Onsterfelijk bezoek

Een speciaal zwak had ze voor de knappe Chopin, die ook waarschuwde toen haar bad overliep. Het Britse medium Rosemary Brown claimde contact te hebben met dode componisten, die haar honderden postume composities dicteerden....

Franz Liszt heeft twee keer de voetbalpool gewonnen. Niet dat de dandyeske componist er zelf beter van werd: het geld was voor een arme weduwe met twee kinderen, bij wie hij vaak op visite ging. De ontmoetingen speelden zich af in een rijtjeshuis in het Londense voorstadje Balham, in 1964, toen Liszt al zo'n jaar of tachtig onder de zoden lag.

De weduwe heette Rosemary Brown en vond het niets bijzonders dat de geest van een overleden componist de voetbaluitslagen voorspelde. Hij hielp haar immers ook met de boodschappen, rekende de kassabonnetjes na en koos langs helderziende weg de lekkerste bananen, vertelde miss Brown tegen de BBC, toen die in november 1969 de eerste van een reeks opzienbarende programma's aan haar wijdde.

Rosemary Brown was toen al een fenomeen: een eenvoudige huisvrouw die een paar liedjes op de piano pingelde, overigens geen benul had van muziek en desondanks claimde dat ze sinds 1964 in nauw contact stond met Franz Liszt. Via hem zou ze ook geregeld bezoek krijgen van collega's als Chopin, Schubert, Beethoven en Brahms, die kennelijk geen van allen waren uitgecomponeerd en haar van gene zijde een snel groeiende stapel pianowerken dicteerden.

Waarom die grote geesten zo'n slechte pianiste hadden uitverkoren, snapte Brown zelf ook niet. Tot Liszt haar uitlegde (zijn woorden zijn opgetekend in Browns autobiografie Unfinished Symphonies) dat een goede techniek haar juist ongeschikt had gemaakt: 'Je zou veel te veel ideeën van jezelf hebben gehad, die ons bij dit werk alleen maar gehinderd zouden hebben.'

Een pretje vond ze de paranormale contacten maar zelden. Afgezien van 'huisvriend' Liszt, die als receptionist functioneerde en zorgde dat niemand voordrong, sprak het bezoek beroerd Engels en was het behoorlijk veeleisend. Bij Bach kon er geen lachje vanaf ('die komt om te werken, te werken en nog eens te werken'), Beethoven was vaak nauwelijks te volgen en leek aan drie of vier stukken tegelijk te werken, en Rachmaninov gaf haar met zijn pokerface de moeilijkste vingeroefeningen op.

Liszt was gelukkig nooit ver. Hij verscheen niet als oude man, toen hij grote wratten op zijn wang had, maar in elegante jeugdige gedaante. Ook de anderen waren op hun best: Beethoven was niet doof meer en Schubert kon zonder bril de krant lezen. Een speciaal zwak had ze voor de knappe Chopin, die romantische melodieën dicteerde, maar ook waarschuwde toen haar bad overliep.

Honderden postume opusnummers kreeg Brown doorgegeven. Schubert zong de noten meestal voor ('hoewel hij geen goede stem heeft'), Beethoven en Bach dicteerden via een 'innerlijke stem', terwijl Chopin en Liszt haar vingers over de pianotoetsen leidden en haar dingen lieten spelen waartoe ze zelf nooit in staat was geweest.

De muziekpraktijk putte haar uit. Ze maakte ook lange dagen als keukenhulp. Maar nee zeggen tegen de geestverschijningen wilde ze niet. Sir George Travelyan, de peetvader van de new age-beweging in Engeland, schoot te hulp. Samen met het muziekminnende echtpaar Frith en een zekere majoor MacManaway riep hij een stichting in het leven die Brown in staat stelde al haar tijd aan de muziek te wijden.

Niet veel later werd ze benaderd door de Nederlandse firma Phonogram, die haar voorstelde een langspeelplaat te maken met een selectie uit haar paranormale oeuvre, uit te voeren door de pianist Peter Katin. De plaat verscheen in 1970, voorzien van twee hoesteksten. Voor de ene tekende prof.dr. W.H.C. Tenhaeff, de destijds vermaarde hoogleraar in de parapsychologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Tenhaeff had Brown op verzoek van Phonogram uitgebreid onderzocht, maar moest bekennen dat hij voor een raadsel stond. Wel benadrukte hij, dat ze hem geen fantaste of hysterica leek. De tweede tekst was van Sir Donald Francis Tovey, de eminente Britse musicoloog, die de muziek voor honderd procent bona fide verklaarde en de hoop uitsprak dat de serieuze belangstelling voor dit 'fenomeen' zou aanwakkeren. Sir Donald dicteerde de tekst in de nacht van 1 januari 1970, thuis bij Rosemary Brown, die haastig een peignoir had aangetrokken om haar in 1940 overleden gast te verwelkomen.

De Philips-lp Muziek van Rosemary Brown (zeventien 'premières', waaronder acht van Liszt) deed veel stof opwaaien. Ook Nederlandse kranten besteedden er aandacht aan. Konrad Boehmer schreef een sardonische beschouwing in Vrij Nederland, waarin hij de marxistische filosoof Adorno parafraseerde: 'Dat het occultisme een symptoom van regressie van het bewustzijn is, is langzamerhand iedereen bekend, behalve de occultisten.'

NRC-criticus J. Reichenfeld hoorde weliswaar verdienstelijke werken van Beethoven en Liszt, maar verbaasde zich over de vele 'liflafjes': 'Als ze werkelijk uit het hiernamaals stammen, dan lijkt me het klimaat daar voor creativiteit bepaald niet gunstig, de onsterfelijken lijden grotendeels aan aftakeling.'

De Philips-opname confronteerde de Britse auteursrechtenorganisatie met een onalledaags probleem, dat uiteindelijk werd opgelost door alle muziek op Browns naam te zetten. Een uitzondering vormden de aan Debussy toegeschreven werken. Onder druk van de erven moest een postuum door hem gedicteerde compositie van de Franse editie van de lp worden verwijderd.

Bob Bouma (later bekend als presentator van de tv-quiz Voor een briefkaart op de eerste rang) was als perschef van Phonogram bij de opnamen betrokken. Hij herinnert zich dat de stemming in het begin 'lacherig' was. 'Maar dat ging er heel snel af. Ze was zo volstrekt gewoon, zo down to earth. Eenvoudig, maar volstrekt niet dom. En een heel aardig mens bovendien. Ze logeerde bij mij thuis, en ik heb gezien hoe ze in de huiskamer met Liszt zat te praten. Dan maakte ze notities.'

Kort daarop vroeg Willem Duys haar in zijn tv-programma Voor de vuist weg. Bouma: 'Ik had toen net een auto-ongeluk gehad en lag met een gebroken knieschijf in het ziekenhuis. Ze kwam me opzoeken en toen gebeurde iets raars. Ze hield haar hand boven m'n knie en opeens kon ik 'm weer buigen. Ik ben een nuchtere Groninger, ik geloof nog steeds niet wat ik toen meemaakte. Maar het is wél gebeurd.'

Ook 'serieuze' muzikanten begonnen belangstelling te tonen. De Amerikaanse dirigent Leonard Bernstein nodigde haar uit in zijn suite in het Londense Savoy Hotel, waar ze hem haar transcripties van Rachmaninov en Chopin toonde. Ze dronk whisky uit Bernsteins glas (ze vond het erg sterk), luisterde ademloos toe hoe Bernstein haar Rachmaninov-transcriptie speelde ('zo briljant, het rolde eruit als de donder'), en raakte in verlegenheid toen de maestro informeerde of Chopin nog net zo'n sexy jongen was als vroeger. Bij het afscheid kreeg ze twee kaartjes mee voor Verdi's Requiem, dat Bernstein de volgende dag in St. Paul's dirigeerde.

In 1976 was Browns ster zo hoog gerezen, dat de NOS-televisie een hele zondagavond aan haar wijdde. Jack van Belle presenteerde een speciale aflevering van het levensbeschouwelijke programma Zienswijze, met de componiste Tera de Marez Oyens en de Leidse psycholoog Piet Vroon als panelgasten. Er was een documentaire van Jonne Severijn, waarin Louis van Dijk 'blunders' in de bovenaardse partituren traceerde en de paragnost Gerard Croiset vaststelde dat bij Brown sprake was van het 'binnendringen in het binnen-tijd-ruimtelijke van het buiten-tijd-ruimtelijke'. Muzikaal klapstuk was een uitvoering van Beethovens 'elfde' symfonie in f klein door het Radio Philharmonisch Orkest onder David Porcelijn, opgenomen in de Sint Bavo te Haarlem.

Dirigent David Porcelijn: 'Willem van Otterloo zou dirigeren, maar die geloofde er niet in en bedankte voor de eer. Het was ook geen geweldig stuk, het dobberde maar wat. Het was kort, met slechts twee delen. Ik herinner me nog dat ik het meer Schubertachtig vond.' Nam hij Rosemary Brown serieus? 'Ach, ik weet het niet. Ik had mijn twijfels natuurlijk, maar ik veeg het niet meteen van tafel. Als je witch doctors in Afrika aan het werk ziet, sta je ook versteld.'

In de jaren tachtig begon het stil te worden rondom Browns muzikale menagerie. Haar gezondheid werd minder en de bezoekjes van bevriende componisten namen af: de muziek verdween even geruisloos uit haar leven als ze erin was gekomen. Pas bij haar overlijden, op 85-jarige leeftijd in november 2001, dook haar naam weer even in de kranten op. Belangwekkend nieuws werd het nergens gevonden. De Londense Times schreef in een liefdevol postuum dat Brown altijd 'ontwapenend eerlijk' was geweest en zelf nauwelijks plezier aan haar rol als medium had beleefd.

Een curieus hoofdstuk in de twintigste-eeuwse muziek leek daarmee afgesloten - tot zich onlangs Gerhard Helzel uit Hamburg meldde. Helzel is een gediplomeerd elektrotechnicus, die zijn energie liever in andere zaken steekt. Hij schildert magisch-realistische taferelen, componeerde een Sinfonia Pastoralis in 'romantische stijl', publiceert esoterische teksten, drijft een platenlabeltje voor vergeten Duitse componisten en werd door de Stiftung Deutsche Schrift onderscheiden voor zijn inzet voor de klassieke gotische drukletter (de Fraktur), waarvan hij een gedigitaliseerde collectie heeft aangelegd. Belangrijker: Helzel is mediamiek begaafd. Sinds zijn vijfde jaar kent hij de innere Schau.

Op 10 september 2001 ontving Helzel langs helderziende weg de volgende boodschap: 'Meine sehr verehrten Musikfreunde. Ik wend mij tot u om u te vragen of u gelooft in een leven na de dood (. . .). Het is twintig jaar geleden, dat mevrouw Brown haar laatste dictaten ontving. Ze leeft nog, maar is zo oud dat ze niet meer kan schrijven. Daarom richten wij ons nu tot de heer Helzel.' Was getekend: Franz Liszt.

Een absoluut betrouwbaar bericht, bezweert Helzel bij telefonische navraag in Hamburg. 'Ik wist op dat moment niet dat Frau Brown nog leefde. Dus hoe had ik die tekst dan kunnen verzinnen?'

Helzel ontdekte in 1985 dat hij 'innerlijke stemmen' kon horen, 'net als Frau Brown'. Hij bewonderde haar en stuurde een brief, maar kreeg nooit antwoord. 'Ze was al te oud.' Geïnspireerd door de aansporing van Liszt heeft hij de cd Musik aus dem Jenseits opgenomen, met veertig stukken uit Browns nalatenschap, die voor het merendeel niet eerder op de plaat verschenen. Helzel vindt zichzelf, net als Brown, geen geweldige pianist, maar speelt de stukken in op een aan een computer gekoppelde Yamaha-vleugel, waarop fouten en haperingen makkelijk kunnen worden hersteld.

Dat Liszt contact met hem opnam, heeft Helzel overdonderd. 'Maar zoiets komt natuurlijk nooit auf Wunsch.' Tot zijn spijt heeft de Hongaarse componist zich nog geen tweede keer gemeld. En anders dan Frau Brown kreeg hij bij het componeren tot dusver slechts bijstand van anonieme geesten. Beethoven en Bach lieten zich nog niet horen. Helzel: 'Ik wacht op de doorbraak.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden