Onvervangbaar

Rossini's opera Guillaume Tell wordt nauwelijks opgevoerd, er zijn maar vier, vijf zangers wereldwijd die de hoofdrol goed kunnen zingen. De Nederlandse Opera vond in John Osborn de perfecte man. Hopen dat hij niet ziek wordt.

Als de Amerikaanse tenor John Osborn dit weekeinde een griepje oploopt, dan kan Jesus Iglesias Noriega, hoofd artistieke zaken bij De Nederlandse Opera (DNO) zijn zondagse croissantje wel vergeten. Of beter gezegd: dan heeft DNO een Heel Groot Probleem.


Noriega is de man die de vervanger zou moeten regelen, een andere tenor die aanstaande maandag Arnold in de opera Guillaume Tell kan spelen. Maar er zijn volgens hem maar 'vier, misschien vijf' zangers op de wereld die deze hoofdrol echt goed kunnen zingen. De kans dat één van hen een vrije agenda heeft en zich - op afzienbare vliegafstand - in Europa bevindt, is, laten we optimistisch blijven, héél klein.


Net als de meeste operahuizen werkt DNO niet met een systeem van 'understudies', zoals dat in de musicalwereld gebruikelijk is. Dat zijn reservespelers, die meerepeteren voor het geval de eerste keus ziek wordt.


Niet zo gek dat Guillaume Tell, ook wel bekend als Willem Tell, de grand opera van Rossini, bijna nooit wordt geprogrammeerd. De laatste integrale uitvoering was ongeveer tien jaar geleden. En dat terwijl iedereen de ouverture kent. Het galopperende thema wordt vaak geleend, in tientallen reclames, Disneyfilms, computerspelletjes en popmuziek. (Luister maar eens op YouTube. Vanaf de negende minuut begint er ongetwijfeld iets te dagen.) En de gemeenplaats in veel tekenfilms van de boogschutter die een appel op het hoofd van een dierbare met één pijl moet perforeren, komt ook uit Guillaume Tell.


Dat de opera vanaf maandag in het Muziektheater in Amsterdam staat, is dan ook in grote mate te danken aan de beschikbaarheid van John Osborn, zegt Noriega. 'Ik heb er in mijn carrière een paar keer over nagedacht Guillaume Tell te programmeren, maar die fantasie kwam altijd uit op dezelfde vraag: met welke tenor in godsnaam?'


Guillaume Tell is geprogrammeerd en gecast door Noriega's voorganger Hein Mulders. Hij verliet DNO afgelopen juni voor het Aalto Theater en Philharmonie Essen, Duitsland, waar hij als intendant is aangesteld. Een operahuis plant doorgaans jaren vooruit, dus Noriega werkt de komende twee jaar aan de opera's die door Mulders zijn gecast. Ondertussen bedenkt en cast Noriega de seizoenen '14-15 en verder.


'Guillaume Tell is mijn baby', vertelt Mulders aan de telefoon vanuit Essen. 'Het is één van mijn lievelingsopera's, een meesterwerk.'


Mulders heeft de zangers een paar jaar geleden gecontracteerd. 'Osborn zong vijf jaar geleden nog kleinere rollen', vertelt hij. 'Maar opeens is hij doorgestoten naar de tophuizen. Iedereen wil hem hebben. Zijn stem is gerijpt en hij is ook wat afgevallen. Hij was mijn nummer één voor de rol van Arnold.'


De zangpartij van de dappere verzetsstrijder Arnold is berucht. De partij is hoog voor een man, moeilijk gemaakt met virtuoze coloraturen. Maar ook in het middenregister moet de zanger sterk en lyrisch zijn. Mulders: 'Belcanto, zoals dit operagenre heet, is naakte muziek. De zangpartij ligt helemaal open. Meer dan in ander repertoire moet de zanger technisch perfect zijn.'


De tenor moet zich wel in belcanto verdiept hebben. Het vereist specifieke kennis en training. 'Misschien zijn er wel meer tenoren die het technisch zouden kunnen', legt Noriega uit, 'maar je moet wel geïnteresseerd zijn in Rossini. Sommigen zingen liever muziek uit een andere periode, bijvoorbeeld Wagner.'


Misschien wel een van de belangrijkste voordelen van Osborn: hij heeft de looks. Arnold is een Zwitserse verzetsstrijder die, als hij verliefd wordt op de Oostenrijkse prinses Mathilde (dochter van de bezetter, en dus de vijand), moet kiezen tussen liefde en vaderland. Onder druk van Guillaume Tell, de leider van het Zwitserse verzet, neemt hij afscheid van zijn geliefde en vecht mee tegen Oostenrijk. Bij zo'n held stel je je natuurlijk een knappe, breedgeschouderde man voor, nog niet verzwakt door de ouderdom. 'Typecasting is altijd mijn aandachtspunt geweest in mijn werk bij DNO', zegt Mulders. 'Het gebeurde tot voor kort nog in grote theaters dat een bejaarde vrouw de rol zong van de jonge vrouw Mimi in La Bohème. Maar de geloofwaardigheid van een zanger is zo belangrijk. Soms moet dat ten koste gaan van de stemschoonheid.'


Er zijn meer redenen waarom Guillaume Tell zo'n lastig project is. Het vereist een enorm koor (voor DNO geen probleem met het goede Koor van de Nederlandse Opera), ballet en decor. De productie is gigantisch. 'Pierre Audi (de artistiek directeur, red.) zag er als een berg tegenop, 'omdat het zo'n monument is', lacht Mulders. 'Maar hij heeft er nu veel lol in.'


Ook de andere partijen zijn moeilijk te bezetten. Maar Mulders had zijn verlanglijstje voor de andere hoofdrollen, Mathilde en Guillaume Tell, al snel samengesteld. Hij wilde Marina Rebeka als sopraan en Nicola Alaimo voor de titelrol. 'Rebeka is een bijzondere, jonge zangeres. Ook haar carrière gaat nu heel snel. In de operawereld staan alle neuzen voor kwaliteit dezelfde kant op. Ik ben zo blij dat ze beschikbaar is.'


Toen Mulders de optie op het trio had genomen (een 'luxury cast', in Noriega's woorden), bleef de finale beslissing van de operaleiding echter lang uit. 'Het duurde maanden, om allerlei redenen', zegt Mulders, die dat niet verder wil specificeren. 'Ik had vreselijke zenuwen. Zangers kunnen niet maandenlang hun agenda voor je openhouden. Ik hoorde niets meer van hun agenten en dat betekent meestal dat ze al zijn weggekaapt. Uiteindelijk konden ze alle drie nog. Blijkbaar hadden ze andere aanbiedingen van operahuizen allemaal afgewezen.'


Rebeka en Alaimo komen beiden uit de Academia Rossiniana in Pesaro, het Italiaanse stadje waar Rossini is geboren. Jaarlijks in augustus vindt daar het Rossini Festival plaats, met meerdere opera's van Rossini op het programma en een seminar voor jonge zangers. Hier leren ze de specifieke interpretatie van Rossini. Sinds de oprichting in 1980 zijn er veel onbekende Rossini-opera's herontdekt, dankzij het onderzoek van de stichting achter het festival. Vorig jaar programmeerde DNO bijvoorbeeld Rossini's Il Turco in Italia, met de sopraan Olga Peretyatko in de bejubelde hoofdrol. Zij was ook zo'n ontdekking van Mulders uit de Rossini-academie. 'De poel met de sterren van morgen', typeert hij het festival.


Het festival en de academie dragen bij aan een ware Rossini-revival. In augustus staan Rebeka en Alaimo opnieuw samen in Guillaume Tell, in thuisbasis Pesaro. Arnold zal dan worden vertolkt door Diego Flores. De DNO-versie is een coproductie met de Metropolitan Opera in New York, waar het over een paar jaar zal staan. Ook Londen en München hebben een Guillaume Tell gepland. Noriega: 'Het niveau van de Rossini-uitvoering is de afgelopen jaren erg hoog geworden, mede dankzij Pesaro. Daar ben ik blij mee. Het is zulk moeilijk repertoire.' Ook de herontdekking van onbekende Rossini's juicht hij toe. 'Vroeger werden er maar drie of vier uitgevoerd: Tancredi, La Cenerentola, en de Barbier van Sevilla.'


Maar stel dus hè, dat Osborn een verkeerde oester eet zondagavond. Dit is dan het plan van aanpak: Noriega pakt de telefoon en gaat achter zijn computer zitten. Hij heeft een paar namen in zijn hoofd, van wie hij weet dat ze de partij goed kennen. Eerst raadpleegt hij zijn netwerk van theaters en agenten om te zien of ze niet nét geëngageerd zijn in Australië. De vervanger moet wel op tijd arriveren. De zanger die overblijft, belt hij op. Noriega: 'Ik vraag eerst: waar ben je nu? Ondertussen zoek ik op internet naar vluchten. Het komt voor dat de enige mogelijke vlucht binnen anderhalf uur vertrekt. Dan roep ik: oké, vertrek alsjeblieft nú naar het vliegveld!'


Maar tot nu toe gaat het goed, met Osborn.


Extra: Er zijn nog kaarten

Guillaume Tell gaat aanstaande maandag in première in het Muziektheater te Amsterdam.


Daarna te zien: 31 januari en 3,6,9,12,15 en 18 februari. Op 3 februari is er een matineevoorstelling, de overige beginnen om half zes 's middags.


Bij het ter perse gaan van deze krant waren er nog kaarten.


Extra: Waarover gaat Guillaume Tell?

Guillaume Tell speelt zich af in een middeleeuws Zwitserland - voor de decorbouwers en regisseur van DNO een uitdaging, gaven ze toe in een leuk making of-filmpje, want dat is nou niet het meest sexy startpunt voor een voorstelling.


Het was de tijd van de tirannieke Habsburgers, maar in Zwitserland broeit het verzet tegen de overheerser. De eerste akte van de opera is een viering van de Zwitserse cultuur en tradities, met ballet en koormuziek. Ondertussen is de Zwitser Arnold verliefd op de Oostenrijkse prinses Mathilde. Dat kan niet, vindt Guillaume Tell, de leider van het verzet: Arnold moet kiezen tussen zijn liefje of het vaderland.


Arnold wordt verscheurd door dit dilemma, maar als hij hoort dat zijn vader door de vijand is vermoord, weet hij wat hem te doen staat. Zwitserland maakt zich op voor de strijd tegen Oostenrijk.


Dan volgt de beroemde 'appelschietscene'. De landvoogd, Gesler, geeft een feest. Uit pesterij dwingt hij de bevolking eer te bewijzen aan zijn hoed, die op een stok in de grond geprikt staat. Guillaume Tell weigert natuurlijk. Dat pikt Gesler niet en laat Tells zoontje gevangen nemen. Alleen als Tell een appel van het hoofd van zijn zoontje kan schieten met pijl en boog, mag hij blijven leven. Dat lukt. De vrijheidsstrijd die dan volgt, is geschiedenis.


Guillaume Tell, gebaseerd op een toneelstuk van Friedrich Schiller, schreef de Italiaanse Gioacchino Rossini (1792-1868) in Parijs, in het Frans, waar hij onder de indruk was geraakt van de 'grand opera', een spectaculaire vorm van opera uit de 19de eeuw met enorm koor, uitbundig decor en groot orkest. Eerdere opera's van Rossini, zijn komische 'opera buffa', zijn voor veel kleinere gezelschappen geschreven.


In Italië lag Guillaume Tell gevoelig, omdat er een revolutionaire verzetsheld wordt verheerlijkt. In een halve eeuw is de opera slechts twee keer uitgevoerd.


Guillaume Tell is dan ook de laatste opera die hij ooit zou schrijven. Maar velen beschouwen het als zijn meesterwerk. De zangpartijen zijn veeleisender dan ooit, met een grote rol voor het koor, en ook de orkestratie is grootser dan al zijn eerdere opera's. Het is ruim vier uur muziek. Wilde Rossini soms op zijn hoogtepunt stoppen? Na Tell leefde hij nog bijna veertig jaar, maar hij componeerde geen opera meer. Hij had er dan ook al 38 geschreven, kreeg een royaal pensioen van de Franse koning, en is de geschiedenis ingegaan als een van de grootste operacomponisten uit de geschiedenis.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden