Onverdeelde aandacht voor de kopman

De rol van..

Marije Randewijk

Het was in de Tour van 2000 dat Lance Armstrong zich liet afzakken naar de ploegleiderswagen van Johan Bruyneel. ‘Je moet hem bellen’, drong de geletruidrager aan. ‘Je moet hem bellen.’ Hij was nerveus. Vooraan danste Marco Pantani op de pedalen. Hij reed verder en verder weg.

Bel nou met Michele Ferrari, en vraag hem of Pantani dit tot het einde van de rit gaat volhouden, riep Armstrong naar Bruyneel. De Italiaanse dokter zou wel kunnen vertellen of het Olifantje deze inspanning tot Morzine ging volhouden.

Bruyneel deed wat Armstrong van hem verlangde en kreeg van Ferrari een geruststellend antwoord. De ploegleider had het zelf ook kunnen vertellen, hij deed het ook. Maar op de een of andere manier klonken zijn woorden niet overtuigend genoeg voor Armstrong. Zei het iets over de rol van Ferrari, of over die van ploegleider Bruyneel?

De Belg bemoeide zich het hele jaar vooral met Armstrong. Hij had geen keus. De zevenvoudige Tourwinnaar liet hem nooit met rust. ‘Ik heb mijn leven teruggekregen’, zegt Bruyneel nu.

‘Onze samenwerking tastte mijn gezondheid aan. Ik had nooit tijd voor mezelf, of mijn gezin. Altijd ging de telefoon. Ik vind dat ik weer een aangenaam persoon ben geworden. En voor onze vriendschap is het beter zo.’

Armstrong begon een trend in het wielrennen. De ploegleider maakte hij tot zijn beste vriend en hij eiste dat die altijd tot zijn beschikking stond.

Samen stippelden ze de voorbereiding op de Tour uit en nergens week Bruyneel van de zijde van zijn veeleisende Amerikaan. Jan Ullrich en Rudy Pevenage en Ivan Basso met Bjarne Riis volgden zijn voorbeeld. Hun kopman kreeg de onverdeelde attentie van de ploegleider, anders kon de Tour niet worden gewonnen.

Bruyneel is in eerste instantie bescheiden over zijn bijdrage aan het succes van Armstrong. Dan zegt hij: ‘Mijn aandeel is groot geweest. Ik heb op bepaalde momenten de belangrijkste beslissingen genomen: over de samenstelling van de ploeg, welk programma ze rijden, welke renners geselecteerd moesten worden voor welke wedstrijden.’

Maar uitgerekend in het eerste Tourjaar na de dominantie van Armstrong is hij er het levende bewijs van dat je zelf een tactisch brein kunt hebben, maar dat het zonder uitvoerders een kwaliteit zonder waarde is.

Discovery Channel raakte vrijdag twee van de negen renners kwijt. En met zeven is het voor Bruyneel nog moeilijker manoeuvreren, hoewel hij daar vrijdag aardig in slaagde. ‘Dat ik nu moet bewijzen dat ik ook zonder Lance de Tour kan winnen, is geen obsessie. Het is gemakkelijk om te zeggen: Bruyneel met Armstrong, het was de afgelopen zeven jaar gemakkelijk. Maar ik zeg: het was niet zo gemakkelijk.’

In jaar 1 na Armstrong was het donderdag de ploeg van Erik Breukink die in de bergen het meest op die van Discovery Channel leek. Juan Antonio Flecha, Michael Rasmussen en Michael Boogerd waren de ervaren gidsen op weg naar Pla de Beret.

Het was tekenend voor Breukink dat hij zichzelf aan de finish niet op de borst sloeg voor wat een tactisch meesterplan was. Het waren de renners die het werk hadden gedaan, zijn bijdrage was beperkt geweest, zei de ploegleider. Vanuit de auto kan hij via de oortelefoontjes zijn renners sturen, maar hij kan ze niet harder laten rijden. Hij helpt, hij wint niet.

Breukink werd de laatste maanden vaak geconfronteerd met de vraag of hij de kunst niet een beetje beter moest afkijken van Bruyneel of Riis. De ploeg van de laatste won in het voorjaar twee klassiekers en de Giro d’Italia. Het succes van de eerste is bekend. Het was wielrennen moderne stijl. Het hielp niet als je daarvoor je ogen sloot.

Bruyneel en Armstrong waren vrienden, Riis en Basso waren als vader en zoon. Toen de Italiaan de Alpenetappes uit de Tour ging verkennen, stapte de Deen zelf ook op de fiets. Breukink daarentegen ging niet mee op verkenning toen Mentsjov de Pyreneeën bezocht. Het leek onbegrijpelijk, vooral na het echec van de Rus in de Tour van vorig jaar.

Moest de ploegleiding er niet op toezien dat de duurste renner van de ploeg dit jaar wel waar voor zijn geld bood? Hij hoefde hem niet op de vingers te kijken, maar Breukink kon zijn klassementsrenner in elk geval het gevoel geven dat hij van groot belang was voor het team.

De kritiek irriteerde Breukink zichtbaar. Psychologische trucs kunnen hem gestolen worden. Intelligente en zelfstandige renners – en daar hebben ze er genoeg van bij de Nederlandse wielerploeg – prikken daar zo doorheen.

Hij was er zelf ook niet de man naar die met bijtende opmerkingen of overdreven betutteling gemotiveerd moest worden. Peter Post, Jan Gisbers of Jan Raas hebben hem nooit op die manier kunnen raken.

Bij Discovery Channel beweerden ze lange tijd dat ze bij het ontbijt al konden zien hoe hun renners die dag zouden rijden. Vandaar dat ze altijd eerder beneden waren dan de rest van de ploeg. Op die manier kon de leiding een goed plekje in de zaal zoeken van waaruit de mannen het beste konden worden geobserveerd.

Uitgerekend Floyd Landis, tegenwoordig Phonak maar lange tijd de protégé van Armstrong, hield zich altijd verre van die waarzeggerij.

‘Ze doen altijd alsof zij precies weten wat je die dag gaat doen. Als je goed rijdt, zeggen ze dat het komt omdat je er bij het ontbijt goed uitzag. Als het klote gaat, zeggen ze dat je er ook slecht uitzag. Het is gelul! Soms klopt het misschien, maar ze vergeten al die keren dat ze het mis hadden’, zegt de huidige geletruidrager in het boek Lance Armstrongs Oorlog, van Daniel Coyle.

Breukink zal hem gelijk geven. Hij heeft zijn eigen, traditionele manier van werken. Er zijn meerdere wegen die naar Rome leiden, zo leerde hij als renner al. Toen hij werd aangesteld bij Rabobank, kwamen dezelfde zaken ter sprake die hij als coureur al moest horen.

Breukink was te lief en hij zou nooit met zijn vuist op tafel slaan. ‘Als je me vergelijkt met Raas en Post ben ik inderdaad een andere persoonlijkheid. Maar vergeet niet dat zij met hun aanpak ook niet altijd succes hebben gehad.’

In opportunisme zal hij zich nooit verliezen. Zijn kracht is dat hij zich, net als rechterhand Frans Maassen, nimmer anders voordoet dan hij is. Ook dat is een kwaliteit die renners op waarde schatten.

Niet iedere coureur wil dat zijn hand wordt vastgehouden. Mentsjov, die moest je met rust laten, zegt Breukink altijd. Toen de ploegleider hem donderdag op weg naar Pla de Beret vroeg hoe het met hem ging, gunde de kopman hem een meewarige blik. Breukink: ‘Hij keek me aan met een blik van: waarom vraag je dat eigenlijk? Hij had geen enkele twijfel.’

Breukink bemoeit zich niet met het trainingsschema. Daar hebben ze bij Rabobank een specialist voor aangetrokken. Een bewegingswetenschapper. Alleen als de vorm er niet op het juiste moment is, stelt Breukink vragen.

Riis is daarin zijn tegenpool. Toen Karsten Kroon de overstap maakte naar CSC, ging hij bij Riis op bezoek in Italië. Ze spraken uren samen, tijdens het diner maar ook tijdens de training. Riis trekt er nog altijd graag zelf op uit met zijn fiets. ‘Als je fietst, ben je dicht bij elkaar. Dat praat makkelijker’, legt de Deen uit.

In de maanden van de klassiekers belden ploegleider en renner dagelijks met elkaar. Het was altijd Riis die de telefoon pakte, maar uiteindelijk het minst aan het woord was.

‘Ik heb tegen hem gezegd: als je wilt dat ik je help, moet je me informatie geven’, vertelt Riis. ‘Ik wil weten hoe een renner zich voelt, dat is belangrijk. Dat is mijn job. Ik moet hen analyseren en mezelf afvragen wat ze van mij nodig hebben om de beste renner ter wereld te worden’, zegt de oud-winnaar van de Tour de France.

Andersom vertelt Riis zijn renners wat hij zelf denkt en voelt. ‘Ik praat heel veel over gevoelens. Coaching is alles in het wielrennen. Alleen maar door te coachen, kun je een renner zo veel beter maken. Als je niet gemotiveerd om je door mij te laten coach, kan ik je niet coachen.

‘Het is belangrijk een fundament te bouwen dat stabiel is, waarbij ze zich veilig voelen. Wielrenners zijn bang om te falen, ik weet niet waarom. Maar de meesten weten niet eens waarom ze een race willen winnen.’

Voor hem was het ploegleiderschap een roeping. Hij wist het toen hij op een dag achter in het peloton reed tijdens de Ronde van Nederland.

‘Er zaten 125 renners voor me en ik dacht: als ik nu aan iedereen vraag waarom ze wielrenner zijn geworden, wat zou ik dan als antwoord krijgen? Ik zei tegen mezelf: misschien heeft een renner een zinnig antwoord. Ik was er zeker van dat de meesten zouden zeggen: ik ben altijd renner geweest, waarom zou ik iets anders doen? Op dat moment heb ik mezelf beloofd dat als ik op een dag de kans zou krijgen, ik daar iets aan zou doen.’

Bij Breukink is die drang er nooit geweest. Net als Bruyneel kwam hij eigenlijk per toeval in de auto terecht. Breukink profileerde zich daarna niet als een groot tacticus of visionair. Hij is de man die de koude drukte buiten de deur houdt.

Het past bij de stijl van de ploeg. Boogerd noemde Riis bijvoorbeeld al eens een Ti-Ta-Tovenaar. Teambuilding in een ploeg is goed, bij Rabobank kan het zelfs beter, vond hij, maar overdrijven moest niemand het. ‘Van een weekje kamperen op een ijsvlakte ga je niet meer winnen.’

Het succes bepaalt de kwaliteit van de ploegleider. Dus werd Breukink fel bekritiseerd en zwol het gerucht aan dat ploegleider Nico Verhoeven volgend jaar van de opleidingsploeg over zal stappen naar de rangen van de profs.

In deze Tour wordt hij juist geroemd om de drie etappezeges en zijn meesterzet in de Pyreneeën, en zijn het Riis en Bruyneel die er momenteel niets van kunnen.

De komende dagen zal hij samen met Mentsjov een plan moeten smeden om Landis in de Alpen af te schudden. Ze zullen bondgenoten zoeken, maar Breukink zal er geen ophef over maken. Hij weet hoe het moet, hij weet niet of het lukt.

De komende dagen zal hij er vooral voor moeten zorgen dat Bram de Groot, Joost Posthuma en Pieter Weening boven zichzelf uitstijgen. Over Michael Boogerd, Oscar Freire, Michael Rasmussen, Juan Antonio Flecha en Denis Mentsjov hoeft hij zich geen zorgen te maken. Die hebben allang onderkend dat ze een bijdrage kunnen leveren aan een historisch moment in de wielergeschiedenis.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden