Les 2Voordelen afstandsonderwijs

Online onderwijs blijft: ‘Alleen de collega die thuis geen internet heeft, viel af’

Een docent wiskunde geeft online les vanuit haar klaslokaal. Vanwege de maatregelen rond de coronacrisis is haar school gesloten voor leerlingen.Beeld Hollandse Hoogte / Theo van Pelt

Als iets het onderwijs op zijn kop heeft gezet in coronatijd, is het wel het onderwijs op afstand. Het bleek zo gek nog niet. Wat nemen we, na alle hangouts, YouTubecolleges, en livestreams, mee de toekomst in? En wat vooral niet?

Als ‘jong broekie’ tussen de oudere docenten werd er nooit heel erg geluisterd naar de ict-ideeën van Jordi van Ditmar. ‘Ik was altijd de jongen met de wilde plannen’, zegt de natuurkundedocent en ict-coördinator van het Gymnasium Felisenum in Velsen-Zuid. ‘Maar nu, met het onderwijs op afstand, ben ik voor mijn school de redder. Ik roep nog steeds hetzelfde als jaren geleden, maar er is publiek dat naar me luistert.’

Optredens in klaslokalen en collegezalen werden ingeruild voor hangouts, YouTubelessen en livestreams, met een chatbox voor vragen/opmerkingen aan de leraar. Had Van Ditmar gedacht dat zijn gymnasium zich zo makkelijk zou aanpassen aan wat door corona noodgedwongen werkelijkheid werd? ‘In mijn stoutste dromen niet.’

Oude(re) leerkrachten gooiden de afgelopen maanden hun schroom overboord en doken het diepe in. Ze maakten leeromgevingen aan, beantwoordden vragen via de chat, namen filmpjes op en monteerden die nog zelf ook. ‘Wat me opviel bij collega’s, was de bereidheid om het te proberen’, zegt Van Ditmar. Alleen de ene collega die thuis geen internet heeft, viel natuurlijk af.

Het klassieke onderwijs, met een leerkracht in de klas, neemt weer wat meer zijn oude gedaante aan. Toch heeft het onderwijs op afstand zijn plek verworven, daarover is iedereen het wel eens. Wat moeten we daarvan zeker onthouden?

1. Wees interactief

Zenden, zenden en nog eens zenden. De eerste stapjes van veel docenten op het pad van het afstandsonderwijs, waren volgens Dirk Megens goedbedoeld. ‘Maar als je allemaal maar zendt, wordt iedereen knettergek. De studenten, maar ook de leraar’, zegt de docent op het ROC in Nijmegen.

Megens kan het weten. De Leraar van het Jaar in het mbo experimenteert al sinds 2013 met onlinefilmpjes waarin hij rekenles geeft. Die YouTubeclips zijn eenrichtingsverkeer – met hem in gesprek gaan kan niet. Maar op het ROC koppelt hij een les aan de video. ‘Dan kunnen studenten het filmpje vooraf bekijken, en er in de les dieper op ingaan. Via een chatbox kunnen ze dan vragen stellen.’

‘Onderwijs draait om de interactie met de kinderen’, zegt ook Menno Kolk, bovenbouwleerkracht op basisschool De Flambouw in Nigtevecht. ‘Door het delen van mijn scherm en hulpmiddelen als LessonUp konden we kinderen bevragen over een getallendictee, of spelling. Zij vulden dan het antwoord in, ik zag dat op mijn scherm en deelde het weer met de klas. Zo konden ze van elkaar leren.’

In dat opzicht lijkt een onlineles verrassend veel op een optreden in het klaslokaal. Kolk: ‘Onderwijs geef je ‘op inhoud’, waarna je nagaat of de leerling die inhoud begrijpt. Voor de klas ga je ook niet urenlang staan zenden zonder dat er wat terugkomt. Je moet kinderen kunnen volgen in hun denkstappen, de cognitieve belasting die ze krijgen moet acceptabel zijn. Daar kom je alleen achter door interactie te onderhouden.’

2. Durf jezelf bloot te geven – en hou rekening met gevoelens

Als cabaretiers voor een try-out. Zo voelden veel leerkrachten zich toen ze met knikkende knieën hun eerste onlineles aanzwengelden. Vooral die in het voortgezet onderwijs wisten niet wat ze van hun wispelturige puberpubliek konden verwachten. En inderdaad, van menig docent is achter zijn rug om een screenshot gemaakt of werd de microfoon dichtgezet.

Spannend? Zeker, zegt Irene van der Spoel, ‘onderwijsinnovator’ en docentenopleider aan de Hogeschool Utrecht. ‘Ik heb met bewondering naar collega’s gekeken die dit voor het eerst deden. Dertig pubers die kijken hoe je het ervanaf brengt, en met een beetje geluk zitten hun ouders ernaast.’

‘Ik heb mezelf als achtergrond gezien op iemands telefoon’, herinnert Van Ditmar zich. ‘Al ben ik een minder populair doelwit dan oudere collega’s, omdat ik qua leeftijd wat dichter bij de leerlingen sta.’

Waar de ene school (of leerkracht) zijn leerlingen per se wil kunnen zien tijdens de les, mogen elders de camera’s uit. Met twaalf zwarte vlakken als uitzicht tot gevolg. Een collega van Megens op het ROC die een studente vroeg waarom ze tijdens de les haar camera uit had staan, kreeg een eerlijk antwoord: ze lag in bad.

Frustrerend allemaal. Maar dat wil niet zeggen dat leerlingen niet op jou zitten te wachten, zegt Van der Spoel. Dat ze stil zijn in de chatbox, heeft waarschijnlijk een andere reden: niemand durft op zijn gezicht te gaan, als de rest van de klas  kan meelezen. Via de tool die zij gebruikt, krijgt alleen zij de antwoorden op een vraag te zien, waarna ze er drie met de klas bespreekt. ‘Dan is iedereen betrokken, maar niemand lijdt gezichtsverlies.’

3. Gelikte computers zijn mooi, maar het gaat om de inhoud

Grinnikend denkt Dirk Megens terug aan die keer dat hij zeven jaar geleden bij de mediatheek van het ROC een camera leende voor zijn eerste rekenfilmpje. ‘Houtje-touwtje was het.’ De laatste weken zag hij collega’s voor hun onlinelessen tegen dezelfde problemen aanlopen. ‘Gelukkig heeft het onderwijs qua technologie een flinke slag gemaakt ten opzichte van de tijd dat ik begon.’

Er wordt nogal eens gewezen op de verouderde computers als Zoomlessen vastliepen en de docent als een blokkendoos in beeld kwam. Al ligt dat waarschijnlijk eerder aan de internetverbinding: als iedereen zijn camera aan heeft, wordt die er bepaald niet sneller op. 

Apparatuur hoeft echt niet heel ‘fancy’ te zijn voor onlineonderwijs, zegt Megens. ‘Als het maar werkt, daar gaat het om. In mijn meest bekeken video op YouTube zie je mij bijna niet, hij is niet bewerkt en conciërge Frans komt voorbijgelopen. Waar het om gaat, is wat je vertelt.’

Als bovenschools ict’er kreeg Kolk van zijn schoolbestuur de vraag hoe het afstandsonderwijs op zestien scholen van dezelfde koepel moest worden ingericht. ‘Ik heb me toen afgevraagd: wat heb je per se nodig? Contact met de kinderen en interactie staan op één. Dat het een beetje gestroomlijnd verloopt, komt pas daarna. Leuk, al die iPadscholen of Chromebookscholen, maar het gaat om de inhoud. Daarmee boei je leerlingen, niet met de middelen.’

4. Vraag feedback

Wie online lesgeeft, kan het gevoel hebben dat hij tegen een muur aan het praten is. Zeker als behalve de microfoons, ook de webcams van alle leerlingen op zwart staan.

Irene van der Spoel merkte al snel het verschil: lesgeven in een klaslokaal geeft energie, doceren via de webcam slurpt juist energie. ‘Online sluit je de chat af met een berichtje: dankjewel, nog een fijne dag. Ik krijg niet hetzelfde terug van een klas, terwijl ik wel hetzelfde investeer.’

Voor een deel wen je daar als leerkracht aan. Maar het kan geen kwaad om feedback van je leerlingen of studenten te vragen, zegt Van der Spoel. ‘Ik heb in mijn eerste les gezegd: ik heb iets bedacht en ik hoop dat jullie het leuk vinden. Laat me vooral weten wat er goed en minder goed gaat. Veel mensen vinden het eng om zoiets te vragen, maar mij geeft het juist houvast.’

Nu de klaslokalen in Nederland beetje bij beetje weer opengaan, is het tijd voor een eerste balans. Wat hebben we geleerd van het afstandsonderwijs? Hoe ziet de toekomst van de docent eruit? Over de magie van het klaslokaal en hoe docenten opbloeien als ze professionele ruimte krijgen. De negen belangrijkste lessen op een rij.