Oog in oog met de familie everzwijn

Nog geen tweehonderd kilometer liggen tussen de gekte van Rome en Napels en een ongerepte natuur waar het everzwijn, de wolf, de beer en honderden andere dier- en plantesoorten beschermd zijn....

Met een wild zwijn staat een stadsmens niet dagelijks oog in oog. Maar omgekeerd ook niet. Misschien schrok het beest daarom nog meer dan wij. Vanaf het paadje, op nog geen tien meter van ons vandaan iets hoger op de berg, zag ik haar ineens: een moederzwijn dat liefdevol haar babyzwijntjes besnuffelde. Een ander zwijn, ik neem aan haar echtgenoot, stond er wat ongeïnteresseerd bij.

Ze zal ons wel geroken hebben. Ze sprong op, haar grote bruingrijze snuit naar ons gekeerd. Strak keek ze ons aan. Na twee seconden, niet meer, besloot ze dat ze de visuele krachtmeting had verloren. Ze draaide zich om en rende bergafwaarts, de kleintjes in ganzepas achter zich aan. Haar man was haar op de vlucht al voorgegaan.

Later bekende mijn zoontje Marco van elf dat hij even vreselijk bang was geweest. Natuurlijk, hij had het liefst een echte Apennijnse wolf gezien, zij het dan van een veiliger afstand. Maar met zo'n angstaanjagend everzwijn nam hij graag genoegen. Van onze eerdere ontmoetingen wist ik dat zwijnen mensen niet zien zitten. Maar in lange tijd heb ik niet zo stokstijf gestaan als die twee tellen.

In het restaurant 'Le dolci note' (De lieflijke noten) zijn wij de enige gasten. Ik volg een boze ingeving. Ik bestel everzwijn. Nee, niet afkomstig uit de streek, zegt de eigenares-kokkin-dienster, want het everzwijn is hier een beschermde soort. Net als de wolf, de beer, de gems, het hert, de ree en alle honderden andere dier- en plantesoorten van het Parco Nazionale d'Abruzzo.

Nog geen tweehonderd kilometer scheidt de gekte van Rome en Napels van deze ongerepte natuur. Of beter gezegd, deze natuur waar met moeite de projectontwikkelaars, illegale huizenbouwers, wegenbouwlobbyïsten, milieuvervuilers, jagers, stropers en andere vernielers, onder wie de vorige minister van Milieu, zijn teruggedrongen.

Italië's oudste (1922) en grootste natuurpark beslaat 440 vierkante kilometer in de centrale regio's Abruzzen, Latium en Molise. Er ligt een beschermde zone omheen van nog eens zeshonderd vierkante kilometer. De laatste jaren is in de omgeving een serie andere parken gecreëerd. Samen vormen ze een groene long van zesduizend vierkante kilometer.

Het woongebied van de Italische volken der Samnieten en Marsi werd in de derde eeuw voor Christus veroverd door de Romeinen. Tegenwoordig komen de Romeinen en andere stadsbewoners met vredelievende bedoelingen. 'Iedere stedeling is op zoek naar het verloren paradijs', zegt Franco Tassi in zijn kantoor in Rome. 'Het idee om de natuur te redden is geboren in de steden.'

Sinds 1970 is Tassi directeur van het Nationale Abruzzen-park. Hij is vooral bekend als de man die met zijn in 1974 opgerichte Wolvengroep Italië de Apennijnse wolf heeft gered. In 1976 waren er in het hele land nog maar honderd exemplaren over. Als het aan de herders had gelegen, zegt Tassi, zou er geen wolf meer over zijn. Het zijn er nu bijna vijfhonderd, waarvan er veertig à vijftig vrij in het park rondlopen. En zo is Italië het enige Zuideuropese land geworden waar de wolf wordt beschermd.

De directeur wordt lyrisch wanneer hij het over de totemdieren van zijn park heeft: 'De wolf fascineert. De lynx is mysterieus. De beer sympathiek. De gems ongrijpbaar.' Zonder Tassi zouden wolf, beer en gems waarschijnlijk zijn uitgestorven. En dank zij hem is de lynx weer terug.

'In het begin werden alleen de Marsicaanse beer en de Abruzzen-gems beschermd', vertelt Tassi. 'Toen werd de wolf nog bestreden. Dat was om de boeren een plezier te doen, omdat hun geiten werden opgegeten. Maar in de jaren zestig zijn de doelstellingen veranderd. Sinsdien gaat het om de bescherming van het hele milieu. En het toerisme is geen prioriteit meer. Centraal staan natuurbescherming, onderwijs en onderzoek. Maar op elk van die terreinen kan het toerisme zijn plaats hebben.'

Het bergstadje Civitella Alfedena ligt midden in het park. In het middeleeuwse hoofdstraatje wijzen pijlen naar twee van de drukst bewandelde routes van de honderdvijftig die in het park zijn uitgezet. In november heb ik de route door de Val di Rose (Rozendal) genomen. Het is een soms nauwelijks begaanbaar paadje, dat zich tussen rotsen, struikgewas en beukenbossen stijl omhoog slingert.

Het eerste stuk is gemaakt voor klimgeiten. Op 1700 meter hoogte komt het pad uit op weiden en steenvelden. Na drie uur lopen biedt het uitzicht vanaf de Cavuto-bergpas de beloning voor dit gezwoeg. Van een voortzetting van de tocht naar de 2247 meter hoge top van de Monte Petroso heb ik als ongetrainde klimmer maar afgezien.

Onderweg had ik al een andere beloning gekregen: een kortstondige ontmoeting-op-afstand met een stel nerveuze gemzen. In het Rozendal ben ik meer gemzen dan mensen tegengekomen. In het hele park lopen nu tussen de vijf- en zeshonderd gemzen rond, en het worden er steeds meer. Ze hebben hun naam gegeven aan de klassieke Camosciara-route, het Gemzenpad dat loopt door een van de meest woeste en indrukwekkende stukken natuur van het park.

Met de Rozendal-klimmers die ik tegenkwam, wisselde ik informatie uit: zij hadden boven in de verte een beer gezien, ik vertelde hoe ver het nog was naar Civitella Alfedena. We groetten elkaar als samenzweerders. Sommigen van hen waren net karikaturen, met hun plusfour, hun stevige kousen en gedegen wandelschoenen, hun rugzak, wandelstok, lantaarn, verrekijker en stafkaart.

In juli en augustus is het dringen op dit pad. Het aantal wandelaars wordt dan aan een maximum gebonden. 'Maar zelfs in het hoogseizoen', zegt directeur Tassi, 'zijn er aan de west- en zuidkant van het park gebieden waar bijna niemand komt en waar het wemelt van de dieren.'

Deze maand ben ik in het Abruzzenpark terug geweest. Tijdens twee dagen wandelen zijn Marco en ik vier mensen en veertig everzwijnen tegengekomen. We nemen nu vanuit Civitella Alfedena de route door het Jannanghera-dal. Het had kort tevoren nog gesneeuwd, en dat hebben we geweten. Het pad ligt op sommige plaatsen nog onder de sneeuw, op andere plaatsen is het blubber geworden. Rode pijlen en strepen geven op rotsblokken of boomstammen de richting aan. Soms zijn de pijlen ondergesneeuwd. Als we na een tijdje voortbaggeren nergens meer een rode streep zien, merken we dat we de weg zijn kwijtgeraakt.

De sporen in de sneeuw bewijzen dat vele wezens ons dezer dagen zijn voorgegaan: twee mensen, van wie één met een wandelstok, en tientallen dieren. Plots klinkt gekraak in het kreupelhout. Een zwijn, dat ons kennelijk eerder in de gaten had dan wij hem, springt ons gezichtsveld binnen. En daarna nog een, en nog een, en op een drafje zeker tien biggetjes. De sporen hadden niet gelogen.

Beneden is het meer van Barrea te zien. Dat ontstond in 1951 toen in de rivier de Sangro bij het stadje Barrea, op de plek waar het dal overgaat in een nauwe kloof, een stuwdam werd gebouwd. Het meer is een vogelparadijs geworden - in het park huizen 230 soorten vogels - en een drinkplaats voor herten.

Aan de andere kant van het meer loopt een autoweg. Iedere auto is op onze hoogte, kilometers verder, te horen. Maar het bosgeluid overheerst: gekoer en gekir, gepiep en getjilp. Ver weg blaft een hond. Een klingelend belletje doet ergens een kudde schapen vermoeden. En dan klinkt een verre kreet die ik nog nooit in het echt had gehoord, maar direct kan thuisbrengen: het gehuil van een wolf.

Na ruim een uur lopen kom ik voor het eerst een tastbare overtreding tegen van de gulden regel van het Abruzzenpark: 'Laat geen andere sporen achter dan die van je voeten, en neem alleen beelden en herinneringen mee.' Tussen de beukenootjes en sneeuwklokjes ligt een cellofaantje van een zuurtje. Weggegooid door iemand die kennelijk niet valt onder de categorie die directeur Tassi 'echte natuurvrienden' noemt.

'Ik heb te weinig bewakers, een stuk of veertig. Dat geldt voor alle natuurparken in de wereld. Genoeg bewakers zul je ook nooit krijgen. Wij hebben een oplossing gevonden. We schakelen de bezoekers zelf in. We krijgen er twee miljoen per jaar. 90 Procent blijft in de stadjes aan de rand van de beschermde gebieden. Die bezoeken alleen de attracties die we daar hebben ingericht.'

Slechts 10 procent van de bezoekers trekt de natuur in. Tassi: 'Dat zijn de echte natuurvrienden. Die veroorzaken geen problemen. Ze zijn juist onze bondgenoten bij de bescherming van de natuur. Ze slaan direct alarm als ze zien dat er iets mis is. Bijvoorbeeld als ze stropers tegenkomen, of mensen die de planten kapot maken. Dat systeem functioneert goed. Het ecotoerisme is dus een onderdeel geworden van de natuurbescherming. Het massatoerisme zou alles verwoesten.'

Het dal van de Jannanghera wordt steeds nauwer. Bij een steenkoude bron liggen, als dank voor het aangenaam verpozen, twee blikjes. Slechts twee blikjes. Normaal zou deze plek vol hebben gelegen. Want in Italië is het milieubewustzijn even zwak ontwikkeld als de andere gemeenschapsdeugden. Het gooien van afval uit rijdende auto's is even gewoon als de illegale storting van het stadsvuil van het noorden op dumpterreinen in het zuiden - overigens een bloeiende mafia-negotie.

Het begint avond te worden. We zijn nog ver van een berghut, en lampen hebben we niet bij ons. We moeten dus terug. De ontmoeting met een nieuw stel zwijnen begint langzamerhand routine te worden. In het koffiehuis van Civitella Alfedena komen we een zwaar bepakte en bezakte fotograaf tegen. Ook hij is net terug van een tocht door de natuur. Maar dieren, nee, die is hij jammer genoeg niet tegengekomen. We voelen ons natuurveteranen.

De volgende dag gedragen we ons als de 90 procent bezoekers die niet verder gaan dan de eerste van de vier zones waarin het park is verdeeld. In de eerste zone mogen de auto's komen, in de tweede mogen landbouw en veeteelt worden bedreven, de derde is alleen voor de wandelaars, en de vierde alleen voor de dieren. Maar in zone 1 kun je wel alles over de dieren te weten komen. Bijvoorbeeld in het wolvenmuseum in Civitella Alfedena.

Wie wil blijven geloven in de boze wolvensprookjes, van Roodkapje tot de Disney-verhalen, moet dit museum mijden. 'In de collectieve verbeelding', zegt Franco Tassi, 'was de wolf de duivel, de verzinnebeelding van het kwaad. Nu symboliseert hij de vrijheid, het vermogen om alle moeilijkheden het hoofd te bieden. We weten nu dat een milieu dat in staat is een wolf voort te brengen, een gezond, sterk, volmaakt milieu is. We zijn erin geslaagd het imago van de wolf te veranderen. Maar toen we begonnen met de Wolvengroep, vond iedereen ons krankzinnig.'

Tegenover de Boze Wolf stelt Tassi de wolvin die Romulus en Remus zoogde, de wolf die de broeder was van Sint Franciscus. Ter bestrijding van vooroordelen en haat zette hij de Operatie Sint Franciscus op. Daartoe behoorde de inrichting van 's werelds enige wolvenmuseum.

De Boze-Wolfmythe wordt in het museum uitvoerig uit de doeken gedaan en even uitvoerig bestreden. Het aardigst zijn tien fel realistische omslagtekeningen uit de periode van 1910 tot 1937 van de Domenica del Corriere, een vroegere bijlage van de Corriere della Sera. Het zijn vreselijke scènes: een man in Hongarije die door wolven wordt verscheurd, indiaanse vrouwen in Canada die een troep hongerige wolven op de vlucht jagen, honderden wolven in Bosnië die een passagierstrein overvallen, wanhopige mannen die in een boom zijn gevlucht waaronder huilende wolven zich opmaken voor het maal.

De kroon spant een prent over een bruiloftsstoet in Rusland. Wolven bespringen de koetsen. De mannen hebben een manier gevonden om zich de beesten van het lijf te houden: ze werpen hun de vrouwen als voedsel toe. Nog in 1992 plaatste een groot weekblad een fantasietekening over een herder die zich vier dagen lang in een autokarkas zou hebben verscholen tegen de wolven. De prent prijkt in het museum, de boze reactie van Tassi pal ernaast.

'De mens heeft het de wolf niet vergeven dat deze het enige grote zoogdier is dat met hem in concurrentie is gegaan', luidt een belerende tekst. Met geweren, gif en vallen probeerde men de wolf uit te roeien. Jagershonden kregen een speciale antiwolf-halsband om: een ijzeren constructie met puntige uitsteeksels eraan.

De duizenden wilde of verwilderde zwerfhonden blijken veel gevaarlijker te zijn dan wolven. Ze verspreiden ziektes, ze vallen gemakkelijk mensen aan, ze zijn een plaag voor het milieu, ze richten slachtingen aan onder het vee - en daarvan krijgt de wolf vaak de schuld - en pikken vaak de prooien van de wolven in. Bestrijding van deze plaag is nodig om het milieu-evenwicht in het park te handhaven.

Vlak achter het museum is vanaf een stijl straatje het enige wolvenpark van de wereld te zien. Het straatje geeft uitzicht op een dal, waar in een groot omheind 'faunagebied' een wolvenkudde huist. In de herfst heb ik een stuk of vijf exemplaren gezien. Maar nu in maart niet één. Waar zijn de wolven gebleven?

Ik hoor dat ze tijdelijk elders zijn ondergebracht, na een incident dat de hele bewustwordingsactie van Tassi in gevaar dreigde te brengen. Kort geleden wist een jonge wolf door de afrastering te ontsnappen. Op de aanpalende speelplaats van Koffiehuis De Wolf viel hij een jongetje van zes aan. Zijn vader sloeg direct alarm. De wolf vluchtte en liet zich niet meer vangen. Hij moest worden afgemaakt. Het kind kreeg lichte krabwonden, die in het ziekenhuis werden gehecht. Na reparatie van de omheining zouden de wolven deze maand op hun plek terug zijn.

Nog geen twintig jaar geleden wekte de ontdekking van wolvesporen paniek in Civitella Alfedena. Sindsdien heeft het dier, dank zij museum en wolvenpark, welvaart gebracht in het stadje. De inwoners hebben hun oude activiteiten opgegeven en verdienen nu hun geld aan het wolventoerisme. Maar nu heeft de reputatie van de wolf een knauw gekregen. 'Een goede wolf bestaat niet', zegt een inwoonster, 'dat is een sprookje.' 'Och kom', meent een ander, 'die wolf heeft het kind op zijn manier geaaid.'

In Civitella Alfedena is ook een 'faunagebied' waar twee lynxen huizen. Ze laten zich niet zien. Hetzelfde geldt voor de gemzen in het adembenemende 'faunagebied' dat onder Opi ligt. Op deze oeroude acropolis - de naam gaat terug op Ops, de Romeinse personificatie-godin van de overvloed - schijnt een mafia te zijn gevestigd die dik geld slaat uit het park. Maar in mijn vrije tijd wil ik me niet nòg eens in de mafia verdiepen. De beesten en andere attracties van Pescasseroli, waar het bezoekerscentrum en het veldhoofdkantoor van het park zijn gevestigd, bewaar ik voor een volgend bezoek. En skiën en paardrijden in het park hoef ik nu ook niet.

In Rome vertelt directeur Tassi enthousiast over zijn park. Over de verzoening van twee onverzoenbaar lijkende doelen: het behoud van de natuur en het economisch succes (tegenover een jaarlijkse investering van vijf miljoen gulden staat een rendement van driehonderd miljoen). Over het succes van het jongerenvrijwilligersprogramma dat krijgshaftig 'Aan het front van de natuur' heet.

Zijn er dan nooit conflicten? Tassi: 'Die zijn er altijd als gekozen moet worden tussen algemene en privébelangen.' De laatste grote aanval op het park kwam van de vorige minister van Milieu, de neofascist Altero Mattioli. 'Die heeft alles gedaan om het park te ontmantelen en mij weg te krijgen. Hij heeft de jagers het park in gestuurd. Achter hem stond de bouwlobby. Maar dat offensief is mislukt.' De Italiaanse milieubeweging heeft de minister beloond met de Attila-prijs voor milieuvernietiging.

Informatie: Ente Autonomo Parco Nazionale d'Abruzzo, Viale Tito Livio 12, 00136 Roma, (00396)-35.40.33.31; Viale Santa Lucia, 67032 Pescasseroli, (0039863)-91.07.15.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.