ReportageVerzamelstoornis

Ontruimen of praten: hoe zorg je dat hoarders hun woning veilig houden?

Naar schatting 1,5 procent van de Nederlandse bevolking kampt in meer of mindere mate met een verzamelstoornis. Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Een appartement vol reclamefolders, kranten en kleding is enorm brandgevaarlijk. Maar hoe help je iemand met verzamelwoede, door te ontruimen of te praten? 

‘Deze? Mogen die weg?’ Sociaal psychiatrisch verpleegkundige Gerard Oosterlaar pakt lukraak wat tijdschriften van een manshoge stapel. ‘Nee!’, reageert Richard (58) huiverig. ‘Nee die niet. Dat is Pulling World, over trekkers. Die heb ik juist verzameld.’ 

Richard, in blauwe joggingbroek en verwassen T-shirt, houdt van auto’s, vrachtwagens en motoren, maar het meest houdt hij van trekkers. Hij deelt zijn ouderlijk huis, een rijtjeshuis in een buitenwijk van Zwolle, met zijn broer, die anoniem wil blijven. De woning staat vol schaalmodellen van en tijdschriften over zijn favoriete voertuigen. In het rechterdeel van de woonkamer staan een bank en salontafel, daar omheen is een looppaadje vrij. 

De rest van de kamer is bedolven onder de spullen. Naast de trekker- en auto-parafernalia, ook willekeuriger voorwerpen: flessen frisdrank, rollen tape, flesjes WD-40, een voetenwarmer en kleding – een aantal identieke grijze joggingbroeken met de prijskaartjes er nog aan. ‘Die waren in de uitverkoop, dus heb ik er gelijk een paar meegenomen.’ Het ruikt bedompt, maar vies is het er niet. 

Boven zijn twee slaapkamers, beide onbegaanbaar door dozen en kratten tot vlak onder het plafond. De rechter moet Richards bed herbergen, maar dat heeft hij afgestaan aan zijn modelvoertuigen. Hij bivakkeert al een paar jaar beneden, op de bank.

Oosterlaar werkt bij GGD IJsselland en is bij Richard om hem zover te krijgen zijn hulp te aanvaarden. ‘Het brandgevaar is te hoog’, waarschuwt hij, om zo de urgentie duidelijk te maken. ‘Als hier brand uitbreekt, verspreidt die zich zo snel dat de brandweer jullie niet kan redden. Als ze het toch proberen, brengen ze zichzelf in gevaar. De woning moet veiliger, leger.’ Richard knikt beduusd, hij weet ook dat het zo niet langer kan. 

Maar het betwisten van de eerste weggooipogingen baart Oosterlaar zorgen. ‘Ik vind dit best een stroef begin’, verzucht hij op de gang tegen Martien Jong, de facilitair dienstverlener met wie Oosterlaar al jaren samenwerkt. ‘Hij moet afstand nemen van flink wat spullen en ik vraag me af of dat gaat lukken.’

Drukspuit erop

Moeite met het wegdoen van bezittingen – zelfs als die spullen zo veel ruimte innemen dat er amper leefruimte overblijft – is het voornaamste kenmerk van een verzamelstoornis, ook wel bekend als hoarding. Naar schatting 1,5 procent van de bevolking heeft daar in meer of mindere mate mee te kampen. Hoarding wordt vaak gezien als een opruimprobleem, maar het is een ernstige psychiatrische stoornis. Die misvatting bood jarenlang voedingsbodem voor opruimhulp die niet hielp.

In 2013 zag de diagnose verzamelstoornis het licht bij een herziening van het handboek voor psychisch hulpverleners, de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM). Dat leverde nieuwe aandacht op voor de problematiek. 

Pionier Gerard Oosterlaar riep in 2014 een cursus over verzameldwang in het leven bij bijscholingsinstituut Rino. De cursus trekt een divers publiek, met naast GGD-medewerkers ook psychologen en verpleegkundigen, beleidsmakers, woningcorporaties, personal organizers en vrijwilligersorganisaties. Langzaam verspreidt verzamelexpertise zich in het land en verandert ook de hulpverlening.

Jaar en dag was (al dan niet gedwongen) ontruiming de standaard bij gevaarlijk volle woningen. ‘In feite een soort overval’, kenschetst Jos van Doorn, manager bij het Leger des Heils in Amsterdam, die aanpak. ‘De GGD zette een afvalcontainer voor de deur en ging met een hogedrukspuit van achter naar voor de woning door. De bewoner eindigde nog net niet zelf in de container, maar bleef ontredderd achter en werd niets wijzer over hoe hij zijn woning leefbaar kon maken en houden.’ Die aanpak is ‘plenteren’ gaan heten, naar Henk Plenter, een doener die veertig jaar bij de Amsterdamse GGD werkte en de gedwongen ontruiming vanuit pragmatisme ontwikkelde. Het woord werd zelfs opgenomen in het Algemeen Nederlands Woordenboek.

In Amsterdam ontfermde het Leger des Heils zich over mensen bij wie was ontruimd. De hulpverleners zagen met lede ogen aan hoe woningen toch weer vol liepen. De organisatie ging te rade bij hoarding-experts. Voor mensen die extreem aan spullen hechten, brengt het grote spanning teweeg die spullen kwijt te raken, leerden ze. Vooral als ze geen zeggenschap hebben over welke spullen weg moeten. 

Om die spanning weg te nemen, slepen verzamelaars vervolgens met extra volharding spullen van de kringloopwinkel of het grofvuil naar binnen. Bij 60 tot 80 procent van de geplenterde hoarders bleef het niet bij één ontruiming, ondanks de geboden nazorg.

Op basis van die inzichten ontwikkelde het Leger des Heils twee jaar geleden Veilig verzamelen, een opruimaanpak waarbij de cliënt de regie heeft. In mei dit jaar adopteerde de gemeente Amsterdam die methode bij haar nieuwe aanpak bij ernstige woningvervuiling. De gemeente ontfermt zich jaarlijks over zo’n zeshonderd ernstig vervuilde woningen. Bij ruwweg de helft daarvan speelt verzameldwang een rol. Ook op andere plekken in het land, zoals in de gemeente IJsselland, proberen hulpverleners gedwongen ontruiming te voorkomen.

Zonder oordeel

‘Och ja, dit wilde ik bijna wegdoen.’ Hubert (71) heeft een papiertje in handen dat tussen twee boeken vandaan glipte. ‘Jij zit vandaag in het mooie computerlokaal’, staat erop. Het is een jaar of 25 oud, uit de tijd dat Hubert werkzaam was als communicatietrainer. Voor de buitenstaander is het een alledaagse boodschap op een vergeeld kladje, maar het stemt Hubert nostalgisch. ‘‘Het mooie computerlokaal’, die formulering illustreert prachtig hoe het er bij dat bureau aan toe ging, er heerste zo’n informele sfeer’, verzucht hij.

Hubert is met zijn boeken in de weer tijdens de wekelijkse opruimsessie met Marieke van der Schoor van het Leger des Heils. Ze waren eigenlijk met de gang bezig, de afgelopen weken, maar daar is de klad in gekomen. De avond voor de opruimafspraak belt Hubert op om te waarschuwen dat hij niet lekker in zijn vel zit en dat er van opruimen weinig zal komen. 

Hubert organiseerde twee weken eerder een boottocht voor zijn verjaardag en woonde de crematie bij van een kennis uit zijn jeugd. Het heeft hem aangegrepen, zo doet hij bij aanvang van de sessie ook aan Van der Schoor uit de doeken. Maar nadat die zijn wederwaardigheden geduldig heeft aangehoord en het fotoboek van de boottocht met hem heeft doorgenomen, voelt Hubert zich toch in staat een opruimklusje aan te pakken. De stapels boeken in de vensterbank en op zijn bureau wegwerken, is de overzichtelijke doelstelling voor vandaag.

De grootste angst van Hubert is een ontruiming: ‘In mijn vriendenkring zat iemand die verschrikkelijk verzamelde en bij wie is ontruimd. Niet veel later pleegde hij zelfmoord.’Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Hubert zit op zijn knieën voor een boekenkast, op de begaanbare strook vloer tussen de balkondeur en de voorkamer. Hij wordt nu drie jaar ondersteund bij het opruimen, maar zijn bovenwoning in Amsterdam-Noord staat nog aardig vol. Hij heeft een bonte verzameling spullen: lampen, computers, radio’s, een doosje gevuld met horloges en oude melkpakken met cyrillisch opschrift, die tot bakjes zijn geknipt. 

Maar Hubert omringt zich vooral met boeken en paperassen, in dozen, op stapels en in kasten. Met Van der Schoor brengt hij orde aan. In een boekenkast staan zelfgevouwen mappen over thema’s die hem interesseren, onder meer Schiphol, de Noord-Zuidlijn en Afrikaanse albino’s. 

‘Waarbij hoort dit briefje?’, vraagt Van der Schoor vanaf een eetkamerstoel over de nostalgische vondst. De opruimondersteuning gaat niet zozeer om weggooien, maar om ‘dingen bij dingen doen’, zoals Hubert en Van der Schoor het noemen. ‘Het is een werkherinnering’, bedenkt Hubert. ‘Daarvoor heb ik een mapje. Even zien, waar was dat ook weer?’ 

Dat Van der Schoor niet opstaat om te helpen zoeken naar het betreffende mapje, is geen teken van luiheid, licht ze later toe. ‘Bij verzameldwang komen wij niet aan de spullen van cliënten, omdat dat bedreigend kan voelen. Bovendien heb ik een ander tempo, dus voor je het weet, ben ik het hele huis aan het opruimen. Daarmee ontneem ik Hubert de kans dat te leren.’

Met Van der Schoors hulp begint er iets te verschuiven in Huberts denken over spullen. ‘Wil ik dit bewaren, heb ik me leren afvragen. Die vraag bestond voor mij niet. Het alternatief, iets wegdoen, kwam gewoon niet in me op.’ In het opruimwerkboek dat het Leger des Heils gebruikt, staan handreikingen bij het formuleren van een antwoord op de weggooivraag: ‘Heb ik hier ruimte voor?’, ‘Heb ik een specifiek plan om dit object binnen afzienbare tijd te gebruiken?’ Maar ook bespiegelingen van minder praktische aard: ‘Past dit voorwerp bij mijn eigen waarden en behoeften?’ ‘Marieke stelt dit soort vragen zonder oordeel’, zegt Hubert, ‘dat is cruciaal, want anders sluit ik me af. In een oordeel zie ik mijn angsten bevestigd, dat ik faal en dat mijn verzamelneiging daarvan het bewijs is.’

Stank en ongedierte

Eenvoudig is het niet om dwangmatige verzamelaars ertoe te bewegen hun huis onder handen te nemen. ‘Echte verzamelaars zijn vaak schuw’, zegt Egbert Pelleboer, die het verzamelhulpteam van het Leger des Heils leidt. ‘Soms staan we weken voor een dichte deur en proberen we bewoners via de brievenbus te verleiden hulp te accepteren. Als we eenmaal binnen zijn, willen ze het liefst over ieder snippertje papier onderhandelen.’

Dat de hulpverlening stroef kan verlopen, hangt samen met de aard van de verzamelstoornis. Verwoede verzamelaars hebben grote moeite met plannen en het verwerken van informatie, daardoor hebben ze weinig besef van hun heikele situatie. 

Klinisch psycholoog Marjolijn Korteweg houdt haar cliënten weleens voorbeeldfoto’s voor, die ze gebruikt om de volheid in huis te kwantificeren. Hoe het bij hen thuis is? ‘Dan wijzen ze een plaatje aan waarop wat hopen kleren op de eettafel en bank liggen, maar de ruimte verder begaanbaar is. Vervolgens kom ik bij de woning en blijkt de deur niet eens open te kunnen. Dat zien ze zelf niet, ze zien de rommel niet, maar wel een leuk vaasje van de rommelmarkt of dat kapotte wijnglas waarmee ze nog eens een mozaïek gaan maken.’

Vaak is het dan ook niet de bewoner zelf, maar diens omgeving die aan de bel trekt. Buren hebben last van stank en ongedierte, de woningbouw vreest doorzakkende vloeren en de brandweer ziet het brandgevaar. ‘Het is problematiek van kleine huizen in de grote stad’, zegt psychiater Nienke Vulink, die verzameldwang onderzoekt bij het Amsterdam UMC. ‘Ik had een vermogende patiënt die besloot een tweede huis te kopen toen het eerste vol was. Daar ging ze wonen – en natuurlijk ook weer spullen stallen.’ Verzamelaars die zich die luxe niet kunnen permitteren, zijn gebonden aan de regels van de gemeente, brandweer en woningbouw.

De opruimaanpak van het Leger des Heils gaat uit van het beperken van de schade, stelt grondlegger Egbert Pelleboer. ‘We leggen ons erbij neer dat verzamelaars blijven verzamelen en gaan met de cliënt op zoek naar manieren om dat veilig te doen.’ 

Stap één is het formuleren van doelen die belangrijk zijn voor de cliënt: weer in bed slapen of vrienden aan de eettafel ontvangen. Alle betrokkenen komen bijeen en tekenen een contract waarin staat beschreven waar wel en geen spullen mogen staan. 

Het uitgangspunt is niet leeg, maar veilig: geen stapels papier naast het fornuis en een vrije vluchtroute naar ramen en deuren. Er is wekelijkse opruimondersteuning en daarnaast een veelvoud van extra mogelijkheden: inzet van de dienst bijzondere schoonmaak voor het grote werk, deelname aan een lotgenotencontactgroep en cognitieve gedragstherapie om functioneler ideeën over spullen en bewaren te ontwikkelen. Eens in de drie maanden komen alle partijen weer samen om aan de hand van foto’s de voortgang te bespreken. 

Het hele traject kost tussen de 10- en 15 duizend euro. Het is lastig die kosten af te wegen tegen die voor gedwongen ontruiming. Dat kost doorgaans tussen de 1.000 en 10 duizend euro voor het opruimwerk, afhankelijk van de hoeveelheid materiaal die wordt gestort. De gemeente tracht die kosten op bewoners te verhalen, maar dat lukt niet altijd. 

Wat niet is meegenomen in dat kostenplaatje zijn de juridische kosten en de nazorg. ‘We hebben geen exacte businesscase’, zegt Tako Engelfriet, die vanuit de gemeente Amsterdam bij de nieuwe aanpak betrokken is. ‘Maar we hopen recidive te voorkomen en daarmee op de lange termijn te besparen op zowel kosten als menselijk leed.’ De gemeente onderzoekt de komende jaren of de aanpak effectief is.

Henk Plenter, geestelijk vader van de ontruimingsaanpak, beziet de transitie met flinke scepsis. ‘Dwang is het kardinale punt. Ik heb in veertig jaar talloze verzamelaars ontmoet. Natuurlijk kregen ze altijd de kans eerst zelf op te ruimen, hun huis veilig te maken, maar dat gebeurde zelden.’ In zijn werkzame leven had hij het vaak aan de stok met psychiaters. ‘Die vonden dat het met zachte hand moest, maar zij hebben makkelijk praten. Zij wonen er niet boven, hebben geen last van stank of brandgevaar.’

Trauma’s

Om duidelijk te maken waarom afstand nemen moeilijk voor hem is, duikt Hubert in zijn onfortuinlijke familiegeschiedenis. Zijn vader zat tijdens de Tweede Wereldoorlog in een Japans kamp en diens eerste vrouw werd doodgeschoten tijdens de Bersiap. Huberts moeder, ‘een ingetogen roomse’, besloot als daad van naastenliefde met de rouwende weduwnaar te trouwen.

Het huwelijk was warm, maar ook gespannen en Hubert zocht zijn toevlucht op zijn kamer. ‘Daar, omgeven door mijn spullen, een moertje dat ik had gevonden of een verjaardagskaart die ik had gekregen, voelde ik me veilig. Die veiligheid ben ik met spullen blijven associëren: er kan van alles gebeuren, maar dan heb ik in ieder geval mijn spullen nog.’ 

Ook de schaarste die zijn vader in het interneringskamp had doorstaan, voedde Huberts verzameldwang. Daarin is hij niet alleen. Bij veel verzamelaars blijken oorlogstrauma’s een rol te spelen, die van henzelf of van hun ouders. Huberts ouderlijk huis stond vol, vooral met eten. ‘Een kast was iets dat je zo vol mogelijk stouwt, dan flink tegenaan duwt om hem dicht te krijgen en die je niet zomaar kunt openen, want dan dondert er van alles uit. Dat een kast kan dienen voor het eenvoudig wegbergen en tevoorschijn halen van gebruiksvoorwerpen, leer ik nu van Marieke.’

Het opruimen kost Hubert veel energie. ‘Soms vliegt het me aan. We zijn al drie jaar bezig en het is hier nog steeds zo vol, op dit tempo komt het misschien wel nooit af.’ Wijzend op Van der Schoor: ‘Maar ik geloof dat zij wel te spreken is over mijn vorderingen.’ Dat is ze inderdaad. ‘Toen we begonnen liepen we nog samen naar de papierbak, omdat je het te spannend vond om papier weg te doen. Nu doe je dat zelf.’ Hubert pakt de fietstas erbij waar hij het oud papier in verzamelt. Er zitten reclamefolders in, hij trekt er een uit. ‘Zo’n folder van vóór de zomer moet ik dan toch even doorbladeren: ben ik geen koopjes misgelopen?’ ‘Maar je hebt die folders afgelopen week mooi wel zelf in die fietstas gedaan’, looft Van der Schoor. ‘O ja, gelukkig. Ik doe toch wel iets.’

Voor Hubert is gedwongen ontruiming een schrikbeeld. ‘In mijn vriendenkring zat iemand die verschrikkelijk verzamelde en bij wie is ontruimd. Niet veel later konden we hem ten grave dragen, omdat hij zichzelf van het leven had beroofd. Als verzamelaar ben ik me altijd bewust van die dreiging.’ Hij wijst op de boekenkast waarin de papiermapjes staan. ‘Die kast heb ik zo dicht mogelijk tegen de dragende muur gezet, om doorzakken te voorkomen. Ik wil de woningbouw geen aanleiding geven iets tegen me te ondernemen.’

Na zorgvuldig uitzoeken wat weg kan en wat mag blijven, vult de aanhangwagen zich met 490 kilo tijdschriften.Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Toneelstuk

Gerard Oosterlaar legt na een uurtje opruimen een hand op Richards schouder: ‘Hoe is het ermee?’ ‘Goed, goed’, Richard is een man van weinig woorden, ‘het moest toch gebeuren.’ De trekkerliefhebber blijkt dan geen afstand te kunnen doen van de stapels Pulling World, maar andere tijdschriften, over motoren, de Formule 1 en vrachtwagens, mogen wel weg. Facilitair dienstverlener Martien Jong werpt ze in rap tempo in kratten die voor de papierbak zijn bestemd. 

Af en toe steekt Jong Richard iets in zijn handen, een oude catalogus van DAF bijvoorbeeld. ‘Deze wil je houden, niet? Zou zonde zijn om weg te doen.’ De suggesties worden gretig door Richard aangegrepen. Hij houdt zijn hulptroepen scherp in de gaten. Een enkele keer bukt hij om iets uit een krat te vissen. ‘Nee, die mag niet weg, die had ik juist verzameld’, klinkt het dan steevast. ‘Och, nee!’, excuseert Jong. ‘Dat wist ik niet. Zo zie je maar, het is goed dat je meekijkt, dat we dit samen doen.’ 490 kilo tijdschriften kan Oosterlaar deze ochtend afvoeren. Van onder die blaadjes is gaandeweg een eettafel tevoorschijn gekomen en ook het daglicht weet de woning beter binnen te dringen. 

‘Het is soms deels een toneelstuk’, biecht Oosterlaar op terwijl hij zijn Boedelbak het terrein van de vuilstort opdraait. ‘Martien is er een ster in veel wegwerken en dan op gezette momenten de bewoner erbij betrekken.’  In sommige gevallen gaat het samen opruimen dus meer om het gevoel van, dan om werkelijke regie. Dat kan niet anders, stelt Oosterlaar. ‘Als de tent hier afbrandt, is de verontwaardiging groot: hoe kon iemand zo leven? Waarom is die woning niet ontruimd? We hebben haast en manoeuvreren rond de grenzen van de bewoner.’ 

Toch is het gevoel van regie geen wassen neus. ‘Nu bepaalt Richard mee. Als hij bij familie wordt geparkeerd terwijl een opruimploeg zijn woning leegt, kan ik wel uittekenen wat er met zijn Pulling Worlds gebeurt.’

Tegen het eind van de ochtend gaat Richard zitten. Hij oogt moe, maar klinkt opgelucht nu de kop eraf is. ‘Ja’, zegt hij nog maar eens tegen zijn helpers, ‘het is goed zo, het moest toch gebeuren.’

Hubert is een gefingeerde naam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden