Ontsluit de verbeelding! uitgenodigd om de arena van de literatuur te betreden?

Is de literatuur een vrijplaats? Of moeten schrijvers zich meer met de wereld gaan bemoeien, of de wereld met de literatuur?...

Papieren bommen doden niet. De open wonden die zij veroorzaken stinken niet, en het verzonnen bloed stroomt niet over de pagina's. Fictie is in het beste geval kunst – net echt maar niet heus. Wil dat ook zeggen dat binnen de veilige grenzen van de fictie ieder gedachte-experiment vrijblijvend is? Is literatuur een vrijplaats? Of moeten schrijvers rekenschap afleggen van wat zij in hun verzonnen werelden oproepen? Is de roman een arcadische plaats om te schuilen voor de dreiging in de buitenwereld? Of zou zij zich juist eens wat meer met die wereld bemoeien?

Het is een discussie die al zo oud is als de literatuur zelf. Als zij oplaait is het nooit zonder reden, maar zelden met veel gevolg. Verhalen gaan van oudsher over Goed en Kwaad. Maar het afbeelden hoe wij leven is ruimschoots overgenomen door soaps op tv; daar zien we ook het Kwaad en het Noodlot tekeergaan; tsunami of terreuraanslag, we zitten er meteen middenin. Internet is een marktplaats voor meningen van iedereen over van alles. De wereld komt overdonderend tot ons via vele kanalen. Wat kan de literatuur in godsnaam nog uitrichten?

Onlangs deden vier Duitse schrijvers in Die Zeit (23-6-2005) een moedige poging om het onderwerp weer eens op de agenda te zetten. Onder de titel 'Was soll der Roman?' schreven Martin R. Dean (1955), Thomas Hettche (1964), Matthias Politycki (1955) en Michael Schindhelm (1960) een 'Manifest für einen Relevanten Realismus'. Om zich heen zien deze (eind)veertigers jonge producenten van lekker weglezende flutromannetjes én kantklossende estheten die hun tijdloos schone web weven. Het 'volwassen middenveld' zien zij bevolkt door navelstarende schrijvers met een gezonde afkeer van engagement.

Het is hoog tijd, vinden de vier schrijvers, om weer onverschrokken het woordje 'wij' in de mond te nemen. Weg met de knusse familiegeschiedenissen, narcistisch zelfonderzoek en 'nostalgische Erinnerungsmümmelei'! Neem plaats in het midden van de samenleving en onderzoek de dilemma's van onze tijd. Literatuur moet weer 'bewoonbaar' worden en partij durven kiezen. Zij zou onze 'ondergaande' wereld in beeld moeten brengen om ruimte te scheppen voor 'een nieuwe utopie'.

De collega's aan wie een reactie werd gevraagd, reageerden gebeten, en daarmee nogal voorspelbaar. Zij moesten namelijk niets. 'Mijn literatuur doet wat zij wil', stelt Andreas Maier (1967) hooghartig. Uwe Tellkamp (1968) houdt het bij: 'Wij moeten goede boeken schrijven. Dat moeten we.' Hans-Ulrich Treichel (1952) weet niet wie die 'wij' zijn: wij neoliberalen, wij anarchisten? En Juli Zeh (1974) vraagt verbaasd: 'Politiek stelling nemen? De tijd van de ideologieën is toch voorbij?'

In een debat over literatuur en moraal op 3 juni in het Letterkundig Museum in Den Haag, georganiseerd door het VU Podium onder de titel 'Liederlijke Letteren', viel het woord 'politiek' niet eens. De deelnemers – Herman Franke, Nelleke Noordervliet en ondergetekende – die met de zaal discussieerden, waren het over één ding eens: literatuur hoeft zich niet direct te bemoeien met politiek; we moeten ons hoeden voor pamflettisme. Maar een morele vrijplaats? Nee, zei Noordervliet. 'Literatuur is altijd moreel', stelde zij, want gaat altijd over de vraag 'hoe te leven'. Franke ging een stap verder: 'De morele vrijheid die schrijvers zichzelf achter hun bureau toestaan', zei hij, 'is dezelfde vrijheid die mensen tot misdaden kan brengen.' Hij verzette zich tegen de gedachte dat literatuur onaantastbaar is. De schrijver, vindt hij, mag de morele implicaties van zijn werk niet ontvluchten: 'Wie op moraal schiet, moet niet zelf achter kogelvrij glas gaan zitten.' Franke stelde voor om niet te spreken van een vrijplaats, maar van een 'arena', waarin je de morele strijd juist aangaat.

Goed, een arena. Een formidabele mogelijkheid voor schrijvers om zich met de wereld te verstaan. Kunst is immers kennis van de wereld, niet gebonden aan eisen die de universiteit, de paus, de imam of de minister van Justitie aan het verwerven ervan stellen. Ook in de vormgeving is de schrijver vrij als een vlinder. Hij kan namens zichzelf spreken of via zijn personages, monomaan iets betogen of botsende overtuigingen in slagorde opstellen. Hij mag een moreel hoge borst opzetten of zich wellustig wentelen in het Kwaad. Hij kan taboes ontkennen, slechten of driedubbel ironiseren. Alles mag, maar vrijblijvend is het nooit.

Dat is een mooi vertrekpunt. De vraag is alleen: wie voelt zich uitgenodigd de arena te betreden? En voor wie schittert de schrijver die zich daar zo dapper voor de leeuwen werpt? Trekt iemand zich nog iets aan van zijn diepgemeende schimmenspel?

Nadat hij een jaar lang romans had gelezen voor de AKO Literatuurprijs, merkte jurylid en criticus Rob Schouten in Trouw (11-11-2004) op hoe weinig ambitie de jonge schrijvers hebben. Het merendeel van de inzendingen bestond uit 'stadse streekromans' van en over het leven van twintigers en dertigers. De drang 'een eigen universum in te richten' ontbrak. Schouten schrok van dat 'matte narcisme': 'Het vindt allemaal plaats bij ons om de hoek, onder mensen die je direct herkent, in de kroeg en het vakantiekamp, en bovenal in de stijl van Elle.'

Het is de laatste decennia al vaker opgemerkt: de Nederlandse literatuur lijkt eerder op een gevaarloze, omheinde speeltuin dan op een strijdperk. De maatschappelijke afzijdigheid is bij ons groter dan in de Duitse, Franse, Midden-Europese en Amerikaanse literatuur. Om het karikaturaal te stellen: wij hebben een 'jongetjesliteratuur'. Het valt niet te ontkennen: wij grossieren in kleine, stoute, gekwetste boefjes, in Kezen de Jongen, Kruimeltjes, Elmers en de jonge Jannen met hun straffende God. Generaties lang werd bij ons geschreven – prachtig geschreven – over de strenge vader, de kille moeder, het gehate zusje, de Ina Dammans die zo lelijk doen, enzovoort. De volwassen nazaten van deze broekenmannen bevolken nog altijd een groot deel van onze literatuur. Vaak zijn het meisjes. Na de Tweede Wereldoorlog, na de moord op miljoenen mensen, leek iedere gedachte over de 'morele taak' van de kunst bespottelijk. Maar de generatie die ging schrijven nadat zij als kind het Kwaad aan het werk hadden gezien – W.F. Hermans, G.K. van het Reve, Lucebert – had wel een morele inzet: de mens deugde niet, schoonheid had haar gezicht verbrand, maar de schrijver wilde niet minder dan zijn eigen mythe tegenover de barre werkelijkheid stellen. Literatuur was tegengif. Nu wij zestig jaar in vrede hebben geleefd, lijkt de vraag naar de eigen identiteit – wie ben ik, doe ik ertoe, waarom ben ik zo gekwetst? – de hamvraag geworden. Dat het de laatste jaren allerminst veilig en rustig is om ons heen, heeft daaraan tot nu toe niet veel veranderd.

Het is een misverstand te menen dat alle autobiografische literatuur narcistisch is. Dat hangt van de mate van reflectie af en de betrokkenheid van het 'ik' bij de wereld. Niemand komt op het idee om het meest autobiografische werk van Philip Roth 'ikkerig' te noemen. Hetzelfde geldt voor de Zuid-Afrikaanse schrijver J. M. Coetzee. Bij deze grote auteurs staan individuele lotgevallen nooit op zichzelf. Het zijn vertellingen die, zonder concessies te doen aan stijl en vorm, zonder drammerigheid, de geest van een land, van een cultuur weerspiegelen. En dus een uitspraak doen over de moraal.

Ook het genre zegt op zich niets over de morele inzet. Niet elke historische roman is nostalgisch of escapistisch. Louis Couperus' De boeken der kleine zielen is geen kneuterige familieroman; de roman tekent mentaliteit van de burgerij en de kwalen van een tijdperk. Hetzelfde kan gezegd worden van het werk van Proust, Flaubert, Mann en Toergenjev.

Zelfs hyper-esthetische en 'verliteratuurde' romans kunnen beladen zijn met moraal. Modernisten als Beckett, Kafka en Borges gaven door niet realistisch te zijn commentaar op sleetse zienswijzen. Vladimir Nabokov, een volbloed estheet, schreef met boeken als Lolita en Pnin boeken die scherp commentaar leveren op de Amerikaanse moraal.

Zulke boeken gaan lang mee, en de moralistische lading verandert. Was Lolita bij verschijning in 1955 een 'schokkend' boek over een berekenend delletje dat een keurige Europese intellectueel verleidde, nu kun je het lezen als het verhaal van een bezeten pedofiel die zijn perverse wil voltrekt aan een pubermeisje.

Natuurlijk, ook in Nederland zijn er de laatste decennia boeken geschreven die, als we over een halve eeuw terugkijken op onze tijd, veel vertellen over wie wij waren. De 'generatieromans' van A.F.Th. van der Heijden en Robert Anker bijvoorbeeld, over plattelandsjongens die hun milieu ontstegen en in de maalstroom van de stad in verwarring raakten. Mystiek lichaam van Frans Kellendonk die, op een door en door ironische manier, maar toch, opriep tot meer gemeenschapszin. De emigrantensprookjes van Hafid Bouazza en Abdelkader Benali zijn geen felrealistische verslagen van het leven van allochtonen, maar vertellen des temeer over de enorme cultuursprong die kinderen van gastarbeiders maakten.

Een enkele roman doet welbewust een moreel appel aan de lezer en toont in schrille contrasten de neergang in het moderne leven. Wolfstonen bijvoorbeeld, een satirische roman van Herman Franke uit 2003. Hierin zien allochtonen en autochtonen in een volkswijk zich geconfronteerd met intellectuelen en kunstenaars die in de buurt luxe-appartementen hebben betrokken. Het komt tot een enorme clash tussen de bewoners. In de vorig jaar verschenen roman Casino van Marja Brouwers kwamen we terecht in een weerzinwekkende versie van de jaren negentig, een verrotte samenleving die getekend werd door narcisme, exhibitionisme, zucht naar seks, geld en macht. Tussen de hoofdstukken door gaf de schrijfster ons forse leesaanwijzingen.

Maar beide romans riepen nauwelijks 'buitenliteraire' discussie op. Critici gingen vooral in op de vorm: ondersteunen de beschouwende uitweidingen in Casino het spannende verhaal over een crimineel of onderbreken ze dat hinderlijk? Is Wolfstonen geslaagd als satire? Nu zegt de maatschappelijke betrokkenheid van een schrijver niets over de kwaliteit van het werk, maar het is tekenend voor de marginale positie van de literatuur dat niemand zich afvroeg: heeft Brouwers gelijk met haar aanklacht? Is Franke te zwartgallig?

Toch zouden we zulke romans de komende jaren wel eens hard nodig kunnen hebben. We zijn van god los, en elke ideologie heeft zijn failliet bewezen. Alleen het geloof in de tucht van de markt bleef over, de cynische wet van het geld, de vrijblijvendheid van ieder voor zich. Juist dat liberale niemandsland werd aangevallen door mensen die zich wel degelijk door god en gebod gestuurd weten, in New York, in Madrid, op kleine schaal in Nederland, en nu in Londen.

Hoe moeten we daarmee leven? Wat bezielde de moordenaars, hoe verdragen we die angst en dreiging; wat betekent het om nu een moslim te zijn, een jood, een christen, een kind dat op tv meer gruwel ziet dan het kan bevatten?

Gefundenes Fressen voor de verbeelding, zou je zeggen. Maar misschien is dat nu juist het probleem. Als de werkelijkheid een gruwelsprookje wordt, trekken wij, lezer en schrijver, ons liever terug in een hoogstpersoonlijke binnenwereld. Alles liever dan een duplicatie van de angst en bedreiging out there. Niet nóg een keer Srebenica, WTC, Irak, in godsnaam!

Als literatuur niet meer is dan een vrijblijvend spel, een vervoermiddel voor nostalgie of een etalage voor het ego, wordt lezen een vrijetijdsbesteding als alle andere. Dat doet de literatuur tekort. We delen een bewustzijn, we moeten met zijn allen leven in deze wereld, de enige, de onze. Literatuur gaat zelden over het Goede, zij biedt een blik op de afgrond. Ze geeft geen antwoorden, maar stelt de juiste vragen. Zonder zelf moralistisch te zijn, kan ze een nieuw licht op de dingen werpen en ons zo helpen na te denken over onze plaats in de wereld.

Wie leest heeft vele malen een geliefde bedrogen, een schot gelost, een bastaard verwekt, een stad veroverd. Hij is potentaat geweest of kindsoldaat, tasjesdief of potenrammer, rechter en veroordeelde, zelfmoordenaar en psychiater. Hij trok dorstig door de steppen of zat opgesloten in een kerker, hij vond het wiel uit en verloor talloze illusies.

Het helpt, verbeeldingskracht. Het helpt om je te oefenen in mededogen, je een voorstelling te maken van haat, woede en verlangens. Wie zich op vele plaatsen in de wereld een leven wil denken, alle uithoeken van het gevoel, het verstand en het instinct wil verkennen, hoeft geen duizenden levens te leven. Je kunt het beste lezen van wat schrijvers in tientallen eeuwen hebben bedacht.

Nee, schrijvers hoeven niks. En lezers, opinieleiders, bestuurders en politici al evenmin. Maar het zou mooi als zij hun verbeelding eens ontsluiten, door eens wat te lezen buiten die twee weken per jaar waarin ze niks belangrijkers te doen hebben. Het zou mooi zijn als literatuur weer serieus werd genomen. De enige die dat kan afdwingen, is de literatuur zelf.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden