ONVERDIENDE KRITIEK VOOR NEOLIBERALEN

DIT wordt een saai, maar leerzaam stukje. Onderwerp van onze verhandeling is een begrip dat wij steeds vaker zien opduiken in artikelen en boeken over de toestand in de wereld, namelijk neoliberalisme....

Deze term lijkt in de eerste plaats gebruikt te worden als een soort scheldwoord door diegenen die zich zorgen maken over het oprukkende marktdenken en de terugtredende overheid. Zo spreekt het SP-Kamerlid Marijnissen in het boek Tegenstemmen zijn verontrusting uit over de neoliberale bedreiging van onze beschaving. Kern van het neoliberalisme vormt in zijn ogen het streven het genadeloze kapitalisme van de vrije markt te ontdoen van sociaal-democratische invloeden.

In het pamflet De nee-zeggers gaat Thijs Wöltgens nog feller tekeer tegen het neoliberale 'totalitarisme' dat als een spook door de wereld zou waren. Op de vraag waarin dit vermaledijde neoliberalisme zich nu eigenlijk onderscheidt van het ouderwetse liberalisme, blijft de komieke Cassandra uit Kerkrade het antwoord schuldig.

Gelukkig zijn er ook publicisten met meer kennis van zaken. Een van hen is Gerrit Meijer, die negen jaar geleden promoveerde op een studie met de kernachtige titel Neoliberalisme. Uit dit proefschrift leren we het neoliberalisme kennen als een stroming in het politiek-economisch denken die omstreeks 1930 ontstond.

Opgang maakte het vooral in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog in de Bondsrepubliek. Neoliberale denkers als Walter Eucken, Alexander Rostow en Wilhelm Röpke oefenden toentertijd aanzienlijke invloed uit op het sociaal-economisch beleid van de West-Duitse regering. Zij legden de intellectuele basis voor wat de 'soziale Marktwirtschaft' zou gaan heten.

De neoliberalen begrepen dat een planeconomie gedoemd is te mislukken. Zij wisten vijf, zes decennia geleden al haarfijn uit te leggen waarom een planbureau niet in staat is zoveel informatie over productiefactoren en behoeften van consumenten te verzamelen dat het vanuit een centraal punt het economisch leven doelmatig zou kunnen regelen. Verspilling, opeenhoping van macht en onvrijheid zijn het onvermijdelijke gevolg van alomvattende overheidsbemoeienis.

De neoliberalen wezen het plansocialisme af, maar verwierpen tegelijkertijd het klassieke laisser faire liberalisme; vandaar het prefix 'neo'. Volgens de neoliberale visie moet de overheid toezien op de naleving van een aantal principes, zoals: privébezit; volledige aansprakelijkheid van ondernemers voor hun eigen doen en laten; contractvrijheid; openheid van markten; een grote mate van constantheid in het economisch beleid; stabiele prijzen.

Verder dient de overheid door een stelsel van progressieve belastingen te voorkomen dat te forse inkomens- en welvaartsverschillen ontstaan. Zij moet zorgen voor goed onderwijs en sociale zekerheid en behoort de ondernemingsvrijheid in te perken als sprake is van duidelijk aantoonbare 'externe kosten' (negatieve gevolgen van economische activiteiten voor derden, zoals milieuvervuiling).

De neoliberalen waarschuwden voor de groei van de paternalistische verzorgingsstaat en verwachtten weinig heil van een Keynesiaanse anticonjunctuurpolitiek. Zij verlangden echter niet terug naar het Manchester van de negentiende eeuw. Wat zij steeds hebben voorgestaan, is een sociale-markteconomie, een gulden middenweg tussen plansocialisme en onbeteugeld kapitalisme.

Dat progressieve politici in hun strijd tegen de tucht van de markt de wat duistere term neoliberalisme prefereren boven het vrij respectabel klinkende woord liberalisme, is te begrijpen. Met de eigenlijke betekenis van het begrip heeft deze retoriek echter weinig te maken.

Het is jammer dat heel wat journalisten dit, door politieke motieven ingegeven, taalgebruik gedachteloos hebben overgenomen. Als zij zich een beetje in de materie verdiepten, zouden zij in ieder geval spoedig ontdekken dat de stelling van Wöltgens dat het neoliberalisme 'anti-overheid' is, een karikaturale voorstelling van zaken geeft.

Neoliberalen, en in feite alle liberalen, bepleiten juist een sterke staat, een staat die een beperkt aantal taken met kracht uitoefent en ingrijpt zodra het nodig is. De opvatting dat de overheid zich dient te beperken tot haar - voor het maatschappelijk welzijn uiterst belangrijke - kerntaken wijst allesbehalve op een afkeer van de overheid.

Neoliberalen willen dat de overheid de voorwaarden schept waaronder de markteconomie kan floreren. Dit impliceert onder andere dat monopolievorming snel moet worden ontdekt en bestreden. Hier zien we een van de - talrijke - sociale, vooruitstrevende kanten van het neoliberalisme. In tegenstelling tot wat Marijnissen cum suis menen, zijn het namelijk doorgaans niet de mensen met de sterke schouders, maar de zwakkeren die het meest lijden onder marktverstoringen.

Van kartelvorming en prijsafspraken profiteren makelaars, medisch specialisten, notarissen en andere geprivilegieerden. De verliezer is de doorsnee burger, die te maken krijgt met minder service tegen hogere kosten. Onze neoliberale minister van Economische Zaken ziet het heel scherp: voor wie hecht aan goede dienstverlening, is en blijft de markt een onmisbare bondgenoot.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.