Onvermijdelijk veranderen we het Nederlands

Let's face it: het Nederlands verandert. Natuurlijk kunt u stug weigeren mee te gaan in de taalvernieuwing, trachtend de taal van uw jeugd in ere te houden. Houd dat vol, en u klinkt op den duur als koningin Wilhemina.


Velen vrezen de invloed van straattaal op het beschaafde Nederlands: stel je voor dat straks iedereen doekoe zegt in plaats van geld, en sma tegen een meisje - Surinaamse woorden die stoere jongeren in grote steden zich eigen hebben gemaakt. De ergernis richt zich ook op het nep-Marokkaanse accent dat sommige Nederlandse jongeren gebruiken, met opzettelijke taalfouten en al: isj chchoed, die meisje.


Overbodige angst, stelt taalkundige Jacomine Nortier. Zij heeft in Utrecht de straattaal al jaren in het vizier. Wie weet blijft op den duur een enkel woord hangen in de standaardtaal, maar naturel jongleren met straattaal is voorbehouden aan jongeren. Het blijft koddig en ongepast wanneer Benidorm Bastards, leraren of ouders zulke woorden of accentjes gebruiken, constateert Nortier. Het alledaagse taalgebruik zal door straattaal niet veranderen.


Hoe ontstaat die onvermijdelijke verandering dan wél? Deels door technologische vernieuwingen. We downloaden wat af. Chatten met verre vrienden. Printen zelfs liever dan dat we op z'n Hollands afdrukken. Lang niet alle buitenlandse leenwoorden zijn onvermijdelijk, sommige lijken vooral bedoeld om status te verlenen: een verkoopleider heeft een minder prestigieuze baan dan een sales manager.


Dat die overname van buitenlandse leenwoorden zo razendsnel gaat, komt volgens de Nijmeegse psycholinguïst Gerrit Jan Kootstra doordat mensen onverbeterlijke na-apers zijn. Kootstra onderzoekt het door elkaar klutsen van meerdere talen: code-switching. En vooral: hoe mensen daarin elkaar nadoen - en de tv, en uithangborden. Hij promoveert op 12 januari op onderzoek naar dat kopieergedrag. In een van zijn tests zette Kootstra telkens twee sprekers tegenover elkaar. Spreker A beschrijft een plaatje en smijt daarbij met Engelse woorden. Hij is een acteur, maar dat weet spreker B niet. B blijkt sterk geneigd A te kopiëren: gebruikt de acteur geen Engelse woorden, dan doet spreker B het ook amper. Doet A dat veelvuldig, dan gaat B erin mee.


Waarom nemen mensen het woordgebruik van anderen over? Kootstra: 'Communicatie verloopt soepeler als sprekers gelijksoortige woorden gebruiken, op dezelfde manier zinnen bouwen. Als je wilt bevorderen dat je boodschap overkomt, level je een beetje met elkaar. Officieel heet dat alignment: spiegelingsgedrag.' Het sociaal-psychologische element is ook niet te onderschatten: 'Misschien praten mensen elkaar ook na om aardig gevonden te worden: mensen die elkaar nadoen, vinden elkaar vaak sympathieker.'


Is dat erg, als het Nederlands steeds meer leenwoorden opneemt? Tja, reageert Kootstra, zijn mening doet niet terzake: je houdt de veranderingen toch niet tegen. 'Wie het Nederlands in stand wil houden, wil het hedendaagse Nederlands behouden. Maar dit Nederlands is een momentopname, over vijftig jaar klinkt de taal sowieso weer heel anders dan nu.'


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden