan Raas, manager van de Rabo-ploeg, de samenkomst van het wielerpeloton vandaag in Gent. De Omloop Het Volk geldt als de start van het wielerseizoen....

DE MEEDOGENLOZE wielrenner van weleer, hij die altijd wilde winnen ten koste van wat dan ook, is vandaag de dag een in minzaamheid geoefende manager. Veelvuldig vergaderen met leden van het kader van de bank, sponsor van de wielerploeg, heeft er mede toe geleid dat 'ik niet meer zo snel boos word'.

Vanzelfsprekend dragen ook de jaren bij tot meer bedachtzaamheid, weet Jan Raas. 'Bijna 49 alweer', klinkt het haast verontschuldigend.

Er zijn, vindt de man van de leeftijd, belangrijker zaken in het leven dan je op te winden over een wielrenner die niet naar behoren presteert. Als Raas dat even dreigt te vergeten is er altijd nog zijn golden retriever die hem eraan herinnert.

'Deze hond vindt iedereen lief', karakteriseert hij zijn 'kantoorgenoot'. De hond is graag en veel in de tot werkruimte omgebouwde garage van de baas. Jaren geleden werden Raas en zijn echtgenote thuis overvallen en bedreigd. De hond, althans deze, was er toen nog niet. Zo'n ervaring hakt er in en maakt tegelijkertijd laconiek, kijkt Raas terug.

Is de baas op de hond gaan lijken en een goedsul geworden? Of speelt de baas de goedsul?

Wie hem vroeger, in de dagen dat hij nog fietste, tergde wist zeker dat hij dat terugbetaald kreeg. Jan Raas vergat niets, zon immer op wraak. Dat is geweest, verzekert hij. Nu heeft de relativering de overhand. Zo sterk zelfs dat de vroegere alles-winnaar Raas begrip heeft en compassie voelt voor verliezers.

'Veel moeilijker, om tegenwoordig te winnen. In mijn tijd had je drie, vier allesbepalende ploegen en ik zat gelukkig bij een van die ploegen. Je had greep op de koers, je kon controleren, regelen.'

Zestien jaar na zijn vertrek uit het peloton heeft Raas, manager van de Rabobank-ploeg, heel wat anders te regelen. Hier in zijn kantoor/garage in het Zeeuwse 's-Heerenhoek staat de computer altijd aan, rinkelen de telefoons, ligt het bureau immer bezaaid met post en spuwt de fax steeds maar weer papieren uit.

'Normaal gesproken, dan', verzekert Raas tijdens een zoveelste stilte. Hij licht maar weer eens toe dat hij de drukte van de koers 'absoluut' niet mist. Eigenlijk wel lekker, die stilte, stelt hij tevreden vast.

Zo in deze stilte hoort Raas nu al, een ruime week voor dato, het rumoer van het Gentse Sint-Pietersplein, startplaats van de Belgische seizoensopener Omloop Het Volk. De eerste serieuze samenkomst van het profpeloton in 'het mooiste wielergebied' beschouwt hij als een ceremonie. Imiteert het opgewonden geroezemoes van het Vlaamse wielerpubliek: 'Mooie mennekes, mooie sfeer.'

Omloop Het Volk is 'net of je dieren die de hele winter op stal hebben gestaan eindelijk de wei in laat. Die gaan ook dartelen, trappelen, zijn speels.' Grijpt terug naar zijn eigen wielercarrière: 'Voor Het Volk hadden we toch al een paar weekjes gekoerst. Net als nu. Maar dan kwam deze koers en dan begon het pas echt.'

Vlaanderen lonkt, wrijft Raas zich in de handen. Hij zal er staan, op de kasseien van het Sint-Pietersplein. 'Ik ben toch al een halve Vlaming. Mijn voorvaderen komen er vandaan, het zal wel in de genen zitten, want ik voel me Vlaming. Ik woon niet voor niks in het meest Vlaamse dorpje in de omgeving.'

's-Heerenhoek, bezuiden Goes, is een katholieke enclave in het Zeeuwse land. 'Op zondag wordt hier gevoetbald. We hebben kermis op zondag, wielerkoers. Zie je hier in de directe omgeving nergens. Dit dorp heeft zeventienhonderd inwoners maar met de carnavalsoptocht zijn er hier dertigduizend mensen!'

Het opgewekte gemoed is mede te verklaren door het feit dat het in het verse wielerseizoen vooralsnog uitstekend gaat met zijn Rabo-ploeg. Eindelijk eens een jaar waarin de ploeg in dit vroege stadium eens niet door ernstige blessures is geteisterd. Daarenboven: de jonge Australiër Mathew Hayman won de Ronde van Mallorca, Erik Dekker de Ruta del Sol, en kopman Michael Boogerd heeft - getuige een aantal zeges - ook al goed overwinterd.

Vijf jaar is Jan Raas nu de manager van Nederlands sterkste wielerformatie. Broodheer Rabo had aanvankelijk de idee maximaal vijf jaar in de wielersport actief te zijn maar Raas weet zich inmiddels verzekerd van nog drie seizoenen steun. 'Eigenlijk begint nu pas de oogsttijd van onze opleiding. Als het goed is.'

Want dát vergeten criticasters steeds maar weer, stipuleert de manager: 'Wij zijn een opleidingsinstituut. Toen wij begonnen lag het Nederlandse wielrennen bijna op zijn gat. De eerste jongens met wie Frans Maassen in onze juniorenploeg begon zijn nog maar net twintig. Hoe vaak zie je nou eigenlijk dat een jonge renner van kort in de twintig zich meteen bij de besten meldt?'

En dan nog: 'Wat snel komt, is vaak ook weer heel snel weg.' Geduld is geboden, wielrennen is de sport van de lange adem. 'Pak het klassement van de UCI erbij. Bij de eerste twintig staan zowat allemaal dertigers.'

Hijzelf is de baas over een vooral jonge ploeg. Bij het toch al geringe aanbod in Nederland ('Waar praten we nou eigenlijk over? Vier- vijfhonderd junioren, meer zijn het er niet') heeft Raas in de loop der jaren 'grote talenten' zien afhaken. Hij stelt het onbewogen vast want een natuurwet. Nog zo één: als het met het meisje of de vrouw niet goed zit wordt het niks. 'Dat liegt nooit.'

O nee, deinst Raas terug, het goede gesprek voeren met het thuisfront rekent hij niet tot zijn takenpakket. 'Dat heb ik wel eens een enkel keertje gedaan en dat is me heel slecht bekomen. Dan help je een renner, moet die later bij ons weg en dan krijg je alsnog de hele strontkar over je heen. Je merkt het onmiddellijk aan de prestaties als het thuis niet goed zit maar ik bemoei me er niet mee.'

Over het afhaken van beginnende renners: 'Daar doe je echt niks tegen als die jongens in de cruciale jaren eruit stappen. De auto, de discotheek, het meisje, ze staan aan veel verleidingen bloot. Om beroepsrenner te worden moet je heel wat opofferen en dan nog, de uitzonderlijke klasbakken even daargelaten, is de kans helemaal niet zo groot dat je een topper wordt.'

Schouderophalend neemt Raas kennis van de opvatting van zij die vinden dat jonge renners bij Rabo het te goed hebben, teveel in de watten worden gelegd. 'Hoezo? Dat vind ik zo'n onzin. Worden ze bij ons beter betaald of zo, hebben ze mooier materiaal? Ga eens bij de internationaal meetellende jongerenwedstrijden kijken. Onze jongens hebben het niks beter dan Spaanse of Italiaanse ploegen.'

In die landen is het reservoir aan talent nu eenmaal vele malen groter dan in Nederland, onderstreept Raas. 'Een oud verhaal maar daarom nog wel waar. Ik geloof best dat er tot op zekere hoogte verband is tussen de welvaart van een land en de absolute wil van talent om door te breken. Het zal geen toeval zijn dat er de laatste jaren veel jongens uit Oost-Europese landen doorbreken.'

Er is overigens helemaal geen reden voor sombere bespiegelingen, bezweert Raas. 'Boogerd, Van Bon of Dekker stonden er ook niet meteen in hun eerste profjaren. Als je bij ons vanuit de amateurs in de profploeg komt krijg je de eerste twee jaren krediet. Het derde jaar ook nog wel een beetje, maar daarna moet je toch wel wat laten zien. Dan praat ik niet eens over winnen. Je laten zien in koersen die jou moeten liggen, eens bij de eerste tien rijden. Nogmaals: winnen is niet zo makkelijk.'

De manager predikt geduld: 'Niet dat ik bij de bank iets bespeur van ontevredenheid. Integendeel. Maar ik heb ze ook wel duidelijk kunnen maken dat de échte oogsttijd in feite nu pas begint. Pas dit jaar en de komende jaren moeten we kunnen zien waartoe onze opleidingen leiden. En we hebben jongens die zich gaan laten zien, daarvan ben ik overtuigd. En dat we zo langzamerhand van derde- vierdejaars-professionals iets mógen verwachten kan ik niet ontkennen en dat zal ik ook niet doen.'

Zijn ploeg raakte drie gevestigde renners kwijt (Leon van Bon, de Zwitser Nikki Aebersold en de Deen Rolf Sörensen) en kreeg er een Belg (Geert Verheyen) en twee Nederlandse talenten (Thorwald Veneberg en Bobby Traksel, met negentien jaar de jongste Nederlandse beroepsrenner ooit) voor terug. Vooral het afscheid nemen van Van Bon - vorig seizoen nog etappewinnaar in de Tour - deed pijn maar Raas heeft 'begrip' voor de keuze van Van Bon.

'Hij wilde gewoon eens iets anders, had behoefte aan een nieuwe omgeving. Ik kon het wel begrijpen. Dan ben je ook snel uitgepraat. Hij wilde bij ons kopman worden, maar ik vond hem niet constant genoeg. We zijn in ieder geval in goede harmonie uit elkaar gegaan.

'Leon is in niet zo'n type dat nu overal gaat roepen dat hij bij ons geen kans heeft gehad. Ik gun hem echt het beste, het blijft een klasserenner. Aan van die zeurders heb ik een hekel. Jongens die na vier, vijf jaar bij de profs geen progressie boeken hebben altijd hetzelfde verhaal: dat ze altijd maar voor de kopmannen moeten rijden, dat ze zich nooit kunnen laten zien, geen kansen krijgen. Daar kan ik heel slecht tegen.

'Iedereen krijgt bij ons kansen en die moet je pakken. Zo'n Hayman is ook pas 22, maar die wint wel Mallorca. Die kiest voor de aanval en krijgt de beloning. Dat moet toch een stimulans zijn voor andere jonge jongens. Wij hebben sowieso een ploeg die het van aanvallen moet hebben. Wij hebben geen topsprinter.'

Noch een absolute topper voor het klassement van de grote rondes. 'Boogerd heeft nu écht voor het voorjaar gekozen en ik denk dat dat een verstandige keus is.' Eind vorig jaar is Raas even bezig geweest de Let Vainsteins (wereldkampioen, een rappe finisher en een topper in eendaagse wedstrijden) te bewegen naar zijn ploeg te komen maar na één gesprekje wist hij al genoeg.

'Te duur en dan moesten er ook nog een paar Italiaanse knechten meekomen. Ik ben er al helemaal niet voor om Italianen in de ploeg op te nemen. Die passen niet in onze cultuur, daar krijg je alleen maar gedonder mee.'

Voor de vorming van een ploeg rondom een sprinter of een potentieel winnaar van een grote ronde voelt Raas helemaal niets. 'En al zou ik het willen: het moet financieel kunnen. Ook dat is misschien een afgezaagd verhaal maar wel waar. Ons budget is vele malen kleiner dan dat van veel andere ploegen. Renners van het niveau Ullrich of Armstrong zijn voor ons nooit haalbaar.'

Voor Armstrong heeft Raas een zwak. 'Schitterende renner. Hij gaat voor de Tour de France maar 32 dagen koersen. Niet meer, niet minder. Dat is zo gepland en dus gebeurt het zo. Da's weinig hoor, 32 dagen. Hij vertrouwt helemaal op zijn trainingsschema's. Armstrong doet me denken aan Moser. Die kwam in mijn tijd eens bij Milan-San Remo aan de start zonder dat ie ook maar één koers in de benen had. Iedereen lachte hem uit, we zouden wel eens even met z'n kloten spelen, maar Moser won wél.'

Een andere renner uit het hedendaagse peloton die hem zeer kan bekoren is de Belgische Moldaviër Tchmil. 'Altijd in de aanval. Hoe die vorig jaar de Ronde van Vlaanderen won was toch geweldig? Op het wereldkampioenschap was hij eigenlijk ook de sterkste van de dag. Hoe oud is hij nou? 38? Dat gaat maar door, er zit geen sleet op.'

Tchmil is vandaag bij de start van het Belgische wielerseizoen de te kloppen man, weet Raas. Uit zijn eigen ploeg verwacht hij veel van de Belg Wauters. 'Toen we die een paar jaar geleden aantrokken wisten allerlei zogenaamde kenners het ook al weer beter. Maar die jongen is van hele grote waarde gebleken.'

En Wauters, ook al weer 32, lijkt met het klimmen der jaren steeds sterker te worden. 'Dat bedoel ik. Het heeft allemaal zijn tijd nodig. Internationaal krijgen wij veel waardering, maar in Nederland hoor ik veel te vaak dat onze jonge Nederlandse renners niet doorbreken. Ik ben helemaal niet pessimistisch en de komende jaren zullen mijn gelijk bewijzen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden