Onmerkbaar ontstegen aan de stilte

Voor de Noorse saxofonist Jan Garbarek heeft de jazz als inspiratiebron afgedaan. Louis Armstrong, Miles Davis: 'Prachtig allemaal, maar het is voorbij.' De huismuzikant van het ECM-label put liever uit de volksmuziek....

NA DAT VAN John Coltrane is het geluid van tenor- en sopraansaxofonist Jan Garbarek (1947) waarschijnlijk het meest geïmiteerd. Er is ook verwantschap tussen hen: het was de openbaring van Coltranes toon die de Noor als tiener tot de jazz bekeerde. De gloedvolle, bijna uitzinnige kreet van de Amerikaanse vernieuwer heeft hij overgenomen, maar ingetogener gemaakt, overtrokken met een laag helder ijs en vaak omgeven door bezonken stilte.

Na Coltrane ontdekte Garbarek de vrije expressie van tenorsaxofonisten als Albart Ayler en Archie Shepp, waarna hij de jazz steeds meer als één van meerdere uitgangspunten ging gebruiken voor strikt persoonlijke muziek. Op ruim twintig platen, alle opgenomen voor het Duitse ECM-label, mengde hij er elektronische klanken doorheen, volksmuziek uit diverse werelddelen, en elementen uit de klassieke traditie. Er ontstond een stijl die vele luisteraars met ECM associëren: ruimtelijk, eclectisch, met een kalme, meditatieve sfeer. Een populaire stijl - zijn nieuwe cd, de dubbelaar Rites, is een gebeurtenis waarnaar door velen reikhalzend is uitgekeken.

Op het kantoor van ECM in München (dat volhangt met gouden platen van Keith Jarrett) praat de ascetisch ogende, maar vriendelijke en geestige Garbarek over de tegenstellingen tussen hoofd en hart, directe communicatie en virtuoze abstractie, improvisatie en compositie, om zo de plaats waar zijn muziek zich bevindt te bepalen.

Het titelstuk, dat de dubbel-cd opent, bevat al meteen veel dat typisch Garbarek is: geluid dat nauw merkbaar opstijgt uit de stilte, exotische elementen, een sfeervol samengaan van traditionele instrumenten en elektronica. 'Vorig jaar was ik met mijn gezin op vakantie in India. We trokken door Rajasthan en kwamen bij een dorp aan een meer, Pushkar. Terwijl we daar zaten uit te kijken over het water zagen we dat het hele leven zich afspeelde aan dat meer: er werd gegeten en gedronken, de was gedaan, getrouwd, een lijk verbrand. Ik filmde alles, als een echte toerist, en toen ik thuis het resultaat bekeek viel me voor het eerst op dat er ook geluid op de band stond. Vogels, pratende mensen, maar ook in de verte de klank van trommels, muziek.

Ik heb er een sample van gemaakt, en daarmee begint Rites. De klank van een plek waar alle rituelen van het leven zich afspelen. En een paar andere stukken op de cd hebben ook betrekking op rituelen. In We Are The Stars zingt een jongenskoor een tekst van de Passamaquoddy indianen, over het begin van de volwassenheid. Een initiatieritueel. Daarna komt The Moon Over Mtatsminda, waarop ik helemaal niet meedoe, maar wat me zo raakte dat ik het toch op mijn plaat wilde. Jansug Kakhidze, een Georgische zanger en componist die ik heb leren kennen toen ik als gastsolist werkte met Giya Kancheli, zingt daarop over wat hij kort daarvoor heeft meegemaakt: een hartoperatie, gedachten aan de dood, en blijdschap omdat hij nog leefde. 'De maan was nog nooit zo mooi als vanavond.' Ook een soort overgang naar een volgende levensfase. En daarna komt dan een compositie van mijn vorig jaar overleden vriend Don Cherry, Malinye, dat ik speel als afscheid.

'Wat ik speel is steeds meer een weergave van wat ik gevonden heb, een emotie of een stemming, en geen zoektocht. Veel jazz probeert zo snel mogelijk ver weg te raken van de basis van het stuk. Ze spelen een mooie ballad als Round Midnight, en na het thema wordt meteen het tempo verviervoudigd, en worden er veel nootjes in het schema gepropt die voor de muzikanten misschien nog wel, maar voor de luisteraar al lang niet meer in verband staan met de melodie. De oorspronkelijke stemming is verdwenen, en het punt waar ze uitkomen is voor bijna alle nummers hetzelfde.

'Jazz is wat mij betreft een soort klassieke muziek geworden, een afgesloten periode, net als de barok. Lopend van net vóór Armstrong tot halverwege de carrière van Miles Davis. Prachtig allemaal, maar het is voorbij. Als ik eigentijdse jazz hoor, ken ik alle frasen, en ik weet meestal ook wanneer ze komen. Het is enorm voorspelbaar geworden. Je kunt wel gaan putten uit een ander vocabulaire, een nieuwe vorm bedenken, maar dan is het gaan jazz maar. Je moet je ook niet zo wanhopig vastklampen aan het verleden, zoals Wynton Marsalis doet.

'Mijn manier van improviseren vergt veel discipline en oefening, maar vestigt niet de aandacht op de techniek. Ik werk meer met versieringen van de melodie, omspelingen, variaties in dynamiek en frasering, bijvoorbeeld door een noot lang aan te houden en hem toch steeds een iets andere kleur te geven. Wat dat betreft sta ik dichter bij Louis Armstrong dan bij Charlie Parker, dichter bij Ben Webster dan bij Johnny Griffin. Als ik tegenwoordig nog naar Coltrane luister, is dat naar platen als Ballads, of die met Duke Ellington, waarop hij dichtbij de songs blijft.

'Mijn cd's en concerten zijn opgebouwd uit hele specifieke, afwisselende sferen, dus moeten de stukken ook niet te ver afdwalen van hun oorsprong. Daarvoor moet je de muzikale situatie goed in de hand hebben, en dat is een van de redenen waarom er op deze cd naast kwartetstukken ook opnamen staan die ik grotendeels in mijn eentje heb gemaakt. Ik werkte al een tijd zo, als ik soundtracks schreef voor film of televisie, en ik merkte steeds meer dat het resultaat me beviel, en dat er iets verloren ging of ondergesneeuwd raakte als ik er met anderen aan werkte. Sommige dingen kun je anderen niet uitleggen. En iedere muzikant die meedoet, wil iets toevoegen, ook als de muziek al vol genoeg is.

'Elektronica is onontbeerlijk als je zelf orkestraal klinkende muziek wilt maken. In feite is de synthesizer de laatste stap in een ontwikkeling die streeft naar steeds grotere beheersing van de klank. Het begon al met instrumenten als de piano: je tokkelt niet zelf meer op de snaar, dat doet een mechaniekje. Dus klinkt het telkens hetzelfde, telkens perfect.

'Toen ik ermee begon te werken waren synthesizers heel beperkt, eigenlijk alleen geschikt voor grove effecten op de achtergrond. Ik gebruikte ze bijvoorbeeld om de drones te imiteren die de viool vaak speelt in Scandinavische volksmuziek. Maar het geluid was te beroerd en de bediening te primitief om er meer mee te doen. Tegenwoordig zijn ze een stuk verfijnder, de toetsen reageren zelfs op minieme drukverschillen, zodat je een toucher kunt ontwikkelen. Op deze cd gebruik ik de synth voor het eerst een paar keer als solo-instrument; ik had lijnen ingespeeld met de bedoeling die later door die van de saxofoon te vervangen, maar ze klonken nu al zo goed dat ik ze heb laten zitten.

'Ik combineer elektronica vaak met melodieën uit de Noorse volksmuziek, en die van de Sami, en voor sommigen zit daar iets tegenstrijdigs in. Maar ik zie het zo: folk is nooit puur geweest, ze is voortdurend in beweging, de orale overlevering heeft telkens iets anders gemaakt van die liedjes, in elke afgelegen Noorse vallei. Dus als ik nu zou streven naar authenticiteit, gaan dat in tegen de geest van die muziek. En het went ook: vroeger mocht je die folkloristische dingen niet eens spelen op een sax, en dat baart nu geen opzien meer.

'Je verliest iets als je die oude bronnen aanpast, en je krijgt er iets voor terug. Grieg bewerkte volkse melodieën voor piano, daardoor klonken ze veel vlakker dan als ze gezongen werden, met alle blue notes en subtiele stembuigingen, maar hij voegde er weer rijkere akkoorden aan toe. Je moet uit de volksmuziek halen wat je gebruiken kunt. Net als Amerikaanse musici met de blues doen: aanpassen, naar zich toe trekken. Het heeft geen zin te doen of je een arme neger uit de Delta bent, Blind Joe Die-en-die.

'Veel muzikanten zijn bang voor de simpelheid van direct aansprekende melodieën, en durven ook niet lang in één stemming te blijven hangen. Ik ben daar toleranter in. Sommige ambient vind ik bijvoorbeeld erg mooi, al verlang ik na een tijd wel naar iets wat de stasis doorbreekt, een kreet, een contrast, iets wat aardser is.

'In wezen maakte ik in 1976 al een soort ambient op mijn plaat Dis, waar ik improviseer op de houten fluit tegen het geluid van een windharp, opgenomen aan de Noorse kust. Dat is een soort grote sigarenkist met dertig snaren, die in beweging worden gebracht door de wind. Je krijgt een soort duistere drone, steeds hetzelfde maar toch steeds andere, door de wisselende combinaties van boventonen. Zo ontstond een lange compositie waarin eigenlijk niets gebeurt, een benadering van stilte.

'De eigenaar van de windharp, die erdoor geobsedeerd was, had me op de radio gehoord en belde me op of ik iets met dat ding wilde doen. Ik zei: Heb je een bandje? Hij had wel duizenden bandjes, een kamer vol. Als het steeds net iets anders is, ben je nooit klaar met registreren, hè.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden