Onze generatie heeft geen tijd laconiek te zijn

VERVELING, desinteresse, futloosheid, X of helemaal niks, van alles wordt toegeschreven aan de jonge generatie. Hangend tegen een muurtje, kauwend op een rietje, kijkend naar MTV en dansend op de golven van house-muziek....

Na alle kwalificaties die jongeren al werden toebedacht gaf de Volkskrant van 15 april weer een nieuwe: de laconieke generatie. Het was de kop boven het artikel van Mirjam Schöttelndreier. 'Met niks willen ze nog directeur worden.' Zorgeloosheid troef.

Hoe is dit mogelijk? Als er één generatie is die weet dat de maatschappij niet op haar staat te wachten, dan is het onze generatie. Studiebeurzen kelderen. Rechten van huurders brokkelen af. En de arbeidsmarkt voor starters is al lang geflexibiliseerd met halfbakken arbeidscontractjes.

Denkt Schöttelndreier werkelijk dat jongeren niet weten hoe hard je moet knokken ten einde een plekje te veroveren op de arbeidsmarkt; dat jongeren niet weten dat je met 'niks' helemaal nergens komt?

Juist de huidige jonge generatie bouwt angstvallig serieus aan een eigen toekomst. Niet voor niets gaan jongeren steeds langer naar school, zijn er zo veel opgeklopte studentenbestuurtjes in het leven geroepen en worden (niet altijd even zinvolle) stages beschouwd als een must. Dat allemaal om zich straks te kunnen handhaven op de te krappe arbeidsmarkt.

Velen wacht echter een confrontatie met de Sociale Dienst, een orgaan als een moloch. Eenmaal 'erin', krabbel je er met de grootste moeite weer uit. Van de overmatige administratieve rompslomp, waar zoveel jongeren mee worden geconfronteerd, gaat geen enkele positieve stimulans uit om je eigen geld te verdienen. In plaats van stimulansen te zoeken voert minister Melkert nieuwe strafkortingen in, als een ouderwetse schoolmeester die met een liniaal op de vlakke hand slaat.

Kinderen met caps op en brogues aan, die niet meer weten wat afzien is, maar wel hun handje ophouden, verwende jongens die niet vooruit zijn te branden. Dat is het verhaal van Schöttelndreier. Dat jongeren zonder perspectief zich vervelen en afstompen, is echter een verhaal van àlle tijden. Al in 1931 werd door de regering een commissie ingesteld 'inzake het dansvraagstuk', uit zorg over de jeugd die zich in dancings vermaakte met de uit Amerika overgewaaide jazz. 'De toeschouwer kan zich niet onttrekken aan het gevoel dat voor de meeste dansers het genot dat ze zoeken absent blijft, en dat innerlijke leegheid, landerigheid en verveling de stemming bepalen, al tracht men die ook met tegen alle harmonie opbotsende syncopen op te zwepen.'

De gelijkenis met het rapport dat twee decennia later, in 1952 verscheen, in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen over de Maatschappelijke Verwildering der Jeugd is frappant. 'De verwilderde jeugd leeft in een wereld die verregaand gestalteloos genoemd mag worden. De gestalteloosheid van haar wereld uit zich in het onvermogen zelf gestalte te zijn: het uiterlijk is film-confectie of volstrekt verwaarloosd; houding en beweging vertonen geen uit het innerlijk komend gericht zijn; men leunt, hangt, slentert, enzovoort; er is vaak een ongedurige bewegingsoverdaad zonder doel.'

Dit is het verhaal van nozems, beatniks, Damslapers, hippies, punkers, rappers, techno's, gabberhousers, X'ers en Nixers, van jongeren die dansen op eigen muziek. Maar het is evengoed het verhaal van bezorgde ouders die zich wanhopig afvragen aan welke rage hun kinderen zich nu weer laven, van ouders die teleurgesteld zijn omdat hun kinderen niet voldoen aan verwachtingen die zij zelf in hun eigen adolescentie hebben geformuleerd.

En die verwachtingen zijn hoog gespannen. Ouders van nu zijn niet meer van de generatie die de hongerwinter heeft meegemaakt, en zij hebben zich ook niet - zoals Schöttelndreier suggereert - vereenzelvigd met de zuinige jaren van wederopbouw. De ouders van nu werden volwassen in de roerige jaren zestig, de jaren toen de wasautomaat en televisie doorbraken. Banen lagen voor het oprapen. De voorspoed leek mateloos waardoor jongeren uit zichzelf de grenzen gingen aftasten. Een moreel doch laconiek offensief van de jeugd was het gevolg.

Zij (althans enkele voorlopers) probeerden zich juist aan de gestalteloosheid te ontworstelen door nieuwe doelen te formuleren. En zij gingen ervoor. Dat ouders van nu, oftewel de protest-generatie van toen, over de gebrekkige maatschappelijke betrokkenheid van de nieuwe generatie klagen - kritiek die ook jonge schrijvers als Zwagerman, Giphart en Grunberg ten deel valt - is vooral te verklaren uit jeugdsentiment.

MAAR de rozige jaren zestig-idealen zijn doorgeprikt. De hoogdravende filosofieën van Roel van Duijn en de zijnen hebben niet de oplossingen gebracht die ervan werden verwacht. Marx en Marcuse zijn geen leidraad meer en dat is maar goed ook. Jongeren van nu zijn wel degelijk maatschappelijk betrokken - organisaties als Greenpeace en Amnesty International hebben wat dat betreft niet te klagen - maar onderkennen dat maatschappelijke problemen niet met een 'hocus-pocus-pas' zijn opgelost. Dat lijkt me heel gezond. En er zullen nog vele rages volgen.

Hanco Jürgens

De auteur is geboren in 1966 en docent cultuurgeschiedenis aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden