Ontwikkelingswerker wordt zakenman

Hulporganisaties gaan investeren in lokale projecten in arme landen. Geen liefdadigheid, hun investering moet wel (een beetje) lonen.

ICCO Investments. Het klinkt als een private-equityfonds, dus als kapitalisme in het kwadraat: bonussen en snel geld. Maar niets is minder waar. ICCO Investments is ontwikkelingssamenwerking. Nieuwe stijl, dat wel, en geheel toegesneden op de nieuwste mode in ontwikkelingshulp: geen hulp verlenen maar zaken doen. Maar dan wel zo dat het helpt tegen armoede.

ICCO bedrijft al vijftig jaar ontwikkelingshulp op christelijke grondslag, maar wordt steeds zakelijker. Die ontwikkeling dateert al van ruim voordat minister Lilianne Ploumen van Ontwikkelingssamenwerking onlangs het einde van de ontwikkelingshulp voorspelde. Volgens haar zitten arme landen niet meer te springen om 'hulp'.

Economische programma's verzorgt ICCO al meer dan tien jaar, en intensieve samenwerking met multinationals als Ahold en Ikea bestaat ook al jaren. 'We slaagden er wel in iets op te zetten met multinationals', zegt algemeen directeur Marinus Verweij, 'maar niet met het midden- en kleinbedrijf.' Dus zette ICCO vorig jaar een onderzoek op naar de betrokkenheid van het mkb bij internationalisering. Conclusie: heel veel belangstelling, maar weinig daden. Dat komt, zegt Verweij, doordat die ondernemers vooral problemen zien in dat onbekende buitenland, zoals: 'We willen wel investeren, maar we weten niet hoe we dat moeten aanpakken.'

Radiospotjes

Daar kon ICCO wel wat aan doen. De organisatie zette een campagne op met opvallende radiospotjes, waarin ze haar diensten aanbiedt aan ondernemers met plannen én idealen. In een van die spotjes figureert ondernemer Dirk, die het idee opvat fietsen te gaan maken in Ouagadougou. 'Jammer dat het bij een idee gebleven is', zegt het spotje. 'Had Dirk van ICCO gehoord, dan had u op een fiets uit Ouagadougou kunnen rijden.'

De spotjes waren een groot succes. 75 ondernemers meldden zich bij ICCO (onder wie warempel een fietsfabrikant die aan de slag wil in Ouagadougou: Blackstarbikes). Met 25 van hen is ICCO in gesprek om te zien of hun ideeën tot levensvatbare bedrijfsplannen zijn uit te werken.

Gaat ICCO gewoon geld verdienen? Verweij: 'Als we diensten verlenen voor zo'n bedrijf, dan is het zeker denkbaar dat we een rekening schrijven. Maar als onze inbreng bestaat uit het bestrijden van de armoede, dan kunnen we dat zelf doen.'

Vorig jaar zette Verweij al een veelbetekenende stap: ICCO Investments werd opgericht. ICCO Investments kan leningen verstrekken, garanties afgeven, zelfs aandelen nemen. Niet voor de geef, maar gewoon, zakelijk. 'We willen een rendement hebben op die investeringen, een matig rendement van rond 3 procent.'

Er werken zeven personen bij ICCO Investments. In het fonds is een portefeuille aan projecten ondergebracht met een waarde van 20 miljoen euro. Daarin zit bijvoorbeeld een deelname in een vuilnisproject in Brazilië (zie inzet). Een kruidnagelproject in Mada-gascar, samen met kruidnageldimporteur Intertaste. En een project met een Nederlandse ondernemer die de gigantische protea's, Zuid-Afrika's nationale bloem, wil importeren.

Participatiemaatschappij

Binnen drie jaar hoopt Verweij de omvang van ICCO Investments te hebben verdubbeld. Dat geld kan zomaar komen van commerciële investeerders. Verweij is bijvoorbeeld in gesprek met investeerders zoals Rabobank, die wil beleggen via ICCO Investments. ICCO Investments wordt zo een participatiemaatschappij, zegt Verweij, met 'een matig rendement' als doel. Maar ook de doelstellingen van ICCO, natuurlijk.

Al die verzakelijking betekent niet dat Verweij de voorspelling van Ploumen dat ontwikkelingshulp gaat verdwijnen, deelt. Sommige activiteiten, zegt hij, kunnen best op een zakelijke manier worden gefinancierd. Maar andere niet. 'Bij het vuilnisproject in Brazilië bijvoorbeeld, is de investering in de verwerkende fabriek zakelijk. Het opzetten van de organisatie van vuilnisophalers wordt betaald uit klassieke hulp.'

ENERGIE UIT VULLIS

De açaï-vruchten worden volop gegeten in het arme Belem in Noord-Brazilië. Maar de pitten vormen 80 procent van de vrucht en die worden weggegooid. Er is geen geld om die op te halen en dus ligt de stad vol pitten.

En vullis, dat is nou juist het vak van Jan Boone. Die verkocht in 2011 zijn vuilverwerker VAR, en zocht nieuwe plekken om zijn werk te doen. Die pitten in Belem, wist hij al snel, zijn prima brandstof. Lokaal, maar ook voor Europese energiemaatschappijen. Want, zegt Boone: 'Een liter ruwe olie kost een euro. Twee kilo brandstof van açaïpitten levert evenveel energie en kost 10 cent.'

'We zouden een vrachtautootje langs kunnen sturen; dan hebben we die pitten zo binnen en het kost vrijwel niets', zegt Boone. Maar zo deed hij het niet. Samen met ICCO zette hij een heel systeem op waarbij traditionele vuilophalers, de catadores, als inzamelaars fungeren. 'Ze kunnen er goed aan verdienen', zegt Boone, 'meer dan tweemaal het minimuminkomen.' Nu werken er al vijftig, straks ettelijke honderden. ICCO organiseerde de catadores. ICCO Investments stak drie ton in de fabriek, in aandelen en een achtergestelde lening. Het bezit eenderde van de aandelen. Boone: 'Ze blijven niet hangen in hun geitenwollensokkenverhaal. Ze hebben daar nu profs in dienst, en die zitten mij op mijn nek. Ze worden steeds zakelijker.'

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden