Ontsnapping aan de vergankelijkheid Boek als geheugen

Plato vergeleek het geheugen met een wastablet waarop invallen konden worden vastgelegd. In de middeleeuwen werd het geheugen vergeleken met een boek....

IN HAAR INLEIDING bij The Book of Memory plaatst Mary Carruthers twee van de grootste intellecten naast elkaar die ooit hebben geleefd: Thomas van Aquino en Albert Einstein. Of liever: ze geeft het woord aan twee schrijvers die Thomas en Einstein van zeer nabij hebben gekend en in een terugblik proberen te formuleren waarin hun grootheid school. Wat de twee beschrijvingen bindt, is een intense bewondering, maar die bewondering is gericht op eigenschappen die - als patroon - bijna elkaars tegendeel zijn.

Wat in Einstein wordt geprezen, zijn zijn originaliteit en creativiteit. Einstein, lezen we, bezat een 'enorme verbeeldingskracht', liet zich door zijn intuïtie in 'onverkend gebied' leiden, hield zich buiten de conventies en begaf zich in zijn zucht naar onafhankelijkheid het liefst op 'eenzame paden'. De revolutie die hij tot stand bracht, was te danken aan zijn vermogen de wegen die anderen gegaan waren, te vermijden.

Kort na de dood van Thomas van Aquino in 1274 begonnen de verhoren die gebruikelijk waren als eerste stap in de procedure voor heiligverklaring. De lof die Thomas in het getuigenis van zijn ordegenoten ten deel viel, had een geheel ander karakter dan die voor Einstein zeven eeuwen later. Ook Thomas was in het bezit van een stralend en origineel intellect, maar van hem prijst men allereerst zijn geheugen.

Verhaald wordt hoe hij voor paus Urbanus IV een compilatie van commentaren op de vier evangeliën had samengesteld en daarvoor te rade was gegaan bij zijn geheugen, bij teksten die hij had gelezen en gememoriseerd tijdens zijn verblijven in andere kloosters. Zijn geheugen was ongewoon rijk en vasthoudend; wat hij eenmaal had gelezen, lag voorgoed vast. Zijn leerlingen getuigden hoe Thomas aan drie, soms vier secretarissen tegelijk dicteerde, over verschillende onderwerpen, uit zijn hoofd, zonder te zoeken: 'Hij scheen zijn geheugen simpelweg op te dragen haar schatten naar buiten te laten stromen.'

Geconfronteerd met een moeilijkheid keerde hij zich naar binnen in gebed, om daarna, terug aan de schrijftafel, te merken dat zijn gedachten zo helder voor zijn geest stonden 'dat het leek alsof hem innerlijk, als in een boek, de woorden getoond werden die hij nodig had'. Met dit geheugen, waar geen vergeten uit mogelijk leek, was het 'alsof kennis immer toenam in zijn ziel, zoals bladzij zich bij bladzij voegt in het schrijven van een boek'.

Wat Carruthers treft in deze twee beschrijvingen, is een contrast dat men - middeleeuws - kan samenvatten als dat tussen imaginatio en memoria. De genialiteit van Einstein werd toegeschreven aan intuïtie en verbeeldingskracht, eigenschappen die hem deden ontsnappen aan wat vóór hem was gedacht. De genialiteit van Thomas daarentegen leek te berusten op een magistraal geheugen waarin zich in een langzaam en cumulatief proces kennis verzamelde.

In de dertiende eeuw, zo lijkt het, had men een volkomen andere verhouding tot de waarde van het geheugen als denkinstrument dan in onze tijd. Die verhouding is er een van omkering: waar men in de middeleeuwen memoria als het hoogste vermogen van de ziel zag en het daarom diep in de hersenen, in het derde ventrikel plaatste, wordt in onze tijd de meeste waarde gehecht aan de imaginatio, het vermogen dat de middeleeuwers in het voorste ventrikel situeerden, direct achter de zintuigen.

Maar van evenveel belang - en parallel aan het commentaar van Carruthers - is de persistentie waarmee getuigen terugkeren naar het boek als beeld voor het geheugen van Thomas. Vanzelfsprekend hebben zijn ordegenoten Thomas gekend als een man van boeken, lezend, schrijvend, dicterend, als een geleerde voor wie iedere maaltijd een hinderlijke onderbreking was van de studie in cel, bibliotheek of scriptorium.

TOCH WAS DE hardnekkigheid van boekmetaforen, vermoedt men, meer dan alleen een elegante poging iemand te beschrijven in termen van de wereld waarin hij zich bewoog. Thomas' geheugen een boek noemen was net zo goed een expressie van het hoge aanzien dat het boek in de middeleeuwen genoot.

Het waren boeken die de rondreizende Thomas in staat stelden zijn geheugen te vullen met wat eerdere generaties van denkers hadden voortgebracht; het waren boeken die de dicterende Thomas gelegenheid gaven vast te leggen wat zijn eigen oordeelsvermogen daaraan had toe te voegen.

Boeken stonden zo aan begin en einde van zijn geheugen. Dat dit geheugen ten slotte zelf een metaforisch boek werd, zich gestaag vullend en verrijkend, 'zoals bladzij zich bij bladzij voegt', was niet alleen een eerbewijs aan Thomas, maar ook aan het boek.

Ook zonder de associatie met de Schrift, het Boek der Boeken, is het prestige van het boek in de middeleeuwen maar al te begrijpelijk. In een tijd waarin het persoonlijke leven hachelijk en ongewis was en je alleen bij hoge uitzondering lang genoeg leefde om de geboorte van je kleinkinderen te beleven, omspande het boek de ervaring van tientallen generaties.

Wat aan het perkament was toevertrouwd, wat was overgebracht van het geheugen van een individueel mens naar het domein van het geschreven woord, ontkwam aan de vergankelijkheid. Wat te boek werd gesteld kon door anderen worden geraadpleegd, het werd publiek, het kon worden doorgegeven, getransporteerd, vertaald, uitgewisseld, gekopieerd, verspreid, de tekst was, in zekere zin, in veiligheid gebracht.

Men ziet het belang van conservatie aan de middeleeuwse handschriften en incunabelen ook af. Schrijvers en kopiisten probeerden in hun scriptoria inhoud en uitvoering met elkaar in harmonie te brengen, dat wil zeggen: gewijde teksten, vastgelegd in een boek dat op de eeuwigheid was gebouwd. De zorg waarmee de boeken werden vervaardigd, de versieringen in de marge, de kwaliteit van het perkament, alles moest bijdragen aan deze ene impressie: hier ligt een schriftelijk geheugen, van een permanenter soort dan de mens is gegund.

Die impressie is niet zonder grond als men bedenkt dat veel van de kloosters waar boeken vervaardigd werden, met hun metersdikke muren, niet meer bestaan; ze zijn tijdens de reformatie in verval geraakt, werden in de as gelegd of afgebroken, terwijl de boeken, op het oog zoveel kwetsbaarder, ongeschonden in librijes en bibliotheken staan.

De verspreiding van het boek betekende niet alleen een vermeerdering van het geschreven woord, maar net zo goed van het beeld. Lange tijd heeft de opvatting bestaan dat leken in de middeleeuwen aangewezen waren op visuele representaties, zoals heiligenbeelden, schilderijen, fresco's en allegorische prenten, en dat een kathedraal voor de ongeletterde gemeente een bijbel in steen en glas was, maar deze interpretatie laat de overvloed aan 'picturae' in boeken die speciaal voor een selecte kring van geleerden bestemd waren, onverklaard.

Miniaturen en margetekeningen waren meer dan een simpel alternatief voor woorden; ze moesten doen wat in de etymologie van 'illustratie' besloten ligt, de tekst verlichten, opdat deze des te beter zijn weg naar het geheugen zou vinden. Toen in het jaar 600 bisschop Serenus van Marseille alle beelden uit zijn kerk liet vernietigen, uit bezorgdheid dat zijn gemeente zou vervallen in aanbidding voor het beeld, hield Gregorius de Grote hem voor dat het geheugen twee hoofdpoorten heeft, gehoor en gezicht, en dat men zich dus langs twee wegen - woord en beeld - toegang tot het geheugen kan verschaffen. Kerken en boeken, vond Gregorius, moesten daarom versierd worden met beelden en schilderingen van heiligen.

Toch zou het een vergissing zijn te menen dat men het boek in oudheid en middeleeuwen als een alternatief voor het menselijk geheugen begon te zien, als een middel om het geheugen te ontlasten door schriftelijk vast te leggen wat anders gememoriseerd moest worden. In de monastieke traditie was het boek bedoeld voor de ondersteuning van het geheugen, het moest het memoriseren juist vergemakkelijken. Deze omgang met het geschreven woord wijkt af van de tegenwoordige verhouding tussen schrift en geheugen.

Waar men in onze tijd bij zichzelf zegt: 'Dit moet ik onthouden tot ik het op kan schrijven', dacht de middeleeuwer: 'Ik moet dit opschrijven, zodat ik het beter kan onthouden.' Als op de grens van oudheid en middeleeuwen de heilige Hiëronymus zichzelf voorhoudt: 'Door zorgvuldig lezen en dagelijkse meditatie moet mijn hart een bibliotheek voor Christus bouwen', dan is het zijn hart, centrum van de individuele geloofsbeleving, waarin hij zijn kennis verzamelt, niet in het boek of in de librije.

WAT IN BOEKEN stond, moest uiteindelijk zijn weg vinden naar het persoonlijke geheugen. Misschien komt deze relatie tussen schrift en geheugen nog het mooist tot uitdrukking in wat Gregorius de Grote over de abt Equitius verhaalt. Deze Equitius placht rond te reizen met aan zijn beide zijden een leren sacculus vol heilige codices. De mensen die hij ontmoette, schrijft Gregorius, hield hij staande; vervolgens haalde hij een codex te voorschijn en liet hij de fonteinen van de Schrift stromen om zo de weilanden van hun geheugen te bevloeien. Opnieuw: deze stroom vloeide van codex naar geheugen, niet andersom.

Wat in codex of boek werd opgetekend, had in de regel een religieuze herkomst. Psalmen, evangeliën, liturgieën - wat de moeite van conservatie in een schriftelijk geheugen waard was, viel samen met wat voortvloeide uit de Schrift. Het boek werd daardoor in de christelijke iconografie het vaste attribuut van profeten en evangelisten, kerkvaders en heiligen, schrijvend of lezend.

De monastieke gewoonte om onder de maaltijd naar een voorlezing te luisteren, zich te laven aan de Schrift, zich te voeden met het Woord, leidde als vanzelf naar de metafoor van het geheugen als maag. Dat men het woord Gods tot zich moest nemen als voedsel, had een oudtestamentische oorsprong.

De profeet Ezechiël zag in zijn roepingsvisioen hoe de Heer een hand naar hem uitstrekte met een boekrol: 'En Hij rolde ze voor mij open; zij was beschreven aan de voorzijde en aan de achterzijde: daarop waren klaagliederen geschreven, gezucht en gejammer. Hij zeide tot mij: Mensenkind, eet wat gij hier voor u ziet; eet deze rol en ga heen, spreek tot het huis Israëls. Toen opende ik mijn mond en Hij gaf mij die rol te eten. En Hij zeide tot mij: Mensenkind, laat uw buik deze rol die Ik u geef, in zich opnemen en vul er uw binnenste mee. Toen at ik die op, en zij was in mijn mond zoet als honig.' (Ezechiël 2:10-3:3.)

De voorlezing aan de maaltijd paste in een traditie waarin woorden niet alleen werden geproefd, maar ook gekauwd: veel middeleeuwse manuscripten bevatten initialen waarop gehapt, geknauwd, gebeten wordt, als om de lezer aan te sporen zijn tanden in de tekst te zetten. Studie moest portiegewijs plaatsvinden, overvoeren stond een goede vertering in de weg. Het overdenken van het gelezene, door het terug te roepen in de herinnering, was als herkauwen, ruminatio.

In de twaalfde en dertiende eeuw begon zich naast de monastieke een scholastieke traditie te voegen. De steeds prominentere plaats van theologische opleidingen, niet meer in kloosters maar aan de eerste universiteiten, gaf het boek een nieuwe positie. De levenslange omgang met (voorgelezen) teksten die in kloosters mogelijk was, kon een academische opleiding in de theologie niet bieden: de tijd was beperkt en tijdens colleges moesten voor studenten meerdere exemplaren van hetzelfde boek beschikbaar zijn.

DOOR EEN KLEINERE letter en dunner perkament werd de bijbel in de dertiende eeuw een draagbaar, eendelig boek, wat reizende studenten en docenten in staat stelde hun eigen exemplaar mee te nemen. In de theologiestudie ontstond behoefte aan compendia, naslagwerken en bundelingen van commentaren.

Rond 1250 verscheen de concordantie bij de Bijbel, gevolgd door registers bij het werk van de kerkvaders, boeken die niet bedoeld waren om in te lezen, maar om er iets in op te zoeken. Deze nieuwe functie - die van hulpmiddel bij de ontsluiting van een extern geheugen - bracht een andere uitvoering en indeling met zich mee.

Na de concordantie verschenen de eerste boeken met een inhoudsopgave en een alfabetisch zakenregister. Het terugvinden van passages werd vergemakkelijkt door paragrafen, trefwoorden in de marge, hoofdjes, rode en blauwe initialen, kruisverwijzingen, vindplaatsen van aanhalingen, eigennamen die roodgeschreven in de aandacht sprongen. In studieboeken ontstond een nieuwe orde, steeds vaker met een alfabetische indeling van lemma's, afwijkend van het lineaire verloop dat van aanhef naar slot voerde.

De verdienste van het statim invenire, het ter plekke kunnen vinden, de onmiddellijke beschikbaarheid, stond op gespannen voet met de conventies van de monastieke traditie. In een universum dat was geordend door de samenhang van hiërarchie en chronologie, kon een alfabetische volgorde nauwelijks als orde gezien worden. Het alfabet maakte inbreuk op de vertrouwde beginselen van harmonie en coherentie.

De opkomst van het boek dat geraadpleegd werd in plaats van gelezen, verliep met horten en stoten en heeft de monastieke omgang met het boek ook niet verdreven. Het boek als bergplaats van informatie hoorde thuis in een beperkte kring van geleerden. Opgenomen in individuele collecties, verzameld in kisten en kasten, formeerden studieboeken zich op staatsieportretten van theologen tot een stillevenachtige groep, die tegen het einde van de middeleeuwen langzaam van de achtergrond naar de voorgrond schoof.

In de marges van het traditionele boek, gericht op het persoonlijke geheugen, ontbraken de zoekaanwijzingen die de scholastieke traditie kenmerkten, maar werden toespelingen gemaakt op het onthouden van de tekst.

In getijdenboeken tekenden miniaturisten in de marge munten en juwelen of andere kostbaarheden die gespaard konden worden. Men vindt er ook wel bloemen en bijenkorven: wat was lezen anders dan uit bloemen de nectar verzamelen die in de honingraten van het geheugen wordt bewaard?

Al even populair waren jachttaferelen, verwijzend naar een metafoor van Quintilianus: in een geoefend geheugen is het herinneringsvermogen als een jager die de gewoonten van het wild kent en precies weet waar de buit zich ophoudt. Albertus Magnus bediende zich in de middeleeuwen van dezelfde metafoor: 'Herinneren is niets anders dan het opsporen van wat zich schuilhoudt in het geheugen.'

Sporen zijn vestigia, (voet)afdrukken; het herinneren is een proces van investigatio. In een getijdenboek dat in 1440 in Utrecht werd vervaardigd voor Catherina van Kleef, hertogin van Gelre, komt een hele reeks van margeversieringen voor, visuele metaforen voor het geheugen waarnaar de tekst zijn weg moest vinden.

Getijdenboeken als deze verschenen in een tijd dat het aanzien van het boek op een hoogtepunt stond, in het begin van de vijftiende eeuw. Maar al voor de uitvinding van de boekdrukkunst, rond 1440, waren er de eerste tekenen van een kentering. Om aan de toenemende vraag te voldoen, ook buiten kerk en klooster, kwamen er boeken van mindere kwaliteit en lager gehalte op de markt, vervaardigd door kopiisten van het tweede garnituur.

Al aan het eind van de vijftiende eeuw, zo'n vijftig jaar na de uitvinding van de boekdrukkunst, wordt het verzamelen van boeken in een eigen bibliotheek als een ijdelheid des levens bespot. In Das Narrenschiff uit 1494, van Sebastian Brant, direct al in het eerste kapittel, zien we een waanwijze geleerde, te herkennen, zoals ook nu nog in cartoons, aan een bril, omringd door 'onnutte boeken' zoals het onderschrift specificeert.

De eerbied voor het geschreven woord, die in de middeleeuwen nog zo'n intense iconografische uitdrukking kreeg, begon te tanen, een ontwikkeling die door de uitvinding van de boekdrukkunst en het steeds grotere aandeel van wereldse literatuur niet is veroorzaakt, maar wel versneld. De eeuw tussen 1500 en 1600 gaf bij een verdubbeling van de bevolking een vertienvoudiging van de boekenproduktie te zien. Het boek veranderde van een unicum in een serieprodukt. Er kwamen grote oplagen, vanaf het midden van de vijftiende eeuw steeds vaker gedrukt op papier in plaats van op perkament. Langzaam maar zeker werd het boek van een zeldzaamheid een gebruiksvoorwerp dat net als andere gebruiksvoorwerpen een beperkte levensduur had.

In het begin van de zeventiende eeuw was die neergang in prestige voltooid. 'We hebben al een immense chaos van boeken. We worden eronder bedolven, onze ogen doen zeer van het lezen, onze vingers van het bladeren', schreef Robert Burton in zijn Anatomy of Melancholy (1621). Van lieverlee had het boek daardoor als metafoor een andere betekenis gekregen. Boeken werden niet meer geassocieerd met het bestendige, met een geheugen dat de vergankelijkheid op afstand houdt, maar met het eindige, de vergeefsheid, de futiliteit van het aardse. Boeken werden een vanitas-symbool.

Op tientallen zeventiende-eeuwse stillevens figureren ordeloze stapels boeken, net als uitstallingen van fruit, bloemen of jachtbuit, als topos van vergankelijkheid. Tussen de boeken werden schedels geplaatst, zandlopers, gedoofde kaarsen, omgevallen roemers, maar ook luiten en violen, want muziek was - toen nog - de vluchtigste van alle kunsten. Omringd door alles wat tijdelijk was en onbestendig, verscheen het boek als het tegendeel van wat het in oudheid en middeleeuwen had gesymboliseerd.

Douwe Draaisma

Douwe Draaisma: De metaforenmachine - Een geschiedenis van het geheugen.

Historische Uitgeverij, Groningen; ¿ 49,50.

ISBN 90 6554 489 5.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden