Onherstelbaar beschadigd

Ze zijn als kind geadopteerd, uit Colombia en Haïti. Nu zijn Judy Bralds en Marcia Engel volwassen. Met hun Nederlandse ouders hebben ze bijna geen contact meer....

Judy Bralds (33, marketeer) werd geboren in Haïti en op zijn 9de door een Nederlands echtpaar geadopteerd. Hij heeft een vriendin en woont in een dorp in Zuid-Holland.

‘Toen ik uit het vliegtuig in de slurf stapte, was het zo koud dat mijn adem wolkjes vormde. Dat is mijn eerste herinnering aan Nederland. Die wolkjes uit je mond, dat hadden mijn vriendje Leslie en ik nog nooit gezien. We gingen meteen heel stoer zogenaamd sigaretten lopen roken. En toen we in de aankomsthal witte mensen zagen die ons bij de arm pakten, rukten we ons los en holden we er keihard vandoor. Dat we gescheiden zouden worden, hadden we ons niet gerealiseerd toen we samen in het kindertehuis in Haïti fantaseerden over een rijk land, met rijke mensen, waar altijd genoeg te eten zou zijn. Maar we ontkwamen er niet aan natuurlijk. We werden in de auto gestopt bij die wildvreemde mensen. Hij ging naar Zeeland. Ik naar een dorp in Drenthe. Het huis was versierd en er was veel bezoek, allemaal mensen die naar me kwamen kijken. Van de buren, boeren, kreeg ik een speelgoedtractor. Dat maakte zo’n indruk, ik heb hem nog steeds. Thuis wachtte ook een zes jaar ouder zusje, het biologisch eigen kind van mijn ouders. Mijn adoptievader was leraar, mijn moeder pedicure. Het was februari toen ik daar kwam. Het sneeuwde. Alles was onbekend voor me: het eten, het landschap, de huizen. Alleen de televisie, die kende ik uit het kindertehuis.

Een mooi, rustig dorp wel, ik was graag buiten. Ik was het enige donkere kind. Iedereen was aardig; de meesters op school, de mensen in winkels – ze kenden me al snel. En ik was ook heel aardig – buiten het gezin dan. Ik had twee gezichten: in het dorp was ik het goedlachse, sympathieke jongetje dat zich snel aanpaste en gretig leerde. Bij mijn adoptieouders was ik de eerste tijd nukkig en opstandig. Ik kreeg nachtmerries, leverde elke nacht gevechten met monsters Maar daar praatte ik niet over. Ik praatte nergens over. Ik was woedend en verdrietig, maar ik kon al die gevoelens niet behappen. Ik wist alleen maar dat er iets niet goed zat. Het was zo surrealistisch – ik was zomaar uit mijn vorige leven weggerukt. Op Haïti had ik een oudere zus, twee jongere zusjes en een broertje van een half jaar. Ik weet niet meer hoe ze heten. Alleen van mijn jongste zusje is de naam blijven hangen, Marie, ik weet niet waarom ik juist haar naam herinner. Mijn vader heet Lexia – zo spreek je het uit in elk geval, ik weet niet hoe je het schrijft.

Ik was een vaderskindje; waar hij ging, was ik ook. Voor school was geen geld, ik hielp mee op zijn landje. Of ik haalde water voor ons, dat was een taak van een halve dag: twee uur lopen naar de bron, twee uur terug met die zware kruik. Vaak was er alleen water en maïsmeel om te te eten en te drinken. En af en toe een vogeltje dat we zelf vingen met een katapult. We roosterden het dan boven een vuurtje. Mmm, lekkere vogeltjes waren dat.

De zondag was een feestdag. Muziek, hanengevechten, domino spelen – hoe arm je ook bent op Haïti, van de zondag maak je iets. Naar de kerk gingen we niet; we hingen voodoo aan. Flarden van herinneringen zijn het, dat we bij volle maan met een hele groep naar het bos gingen. De geitenkoppen die als offers in de bomen werden gehangen, de oude mannen en vrouwen die compleet in trance raakten onder invloed van veel alcohol.

Al die herinneringen stopte ik weg, de eerste jaren in Nederland. Wat had je eraan? Niemand vroeg ernaar en ik wílde het ook allemaal vergeten. Want na een tijdje worstelen heb ik bewust een knop omgezet: ik ben nu hier en ik moet er híér wat van maken. Ik begon me aan te passen. Tot in het extreme, vind ik nu. Ik heb er alles aan gedaan een blanke man te kopiëren. Ik sprak net zo Drents als de jongens in het dorp, ging net zo dansen als zij: een houterig pasje naar links en een pasje naar rechts, in plaats van zwoel met mijn heupen te bewegen. En ik lachte alles weg. Als iemand zei: ‘Nou, jij hebt een lekker kleurtje, zeker op vakantie geweest?’, was ik degene die het hardst lachte. Altijd eerst een stukje vernedering, snap je, in ruil om er maar bij te horen.

Thuis paste ik me ook beter aan. Met mijn adoptiemoeder kreeg ik een heel hechte band. Mijn adoptieouders hadden een kind verloren, een jongen van 14, die voor de deur is verongelukt. Mijn moeder is nooit over zijn dood heengekomen. Ze dronk – ik herkende een pijn in haar die ik ook in mezelf droeg. We voerden indringende gesprekken. Ik wilde haar helpen, probeerde haar te laten stoppen met drinken. Tevergeefs. Uiteindelijk zijn mijn ouders gescheiden, mede op aandringen van mijn zus en mij: ‘Pappa’, zeiden we, ‘dit gaat zo niet langer, je gaat er nog aan onderdoor.’ Een paar jaar later is ze overleden. Waaraan precies weet niemand, maar er waren drank en pillen in het spel.

Mijn zus ging het huis uit, ik bleef bij mijn adoptievader wonen. Dat ging goed. We groeiden dichter naar elkaar toe, we spraken met elkaar als vrienden. Na de dood van mijn adoptiemoeder, toen ik begin 20 was, zijn we samen drie weken naar Haïti geweest. Dat was voor mij heel dubbel: veel herkenning aan de ene kant, maar tegelijkertijd vervloekte ik het allemaal. Bij iedere jongen van mijn leeftijd die ik zag, dacht ik: hij is gewoon hier opgegroeid, waarom ik niet? Wat is er toch allemaal met me gebeurd? Toen ik een kind van een jaar of 8 was, werd ik ziek. Hartklachten, werd toen gezegd. Ondervoeding, denk ik achteraf. Om de honger te verdrijven kauwde ik de hele dag op steentjes. Ook lavasteentjes – die branden je hele binnenkant weg, dat zal mijn gezondheid geen goed hebben gedaan. Mijn vader bracht me naar het ziekenhuis in Port-au-Prince, op een dag lopen van ons huis. Daar heb ik ruim een half jaar gelegen. Aan het begin kwamen mijn ouders me nog regelmatig bezoeken, maar op het laatst bleven ze steeds langer weg. Toen het beter met me ging, moest ik weg uit dat ziekenhuis om plaats te maken voor ziekere kinderen. Zo kwam ik dus in een kindertehuis terecht; mijn ouders lieten niets van zich horen. Ik heb nooit geweten waarom. Elke dag stond ik bij de poort uit te kijken of ze kwamen. Maar ze zijn niet gekomen. Ik weet wel dat ik ooit eens met mijn vader op zijn landje stond en er een vliegtuig overkwam. Hij zei toen: ‘Als je dáár in zit, heb je het goed voor elkaar.’ Ik denk dat hij ook nog iets zei over ‘ijzeren vogel’, maar het kan zijn dat ik dat er later bij bedacht heb. Ik heb er voor mezelf een verhaal van gemaakt. Een verklaring, dat ze me uit liefde hebben laten adopteren. Toen ik bijna 10 werd, moest ik weg uit het tehuis, ik werd te oud. Mijn vriendje Leslie en ik kregen letterlijk de keus: de straat op of naar nieuwe ouders, in een rijke wereld waar je nooit honger had. Dat laatste, natuurlijk. We zagen het voor ons: weldoorvoede mensen in grote, stoffen stoelen – dat kenden we van de televisie.

Vorig jaar ben ik teruggegaan naar Haïti. Mijn biologische ouders heb ik er niet gevonden; ik weet geen naam, geen adres, van de gegevens in mijn adoptiedossier klopt niet veel. En Spoorloos doet geen zaken met Haïti, dus daar hoef ik ook niet aan te kloppen. Maar mijn jeugd, het land, mijn familie daar; het houdt me nog steeds voortdurend bezig. Met mijn adoptievader en -zus heb ik momenteel geen contact. Ik kan het niet opbrengen. Er is geen ruzie, maar ik heb geen ruimte in mijn kop. Sinds ik zo bezig ben met mijn roots, moest ik de wereld hier even verlaten. Zoiets is het, en ik herken het ook bij andere geadopteerden: de neiging om af en toe te verdwijnen.

De avond voor Kerst stuurde mijn zus me een mailtje: dat ze Kerst gingen vieren, dat ik van harte welkom was. Ik heb niet kunnen reageren. Ik vind het heel erg, maar het is alsof ik een blokkade heb. Ik weet nog wel dat de Colombiaanse adoptiezoon van vrienden van mijn ouders zomaar op een dag wegliep en niets meer van zich liet horen. Ik dacht toen: wat verschrikkelijk voor die mensen, dat dóe je niet. En nu doe ik het zelf. Mijn adoptievader begrijpt het niet, hij noemt me contactgestoord. En daar zit misschien wel iets in; lange relaties gaan me niet goed af. Maar nu heb ik alweer een tijd een vriendin. Met haar hoop ik over vijf jaar op Haïti te wonen. Ik ben bezig met een stichting, Haïti Contact, om het leven van straatkinderen daar te verbeteren: de eerste levensbehoeften, scholing en sport. Ik weet nog hoe we als jongetjes voetbalden met proppen papier in een netje. Een leren bal, man, dat wás wat.’

Marcia Engel (29) heeft een vriend en woont met haar zoontjes van 9 en 7 in Amsterdam. Ze is geboren in Colombia; toen ze 2 was, is ze geadopteerd. ‘Ik heb als kind heel lang niet geweten dat ik was geadopteerd. Ik voelde op een gegeven moment dat er iets niet klopte, maar officieel wist ik van niets. Natuurlijk, ik had een andere huidskleur dan mijn ouders, broer en zus, en ja, kinderen op school vroegen daar ook wel naar, maar dan zei ik verontwaardigd dat ik nu eenmaal wat donkerder geboren was. Want over de adoptie werd thuis niet gepraat. Pas toen ik 11 was heeft mijn moeder het me met zoveel woorden verteld: ‘Maar lieverd, jij komt niet uit mijn buik.’ We zaten in een restaurant op Kreta, op vakantie met het hele gezin. Ik weet het nog heel goed. Alles draaide om me heen, de grond zakte echt onder mijn voeten vandaan. Ik wist het, ik had het altijd geweten, maar nu het bevestigd werd, raakte ik compleet in de war. Waarom was er al die tijd tegen me gelogen? Een paar jaar eerder was ik al door het huis gaan snuffelen en had ik papieren gevonden waarop er over een pleegdochter werd gerept – voor je officieel geadopteerd word, ben je namelijk een tijdje pleegkind. Marta Patrizia Martinez. Ik snapte er niets van. Was er misschien nog een ander meisje in ons gezin geweest? En was ik in haar plaats gekomen? Ik voelde ergens wel dat het over mij ging, maar toen ik mijn moeder ernaar vroeg, wuifde ze het weg, ze zei dat er een foutje was gemaakt. Ik was 9. Dan neem je dat aan.

Met de beste bedoelingen hebben mijn adoptieouders me zo lang niets verteld, ongetwijfeld. Ze deden het om me te beschermen. Nu volgen aspirant-adoptieouders cursussen, ze weten dat ze de cultuur van hun kind een plaats moeten geven. Er wordt, als het goed is, over gepraat. Maar toen ik klein was, was dat heel anders. Je nam een kind aan en voedde dat op alsof het je eigen kind was; zo leek het het beste en daarmee was de kous af.

Mijn ouders hadden al twee biologisch eigen kinderen. Ze hebben me uit idealisme geadopteerd. Ze deden het om een arm, zielig kind een beter leven te geven – maar wie zegt dat ik zieliger was geweest als ik in Colombia was gebleven?

In 2006 heb ik mijn biologische ouders gevonden via het weeshuis dat in mijn adoptiepapieren stond vermeld. Ik heb ze ontmoet, allebei, mijn vader en mijn moeder. Mijn moeder was 17 toen ze me kreeg, ze had geen relatie met mijn biologische vader. Omdat ze zo jong was en niet voor me kon zorgen, heeft ze me achtergelaten bij een vriendin van haar. Die heeft me na een paar maanden bij de politie gebracht en toen mijn moeder me weer wilde komen halen, zat ik al in een weeshuis. Toen was ik niet meer te traceren. Dat is tenminste wat ze me heeft verteld, maar als ik dóórvraag, blijkt niet alles te kloppen. Zo zegt ze dat ze me heel even bij die vriendin heeft achtergelaten toen ik 11 maanden was, omdat zij moest werken. Maar uit mijn papieren blijkt dat ik al met 5 maanden bij het politiebureau werd gebracht. Wéér een moeder die me niet de waarheid vertelt. Ze denken waarschijnlijk: sommige dingen kun je beter verzwijgen. Maar de onwetendheid is erger.

Toen ik eenmaal zeker wist dat ik was geadopteerd, brak er een slechte tijd aan. Ik werd dwars, had voortdurend ruzie met mijn ouders, vooral met mijn moeder. Ik deed veel stiekem, ik zat de hele dag op mijn kamer. En ik loog. Om alles. Ook om dingen waar je helemaal niet om hoeft te liegen. Als mijn moeder vroeg: ‘Heb je de mayonaise gezien?’, zei ik nee, terwijl de pot op mijn kamer stond. Ik at op mijn kamer, ik hamsterde – een trekje van veel geadopteerden. Op school begon ik te spieken, ik deed mijn best niet, ik ruimde mijn kamer niet op en ik begon mijn ouders af te luisteren hoe ze over me praatten. Zelfkwellling natuurlijk, want ik was onhandelbaar. Ik was zó boos, vooral op mijn moeder, al kon ik dat toen niet zo benoemen. Met mijn vader was het anders. Mijn ouders hadden een restaurant en doordat mijn vader daar zo hard werkte, kwam de opvoeding voor het grootste deel op mijn moeder neer. Zij kookte, zij bracht ons naar school, zij nam de meeste beslissingen. Mijn vader hield zich een beetje afzijdig. Hij was relaxter, van hem mochten we veel meer. Ik weet nu dat juist daarom al mijn woede zich op mijn moeder richtte: met haar had ik een intensievere band.

‘Ik háát je’, riep ik tegen mijn moeder. Als mijn kinderen dat roepen, geef ik ze een knuffel, want juist dan hebben ze liefde nodig. Maar mijn moeder kon dat niet. Ik vroeg haar: ‘Waar is je onvoorwaardelijke liefde gebleven?’ Ze antwoordde: ‘Dat is niet zo makkelijk met een kind als jij.’ Ik verwijt haar nu niets meer. Ze had het zwaar: een lastige dochter, nog twee andere kinderen, een restaurant waarin ze keihard meewerkte. Maar toen zag ik dat natuurlijk niet. Ik was alleen maar boos. Omdat ze me niet de waarheid had verteld en omdat ze me weggehaald had bij mijn echte familie, waar ik dagenlang over fantaseerde. Ik had het recht om kwaad te zijn, vond ik. Pas later ben ik me gaan realiseren dat ik zo kwaad was omdat ik niet geadopteerd wilde zijn. Ik wilde normaal zijn, een normaal leven leiden, gelukkig zijn, net als andere kinderen. Maar dat was ik niet: er was iets verkeerd aan mijn leven. Er was iets verkeerd aan míj.

Toen mijn ouders gingen scheiden, ben ik bij mijn vader gaan wonen. Later ben ik in een pleeggezin terechtgekomen en nog later in een leefgroep van jeugdzorg. Mijn vader was altijd aan het werk, hij kon niet voor een puber zorgen. Maar het contact is nooit verbroken. Hij stond altijd voor me klaar als ik in de problemen zat. Toen ik gestolen had bij de HEMA, kwam hij me halen. Hij was teleurgesteld, maar niet woedend. Hij zei niet: ‘Je bent mijn dochter niet.’ Ik heb altijd de neiging gehad om me vast te klampen aan mensen. In vriendschappen gaf ik mijn hart en mijn ziel; als iemand een afspraak vergat, kon ik flippen. En in relaties ging het net zo. Ik heb samengewoond met een Pakistaanse jongen die extreem jaloers en bezitterig was. Daar kwam ik wel tegen in opstand, hoor: ik wilde me niet laten vertellen hoe ik moest lopen en wat ik moest dragen. Maar ik heb het toch een tijd laten gebeuren. Pas toen ik zwanger van hem was, lukte het me met die relatie te kappen. En weer was mijn vader er voor me. Met mijn moeder heb ik sinds een paar jaar helemaal geen contact meer. We hebben het geprobeerd, maar het gaat niet, er is te veel gebeurd. Ik weet niet – misschien verlangde ik naar mijn biologische moeder. Of nee, ik verlangde ook naar haar, maar het was alsof ze me niet kon geven wat ik nodig heb. En ik kan haar niet geven wat zij nodig heeft. Ik weet dat al die boosheid niet gegrond was, niemand is perfect, ik ben ook geen perfecte moeder. Maar er is iets onherstelbaar beschadigd.

Toch beschouw ik haar nog steeds als mijn moeder. Méér misschien dan mijn moeder in Colombia. Ook met haar heb ik contact, omdat ze me als reddende engel, als bron van inkomsten ging beschouwen. Ze mailt me af en toe: ‘Prinsesje, neem contact op!’ Dan smelt ik toch weer. Ze accepteert niet dat ik afstand neem. Dat zou ik in iedere moeder willen zien.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.