Ons ego is nog jong

Het individualisme in kunst en cultuur bestaat nog maar kort. Het eigen ik speelt pas sinds de 18de eeuw een rol....

ALS DE GROTE retorische figuren verdwijnen na een heerschappij van meer dan tweeduizend jaar, komt het individu in eigen persoon tevoorschijn. Met zijn eigen taal. Aan de gezagscultuur lijkt een einde gekomen. De twee machtige retorische werelden zijn de klassieke oudheid en het christendom. Beide laten zich aanduiden in het beeld van een spiraal: ze ontwikkelen zich, maar blijven altijd in relatie tot wat voorafging, in bijna gelijkvormigheid.

Vanaf de 4de eeuw vervlechten de twee spiralen zich. Totdat aan hun veerkracht een einde komt, zullen zij niet meer gescheiden raken. Beide culturen hebben het spiegelkarakter dat voor een retorische cultuur kenmerkend is: het literaire werk weerkaatst een ideaal beeld; het individuele wordt aan dat ideaal gemeten. Voor het mensbeeld geldt hetzelfde. De mensen vertonen een even interhumaan beeld als de literatuur intertekstueel is.

Als een van de grote werken uit de late oudheid of het vroege christendom geldt de Belijdenissen van Augustinus. Bijna iedereen kent wel het begin:

'Groot zijt gij Heer, en ten zeerste lovenswaardig. Groot is uw macht en uw wijsheid heeft geen getal! En loven wil u een mens, een deel van uw schepping, ja, een mens die zijn sterfelijkheid met zich omdraagt, die met zich omdraagt het bewijs van zijn zonde en het bewijs, dat gij de hovaardigen weerstaat.' (Vertaling: Gerard Wijdeveld).

Dat is een gebed, waarin tot twee keer toe uit die kerkelijke gebeden bij uitstek, de Psalmen, wordt geciteerd. Een levensverhaal begint in het aangezicht van God, de Absolute. Het hele werk door zal de gebedsvorm gehandhaafd blijven: de bekentenis is tegelijk een loven van God, maar ook de diepste filosofische en theologische bespiegelingen worden in Gods licht gehouden. Aan Gods beeld van de mens wordt meteen aan het begin het eigen mensbeeld geconformeerd. Misschien is het 'een mens' het meest typerend: de spreker is een van de velen, aan de velen zeer gelijk, eerder een vertegenwoordiger dan een zelfstandig wezen.

Augustinus vertelt alles aan Degene die alles al weet en dat zal een schitterende retorische figuur blijven in de christelijk-religieuze poëzie. De schrijver van de Psalmen, die in de Belijdenissen zo'n grote rol spelen - de bijbelse retoriek is haast natuurlijk in de eigen taal opgenomen - ging in die paradox van het spreken tot God voor.

Aan alle kanten is deze bekentenis gebonden, vooral theologisch, maar uiteraard het meest door de aanwezigheid van God zelf. Die gebondenheid werd door de lezers van de vele eeuwen erna herkend, maar ook gedeeld. De Belijdenissen werd een voorbeeldig boek, zoals het trouwens, alle zeer persoonlijke zaken ten spijt, ook was geschreven. Het is een bevestiging en verdieping van het algemeen aanvaarde.

Wat waarschijnlijk het scherpst onderkend is, is samenhang van alles in God: de geschiedenis van de mensheid en van de individuele mens als het heilsverhaal van God. De opdracht van de mens is zich in die geschiedenis in te passen, waarbij hij heel veel van zijn individualiteit inlevert. Het doel is zijn opgaan in God. Maar dat betekent ook: ontindividualisering. In de schitterende retoriek van het religieus absolutisme gaat iedereen ten onder.

Het voorbeeldkarakter zal de hele geschiedschrijving gaan beïnvloeden. De geschiedenis verloopt zoals ze hoort te verlopen - naar het model van - en voor het mensenleven geldt hetzelfde. De biografie is exemplarisch, niet historisch. De hoofdfiguur is een beeld, geen individu.

De middeleeuwse hagiografieën spiegelen zich allemaal in elkaar: een litanie van alle heiligen. Het eerste heiligenleven, dat van Antonius de Kluizenaar, geschreven door Athanasius in de 3de eeuw, werd het voorbeeld. We zien, als in elke retorische cultuur, de topoi ontstaan, de vaste uitdrukkingen, gedachten en beelden, die de verkeerstekens zijn in een gesloten cultuur, gezagstekens niet minder. Ze versterken de geslotenheid van een gemeenschap.

De geslotenheid van cultuur en gemeenschap vond zijn uitdrukking en bevestiging op zijn sterkst in het kloosterleven, zoals dat aan het begin van de 6de eeuw onder de Regel van Benedictus vorm begon te krijgen. Gelijke monniken, gelijke kappen, het is bij uitstek de uitdrukking van ontindividualisering. De absolute meester is de abt, die de plaatsvervanger van Christus is in het klooster. Een gesloten structuur wordt altijd gekenmerkt door een hiërarchie, die absoluut is; dat geldt voor de maatschappij, de kerk, de ridderschap, de letteren, de theologie, de filosofie. Alleen al Augustinus kan voor de laatste twee een indrukwekkend voorbeeld zijn.

Wie buiten de retoriek van denken en geloven staat, wordt buiten de gemeenschap gezet. De traditie, dat gemeenschappelijke bezit bij uitstek, is in gevaar. Maar niet minder het eigen verleden, dat fundament van elke traditie, elke hiërarchie, van alle retoriek ook. De eeuwigheidswaarde is niet alleen de pretentie van het geloof geweest.

Misschien wel de boeiendste uitgestotene uit de middeleeuwen - hij was actief in de 12de eeuw - is Abélard. Dat in zijn vroege studiejaren de strijd tegen zijn leermeester centraal staat, is welhaast symbolisch. Hij is vervloekt, veroordeeld door het gezag. Hij is in veel opzichten een geniale eenling. In een brief aan een vriend, die De geschiedenis van mijn rampspoeden is gaan heten, heeft hij zijn leven beschreven, misschien wel de eerste moderne autobiografie, want niet 'een mens', maar 'deze mens' beschrijvend, die overigens vooral slachtoffer is van vele anderen. Het geschrift, dat ook een een apologia pro vita sua, is, is ook het verslag van het verweer van een eenling tegenover een gesloten gemeenschap.

De brief was bedoeld als troost aan de vriend: na lezing zou die weten dat zijn lijden geringer was dan dat van Abélard. Zelfmedelijden was hem niet vreemd. Die grote oorspronkelijke geest heeft overigens in zijn laatste brieven aan zijn Héloïse als troost ook niet meer te bieden dan theologische retoriek, een middel om zichzelf achter te verschuilen. Het algemene is weer zijn leer geworden.

HET KARAKTER van Dantes La vita nuova, dat altijd een plaats krijgt in de geschiedenis van de autobiografie, is misschien nooit bondiger beschreven dan in het begin van de inleiding van de Engelse vertaalster ervan, Barbara Reynolds: 'De Vita nuova is een verhandeling door een dichter, geschreven voor dichters, over de dichtkunst. Dat is niet de gebruikelijke visie, maar wanneer men het in dit licht ziet, vallen veel duidelijke tegenstrijdigheden op hun plaats. Het werk bestaat uit een keuze uit Dantes vroege gedichten - een keus die hij zelf maakte - gecombineerd met zijn eigen prozacommentaar. Dat commentaar is tweesoortig. Allereerst verhaalt Dante de gebeurtenissen en emoties die hem ertoe brachten elk gedicht te schrijven; vervolgens analyseert hij het gedicht schematisch naar de inhoud, tenzij hij meent dat de betekenis ervan al voldoende duidelijk is gemaakt.'

Zo is dit werk van Dante ineens een poëticaal werk. Reynolds verdedigt haar standpunt scherpzinnig in haar inleiding. Het poëticale acht zij de grote originaliteit van het boek. Wellicht is de geschiedenis van de persoonlijke bewustwording het oorspronkelijke en revolutionaire aan deze ars poetica. Maar die bewustwording is een zeer verhevene: het liefdesverhaal dat het boek ook is, is religieus-filosofisch geladen; dat geldt voor de figuur van Beatrice, voor Dante zelf, voor de liefde, voor de poëzie; het persoonlijke wordt vergeestelijkt tot het bovenpersoonlijke, het bijzondere verheven tot het algemene.

Alles in het boek figureert in een groter, bovenmenselijk geheel, waarmee de personen symbolisch worden, hoog uitstijgend boven hun biografische identiteit. Voor de taal van het proza geldt hetzelfde. Lees het begin: 'Bijna negen maal sinds mijn geboorte was de hemel des lichts, wat zijn eigen wenteling betreft, tot eenzelfde punt teruggekeerd, toen voor het eerst aan mijn ogen verscheen de begenadigde vrouwe mijner ziel, die door velen die haar verder niet kenden, Beatrice werd genoemd.' (Vertaling H.W.J.M. Keuls). Overgangen worden te gemakkelijk als breuken beschreven. Dante was maar iets minder dan veertig jaar ouder dan Petrarca. Zijn Divina Commedia heet de top van de middeleeuwse cultuur (een top met eeuwige sneeuw), Petrarca heet de eerste renaissancist, humanist en zelfs individualist. Vergeten wordt hoezeer de klassieke literatuur mede Dantes werk beheerst, opgenomen in het middeleeuwse christelijk denken, en hoezeer dat Petrarca's werk bepaalt en zijn grote hartstocht voor de klassieken doordringt, zozeer, dat de christelijke cultuur uitgebreid lijkt tot de eeuwen voor Christus! De gezagscultuur wordt een dubbele. En dat is kenmerkend voor de Renaissance, zoals een paar eeuwen van de grootste retoriek van de Europese cultuur bewijzen.

In de Renaissance ontstond het individualisme, werd vroeger geleerd. Maar de modellen zijn nog nooit zo talrijk geweest, in die dubbele macht van Apollo en Christus, van tempel en kerk. De verstrengeling van de twee spiralen werd sterker dan ooit. Als Petrarca iets is, is hij een schitterende dubbelfiguur en aldus voorbeeldig voor de komende eeuwen, die door twee Romes, die een prachtige schijnbare eenheid vormen, beheerst zullen worden.

Een boek springt uit de officiële literatuur met haar formele karakter in de lucht: de autobiografie van de beeldhouwer Benvenuto Cellini. Ze heeft lak aan elke autoriteit, is schaamteloos in haar directheid, de hoofdfiguur vergroot zichzelf mateloos, zijn leven kronkelt door stegen, vol gespuis. Een grandioze schelmenroman is het boek en hoe modern. Er is zonder twijfel een literatuurgeleerde die het in zijn ontkenning van alle hiërarchieën postmodern heeft genoemd.

De barok is de laatste algemene stijl, de laatste uiting van het absolute gezag ook. Kerk en staat, beide maakten de mens klein, in het visioen van het goddelijke en in het zicht op het vorstelijk en die twee samen. Nog altijd raakt men bedremmeld in kerken en paleizen, niet het minst door de gesuggereerde eindeloosheid, in ruimte en daardoor ook in de tijd. Na de barok gaan kerk en wereld definitief uiteen. De eerste zal nooit meer eigen vormen vinden en wordt cultureel een historisch verschijnsel (daardoor natuurlijk ook religieus), de tweede gaat verder en daarmee ook steeds verder af van de eerste.

In de 18de eeuw wordt de cultuur zelfstandig, hoe afhankelijk ze van de in haar strenge vormen herontdekte klassieke cultuur ook is. Maar aan de verstrengeling van de spiralen is een einde gekomen. De Verlichting heeft het goddelijk licht niet nodig. De secularisatie begint, ook in de cultuur. Die secularisatie maakt de mens voor het eerst een autonoom individu, even verwonderd (en vol inzichten!) over zichzelf als over de hem omringende wereld. De mens begon model voor zichzelf te staan.

In 1776 had een kleine gebeurtenis plaats die van een bijna universele symbolische betekenis is voor de eeuw. Jean-Jacques Rousseau had drie dialogen, waarin hij zelf de besproken figuur is, voltooid, Rousseau juge de Jean-Jacques is de titel ervan. Het geschrift is de uiting van een compleet paranoïde geest genoemd. Hij wilde het handschrift ervan neerleggen op het altaar van de Parijse Notre Dame. Hij vond het koorhek gesloten en concludeerde dat zelfs God zijn dialogen niet wenste aan te horen.

Wat een symboliek voor een zich steeds meer uit de cultuur terugtrekkende God, die doof blijkt alvorens een eeuw later dood verklaard te worden. Rousseau zal naar zichzelf moeten luisteren. Zes jaar later verschijnt het eerste deel van zijn Confessions, de eerste moderne autobiografie: de feiten worden verteld, maar ook de inwerking daarvan op zijn ziel. Een mens buigt zich voor het eerst, buiten alle grote retoriek van denken en schrijven om, op eigen gezag, over zichzelf, teneinde zichzelf te doorzien en aan zichzelf te verklaren.

De Confessions is de eerste geschiedenis van een ziel, de eerste grote uiting van individualisme ook in de westerse cultuur. Augustinus' Belijdenissen kreeg zijn geseculariseerde pendant. Na dertien eeuwen! Dit is het begin: 'Ik ga een onderneming aan waarvan geen voorbeeld in het verleden bestaat en de verwezenlijking geen navolger zal kennen. Ik wil aan mijn medeschepselen een mens laten zien in de volle waarheid van zijn natuur. En die mens ben ik. Ik alleen.' Dat is iets anders dan Augustinus' nederigheid. De gedachte aan de onmogelijkheid van navolgers is ijdel of getuigt van weinig zelfkennis, zou ik haast zeggen: achter een pionier komen altijd stoeten aan. In dit geval de hele romantiek!

De ban is gebroken. Misschien is deze openbaring, al meteen in de eerste zinnen, wel de meeste belangrijke: die van eigen uniekheid, geen voorgangers, geen navolgers, geen modellen dus. De eerste zes boeken worden het grootst en mooist geacht, ook om het lyrische karakter. In Rousseau maakt zich de ziel vrij, zoals in Voltaire zich het verstand vrij had gemaakt. De liberté van de Franse revolutie komt eraan. De oude wereld eindigt aan het einde van de 18de eeuw. Uit de bijna absolute retorische figuren komt een vrij individu tevoorschijn. Voorlopig alleen in de revolutie van de literatuur en in die heel korte die de Franse is. In verschraalde, maar niet minder oppressieve vorm zal de retoriek zich over velen tot in de 20ste eeuw handhaven, al lang niet meer in de literatuur en filosofie natuurlijk.

Pas in de tweede helft van de 20ste eeuw, als alle oude banden breken, wordt het individualisme democratisch, met nieuwe groepsvorming en een nieuwe retoriek als gevolg. Misschien is de moeilijkste opgave voor het individu individu te blijven.

De belangrijkste beweging in de kunst van de 20ste eeuw is het dadaïsme geweest. Het maakte in de beeldende kunst een definitief einde aan alle heersende retoriek en het gezag daarvan. Het hief alle normen op. En steeds als de kunst weer dreigt te verstarren in haar eigen modellen, komt er een nieuwe vorm van dadaïsme op, al zal het maar tegen de uniekheid van het individu zijn. Luceberts Gebundelde gedichten opent met de meest dodelijke aanval op het zelfcentrisme mij bekend, in de literatuur, maar natuurlijk op vele gebieden. Sonnet heet het smalste vers uit de Nederlandse poëzie (en, naar ik dacht, van de wereldpoëzie, maar er blijkt een gelijksoortig Hongaars gedicht te bestaan):

ik

mij

ik

mij

mij

ik

mij

ik

ik

ik

mijn

mijn

mijn

ik

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden