Ongrijpbaar web van geheime tuinen

Wat maakt Fransen zo fijn Frans? Niemand die het echt weet, inclusief de Fransen zelf. Na zes jaar correspondentschap doet Ariejan Korteweg bij wijze van slotstuk een poging tot verklaren. De meeste clichés kloppen om te beginnen in elk geval níét.

Samen met Buffalo Bill, die maandenlang elke dag dertigduizend bezoekers trok voor zijn wildwestshow en als eregast werd uitgenodigd bij alle galadiners, was de uitvinder Thomas Edison de beroemdste Amerikaanse bezoeker van de wereldtentoonstelling van 1889. Edison, die nooit eerder Europa had bezocht, was diep onder de indruk van de noviteiten, paviljoens en gebouwen die hij in Parijs aantrof. Maar hij verbaasde zich ook hogelijk. Toen een Britse journalist hem vroeg wat hij zoal van de Fransen vond, nam Edison geen blad voor de mond: 'Wat me enorm treft is de absolute luiheid van de mensen. Wanneer werken ze? Wat voor werk doen ze? Ik heb nog geen karrevracht met handelswaar door de straten zien rijden sinds ik in Parijs kwam. Die ingenieurs die me komen opzoeken, piekfijn gekleed, wandelstok in de hand, wanneer gaan ze aan de slag? Ik snap er niets van.'


Waarna de heren gingen lunchen in restaurant Brébant op de vlak daarvoor opgeleverde Eiffeltoren. Daar schoof Edison zijn eerdere scepsis terzijde. 'De toren is een geweldig idee. Ik hou van de Fransen, ze denken groot', zei hij, genietend van het uitzicht. Dezelfde dag nog nam hij zich voor in New York een toren te bouwen van twee maal Eiffels formaat.


Frankrijk was toen de vierde economie van de wereld, net na de Verenigde Staten. Er zijn sindsdien 125 jaren verstreken, en Frankrijk behoort nog steeds tot de vijf grootste economieën. Hoe dat mogelijk is, daarop staren economen, ondernemers en buitenstaanders zich al decennia blind. Natuurlijk wist Edison dat hij de plank mis sloeg toen hij de Fransen lui noemde. De wereldexpo met zijn paviljoens was niet na een nacht regen spontaan uit de grond gespoten, de Eiffeltoren nog minder. Edison verkeek zich op een Franse vaardigheid die ook mij lang in verwarring heeft gebracht: een geweldige bedrevenheid te doen alsof ze niets doen, alsof de tijd van hen is en ze die naar believen kunnen uitrekken en samenballen.


Dat werkt een beeldvorming in de hand die niet altijd recht doet aan de werkelijkheid. Zo wordt er, anders dan het cliché wil, in Frankrijk hard gewerkt. Vergelijkende studies wijzen telkens weer uit dat de arbeidsproductiviteit nergens hoger ligt. Per uur lag die in 2011 volgens de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) op 45,4 euro. Ter vergelijking, eeuwige rivaal Duitsland haalde een productiviteit van 42,3 euro, de VS 41,5 euro.


Tegelijk is het hele systeem erop gericht de arbeidstijd zo veel mogelijk te beperken. Als enige land ter wereld kent Frankrijk een officiële werkweek van 35 uur. Wat niet wil zeggen dat iedereen 35 uur werkt. Het gemiddelde lag in 2010 volgens Eurostat op 35,2 uur, meer dan in Nederland of Zweden. Maar 35 uur is en blijft de norm.


Zo zou je veel clichés over Frankrijk kunnen ontkrachten. De vraag is of je dat moet doen. Frankrijk is een land van raadselen. Dat was het voor Edison, dat is het voor Obama, die onlangs president Hollande nog Oelan noemde. Na een zes jaar durende onderdompeling is het dat ook nog steeds voor mij.


Zelfs voor zichzelf zijn de Fransen vaak een raadsel. Ze zijn verzot op boeken en tijdschriften waarin ze elkaar hun eigenaardigheden proberen te verklaren. 'Bestaat er zoiets als een Franse geest', is dan de titel. Of: 'Zijn de Fransen wel normaal - 33 redenen om eraan te twijfelen'. Of anders: 'Die vreemde Fransen'. Van de vooraanstaande sociologen Hervé Le Bras en Emmanuel Todd verscheen onlangs Le mystère français - het Franse geheim. Ook zij slagen er, ondanks een overdaad aan bewijsmateriaal, niet in het Franse raadsel voor eens en altijd op te lossen.


Neem Parijs. Zo op het oog een voorname stad, met grote huizen van wel zeven verdiepingen hoog - onder het dak de kamers voor de dienstmeisjes - waar de mensen ruim wonen. De werkelijkheid is anders. Achter die grote ramen en monumentale deuren gaan vaak minuscule appartementen met piepkleine keukentjes schuil. Waarmee meteen een eigenschap in zicht komt die ik zeer heb leren waarderen: de Fransman weet van weinig iets moois te maken.


Parijzenaars met een voordeur aan de straat zijn een grote zeldzaamheid. De straatdeur is gemeenschappelijk. Daarachter gaat een besloten wereldje schuil, dat de cour heet. Vaak heeft zo'n binnenplaats de gedaante van een straatje met bomen, of van een plein met een tuintje waarop weer andere deuren uitkomen. Aan zo'n straatje wonen tientallen mensen, die samen een ingang delen, en ook een conciërge, die gardienne wordt genoemd en doorgaans uit Portugal komt. Woon je, zoals wij, aan de binnenkant van zo'n straatje, dan dringt het geluid van de stad gedempt door. Zo bestaat Parijs eigenlijk uit duizenden tegen elkaar aan geplakte dorpjes. Met voor elke Parijzenaar zijn jardin secret, zijn geheime tuin, die je alleen kunt betreden als je weet hoe het werkt. Wie de digicode van de buitendeur niet kent en ook die van het appartement niet heeft, zal buitengesloten blijven.


Het hele land is in overdrachtelijke zin te beschrijven als een netwerk van geheime tuinen. De beroemdste is die van de buitenechtelijke liefde. In Frankrijk wordt een dubbelzinnigheid gekoesterd die in landen met een protestantse traditie niet bestaat. Die ambiguïteit - de Fransen zelf spreken liever van galanterie - heeft een grote invloed op het dagelijks leven, en vooral op de omgang van mannen en vrouwen. Eraan gepaard gaat een groot talent om te complimenteren. Puntschoenen, taalbeheersing, engelengeduld, de tafelmanieren van de dochters of hun lange blonde haren - alles kan aanleiding zijn voor een aardige opmerking. Als mijn vrouw terugkomt uit de stad en trots vertelt dat ze in een winkel is aangezien voor de actrice - kom, hoe heet ze - die een schoonzus van Roman Polanski is, heeft de dubbelzinnigheid ruim baan.


'In Frankrijk worden veel meer avances gemaakt; met blikken, met opmerkingen. De bakker kan zeggen dat je haar zo leuk zit vandaag', vertelt Sophie Perrier, een Française die tien jaar in Nederland woonde. Ze schreef er het geruchtmakende De mannen van Nederland, gebaseerd op gesprekken met 35 vrouwen. In Nederland miste ze het flirten. 'Het is toch leuk als iemand zegt dat je een mooie jurk aan hebt. Daar hoeft niet meteen een affaire uit voort te komen. Nederland is correct, maar ook saai. Het openbare leven in Frankrijk is wel zo charmant.'


Die verleiding schuilt niet alleen in de blikken op straat of de voorzichtige toenaderingen in een café, maar in alles wat de zinnen in beweging brengt: chocola, parfum, een zacht geurend kaasje, een etalage, het ruisen van een jurk, een oude leren stoel, de art-nouveau-ingangen van de Parijse metro...


Soms leidt al die dubbelzinnigheid tot ongelukken. Dan krijg je schrijnende gevallen als Dominique Strauss-Kahn, die zichtbaar maakte hoe verleiding kan overgaan in machtsmisbruik. Het meest schokkende was niet dat hij zich aan een dienstmeisje vergreep, maar dat het voor hem kennelijk volstrekt vanzelfsprekend was dat alle vrouwen genegen zijn tegemoet te komen aan de seksuele verlangens van een machtig man op leeftijd als hij. Zijn gedrag zette de Fransen aan tot een kort moment van introspectie. Inmiddels worden vrouwelijke parlementsleden in rok of jurk weer nagefloten door hun mannelijke collega's, net als vroeger.


Een heel ander type geheime tuin vormt het platteland. Iedere Fransman zal het beamen: waar je ook heen gaat in Frankrijk, overal is het goed toeven. Dat versterkt het gevoel dat ze de rest van de wereld niet nodig hebben. Ze gaan in eigen land op vakantie, ze eten en drinken van eigen bodem. De Fransen zijn graag selfsupporting, kun je zeggen als je die houding welwillend benadert. Er spelen wellicht ook andere motieven: de ander wordt te weinig vertrouwd om er afhankelijk van te willen zijn.


Over het land ligt een fijnmazig netwerk van voorzieningen: Frankrijk telt 36.568 zelfstandige gemeenten; ter vergelijking: Nederland, met vier maal minder inwoners, heeft er nog 408. Het platteland is bespikkeld met dorpen die elk hun gemeentehuis en hun postkantoor hebben, en vaak ook nog hun kruidenier en hun dorpscafé. Doorgaans staat er een knap Romaans kerkje met gebeeldhouwd portaal en niet ver daarvandaan een fontein uit de 15de eeuw. Verspreid over heuvels en dalen liggen de door bomen omgeven boerderijen, waar geitenkaasjes vandaan komen, morellen worden geteeld, een mousserende wijn wordt gemaakt of een kleine variant zeer smakelijke aardbeien groeit.


Dat alles wordt in stand gehouden door een systeem dat functioneert als een verlichte variant van het Oostblok toen het IJzeren Gordijn nog hing. Geen aspect van het publieke leven onttrekt zich aan de bemoeienis van de staat. Het onderhoud van dat Romaanse kerkje komt voor rekening van de overheid, dat is in 1905 zo geregeld met dezelfde wet die ook de scheiding van kerk en staat vastlegde. La Poste is een echt staatsbedrijf, wie een vestiging opheft of zelfs maar het woord privatiseren in de mond neemt, roept de volkswoede over zich af.


Al is de boer een kleine zelfstandige, toch eet ook hij uit de staatsruif. Zou er geen Europese subsidie bestaan, dan was driekwart van de boerenbedrijven ten dode opgeschreven; de boerenstand is nu al de beroepsgroep met het hoogste percentage zelfmoorden. 'Ik ben voor honderd procent afhankelijk van Europese subsidie. En anderen wel voor tweehonderd procent', zegt Georges Deschère, die boert op een afgelegen hoeve bij Grez-Neuville.


Deschère opende me de ogen voor de cruciale rol die de boeren spelen. 'In feite zijn we veredelde tuiniers die Frankrijk aanharken', constateert hij filosofisch terwijl we naar Verso staan te kijken, een fokstier van 1.200 kilo die ligt te rusten in een hoek van de open stal. 'We vertegenwoordigen als boerenstand meer dan alleen een economische waarde. Ieder van ons heeft wel 15 of 20 hectare land waar je niks mee kan omdat het te steil is, of omdat de grond niet deugt. Ook voor dat land zorgen we. Het zijn dergelijke percelen die het landschap afwisselend maken. Dat doen we er gratis bij.'


Een paar maanden geleden kwam ik er achter dat zelfs de dorpscafés een overheidskwestie zijn. Het laatste café-resto des sports wordt vaak opgekocht door de gemeente, die er dan een uitbater in zet. 'Uiteindelijk gaat het om de kwaliteit van leven', zegt Gilles Bosseboeuf, die als burgemeester van Champagné-Saint-Hilaire zo'n transactie achter de rug heeft. 'Is er een restaurant in het dorp, dan is het ook voor de kruidenier en de garage interessanter om te blijven. De mensen zullen minder snel verhuizen, en voor nieuwkomers wordt het aantrekkelijker.' Middenstand in de dorpskern vergroot de kans dat de huizen hun waarde houden, dus is het redelijk zo'n café uit gemeenschapsgelden te betalen - dat is de redenering. Zo'n antwoord op de ontvolking van het platteland kan alleen in een land waar de burger al zijn heil en zegen van de overheid verwacht.


De schoonheid van de campagne is paradoxaal. Zij schuilt niet in dynamiek of energie, maar juist in het verzet ertegen. Dat kan je het angstige gevoel bezorgen dat de hele boel uit elkaar valt zodra je er tegen tikt. Maar omdat de Fransen zo goed zijn in verpakken, merk je niets van die verstilling. Het hele stelsel van steun is weggewerkt onder de oppervlakte.


Een andere geheime tuin is die van de macht. De Franse samenleving is verpolitiekt in een mate die in Nederland onvoorstelbaar is. Partijvoorkeuren bepalen de benoemingen van de politiecommissaris, van de theaterdirecteur, de rechter en de voetbaltrainer. En iedere landelijke politicus heeft zijn lokale uitvalsbasis, die wordt beheerd met een geraffineerd systeem aan gunsten en diensten: een stad, dorp, regio of departement. Als een roofridder loert hij van daaruit naar de wisselkoersen bij de centrale macht in Parijs. Staat een minister op wankelen, lijkt een partijcommissaris om te vallen? Dan wordt het tijd om toe te slaan.


'Politiek is in Frankrijk een beroep voor het leven', vertelde Alain Duhamel, éminence grise onder de politieke commentatoren. 'Je komt hier vijftien jaar later dan elders in aanmerking voor topfuncties. Een eerste minister van 40 jaar is zeldzaam. Wie een hoog niveau haalt, stelt alles in het werk daar tot zijn dood te blijven.'


Tulle, een stadje met goed vijftienduizend inwoners in de Corrèze, is het bolwerk waar François Hollande als jonge politicus werd geparachuteerd. Hier was hij burgemeester, hier staat het hoofdkantoor van de departementale raad waarvan hij voorzitter was. Het ultieme bewijs van zijn band met de streek wordt geleverd op de dag van de tweede ronde van de presidentsverkiezingen van 2012. Terwijl alle bonzen bijeen zijn op het partijkantoor in Parijs, wacht Hollande in Tulle de uitslag af. Hier, op het pleintje voor de kathedraal, omgeven door wat huizen met balkons en een paar cafés, zal hij zijn eerste toespraak als president geven: 'Landgenoten, bedankt voor alle steun die u me gegeven hebt.' Hoog in de donkere lucht hangen vier helikopters. Het is als de troonsbestijging van de grootvorst van een operettestaatje. Vanaf een balkon klingelt een koebel.


De geheime tuinen van de politiek vormen het decor voor een enorm gekonkelefoes. Dat was zo in de tijd van Lodewijk XIV en daar is - ondanks de goede voornemens van al diens opvolgers - niets aan veranderd. Ministers worden verdacht van complotten om elkaar pootje te lichten, van betrokkenheid bij wapendeals, van het ontfutselen van geld aan aftakelende oude dames, van seksueel getinte voetmassages of van het organiseren van goedbetaalde spookbanen voor vertrouwelingen. Tegen Chirac werd een proces geopend zodra zijn onschendbaarheid als president was opgeheven. Sarkozy wordt ervan verdacht geld voor de verkiezingskas te hebben aangepakt van Kadhafi. Hollande, die op zijn beurt beloofde een regering van onbesproken gedrag te formeren, moest niet lang na zijn aantreden de minister van Begroting ontslaan wegens een geheime bankrekening in Zwitserland.


Pierre Lascoumes, onderzoeker aan universiteit Sciences Po in Parijs, verklaart dat gesjoemel uit de roomse wortels van het land. 'Er is in Europa een groot verschil tussen de katholieke en de protestantse landen. Frankrijk is niet per se heel gecorrumpeerd, maar kent een sterke vermenging van activiteiten en verantwoordelijkheden.'


Tijdens mijn correspondentschap ben ik op veel meer geheime tuinen gestuit. Er is dat diepgeworteld conservatisme, waaruit bijvoorbeeld het verrassende verzet tegen het homohuwelijk voortkomt. Er is de sterke streekgebondenheid, die het land tot een lappendeken van lokale eigenaardigheden maken. En ook de grote gehechtheid aan het verleden, die het moeilijk maakt het land in beweging te krijgen. Om maar te zwijgen van de vrijmetselaars, waaraan een grote invloed achter de schermen wordt toegekend.


Die geheime tuinen maken het land fascinerend, maar ook lastig te doorgronden. Telkens als je een laag hebt afgepeld, stuit je op een volgend mysterie. Zo lijkt het aannemelijk de afkeer van het homohuwelijk vanuit het conservatisme te verklaren. Maar waar komt dat conservatisme dan weer vandaan?


Nederland hoort voor de Fransen bij de pays nordiques, een kouwelijk groepje landen waar ze met een mengeling van jaloezie en argwaan naar kijken, vooral omdat ze daar die geheime tuinen niet hebben. Al die landen hebben wel iets wat de Fransen ook zouden willen. In Finland schijnt het onderwijs heel goed geregeld te zijn, Zweden heeft prachtige sociale voorzieningen en de Nederlanders etaleren een directheid waar de Fransen van kunnen schrikken. Dat zullen ze je natuurlijk nooit laten merken. Jullie zijn zo prettig op de man af, zeggen ze, als je je weer eens moet verontschuldigen voor een onbehouwen opmerking. Of ook: ik waardeer jullie openheid, je weet meteen waar je aan toe bent.


Een Fransman doet zoiets heel anders. Die draait een krul, en als het kan nog een. Die vraagt niet waar je vandaan komt, maar zegt: ik hoor een klein accent, kan dat kloppen? En als je je dan als Nederlander presenteert, volgt zeker in Parijs onveranderlijk een lofrede op Amsterdam en soms een anekdote over de coffeeshop waar hij of zij vroeger nog wel eens van een kruk is gevallen.


Nederlanders hebben door dat alles een paradoxale verstandhouding met Frankrijk. We zijn er dol op; dit jaar gaan weer 1,4 miljoen landgenoten er op vakantie. Dat doen we omdat het er mooi is, misschien ook omdat het iets exotisch heeft; zodra je Lille bent gepasseerd, speelt immers het mediterrane levensgevoel op. Tegelijk zijn het onbegrip en de ergernis groot.


Dat Nederlanders doorgaans niet naar het zuiden afreizen vanwege hun diepe liefde voor de Franse volksaard werd een tijdje geleden bondig verwoord in Volkskrant Magazine, in een rubriek waarin wekelijks een gevonden boodschappenbriefje wordt besproken. Dit briefje was in het Frans gesteld, wat aanleiding gaf tot een korte bespiegeling: 'Frankrijk, een heerlijk land met velden vol lavendel, uitgestrekte wijngaarden, ruige bergen en lieflijke riviertjes. Prachtig. Alleen jammer dat er Fransen wonen; ze zijn chagrijnig en onverstaanbaar.'


Dat stukje viel bij mij zo verkeerd dat ik het uitscheurde en lang heb bewaard. Waarom? Omdat het de vooroordelen bevestigt die je over Fransen hoort. En omdat ik na zes jaar Frankrijk met de hand op het hart kan verzekeren dat ze niet kloppen. Fransen zijn door de bank genomen niet minder aardig, behulpzaam of belangstellend dan Nederlanders. Integendeel. Op het gebied van vriendschap en gastvrijheid heb ik heel wat bijgeleerd. Ze hebben eigenschappen waar wij als peuple nordique - zoals ze ons graag noemen - nog wat van kunnen leren.


De afkeer voor Fransen gaat ver terug. De bondigste formulering wordt toegeschreven aan voormalig minister Annemarie Jorritsma: 'Leuk land, jammer dat er Fransen wonen.' Jorritsma trad daarmee in de voetsporen van filosoof Arthur Schopenhauer: 'De rest van de wereld heeft apen, Europa heeft Fransen.' Zelfs Generaal De Gaulle had het niet altijd gemakkelijk met zijn landgenoten: 'Hoe een land te besturen waar 246 soorten kaas bestaan,' verzuchtte hij.


De gedachte dat ze chagrijnig zijn is zo wijdverbreid dat de Fransen het zelf zijn gaan geloven. Bij een winkeltje in de Lot kocht ik eens een ansichtkaart van de firma Coq ¿ Rico. Er stonden twee smileys op. Onder de glimlachende stonden de woorden: La France; onder de droevige: les français.


Stel je eens voor dat er in Frankrijk geen Fransen maar Nederlanders woonden. Dan was die rijkdom van 37 koeierassen vast al teruggebracht tot twee soorten: een vlees- en een melkkoe, die allebei nooit de wei in zouden mogen. Dan had die kaasboer in Le Grand Bornand die noodgedwongen twee boerderijen heeft - een voor de zomer en een voor de winter - en die in het voorjaar zijn koeien met versierde horens naar de bovenweide laat trekken, al lang zijn bedrijf van de hand gedaan en was overgestapt naar de dienstensector.


Dan waren die perceeltjes in de Thierache met ruilverkaveling keurig glad getrokken. Dan waren al die bouwvallige schuurtjes, kastelen, duivetorens en boerderijen gesloopt en al die waterputten gedempt. Dan hadden al die dorpen en gehuchten hun postkantoren en gemeentehuizen moeten sluiten. Dan liepen er langs de snelweg geen Routes Nationales meer - waarom zou je twee wegen hebben die dezelfde kant opgaan? En de mensen zouden elke avond vroeg thuis zijn omdat ze hun boterham tussen de middag aan het bureau opeten in plaats van uit lunchen te gaan met een glaasje rood erbij.


Frankrijk was dan moderner geweest, beter toegerust op de uitdagingen van globalisering, decentralisering, digitalisering en vrijemarktkapitalisme. Het zou veranderingen omarmen en zich openstellen voor alles wat van buiten komt. Marseille zou de grootste haven van de Middellandse Zee zijn, de rivieren zouden niet zo vaak buiten hun oevers treden, de ambtenarij zou minder stroperig werken, er zouden minder douceurtjes worden uitgedeeld en iedereen zou goed met Engels uit de voeten kunnen. Maar het zou Frankrijk niet meer zijn, en er zou geen reden zijn er heen te willen.


Toen ik me in 2007 in Frankrijk vestigde, hing er een zeker optimisme in de lucht. De grijze jaren met Chirac waren voorbij, Sarkozy was net gekozen. Een jonge, energieke president die weliswaar van rechts was, maar zowaar linkse ministers in zijn regering benoemde en een paar leuke allochtone vrouwen. Sarkozy had er zo veel zin in dat hij van pure daadkracht stond te stuiteren achter het spreekgestoelte. En hij had grootse plannen: er zou een brede discussie over het milieu komen, scholen, universiteiten, rechtbanken, kazernes en onderwijs gingen op de helling.


Zes jaar later is daar niets van over. Sarkozy bleek niet voorbereid op de economische crisis. Uit angst voor Marine Le Pen en haar Front National schoof hij zo ver op naar rechts dat de socialisten een zee aan ruimte kregen. Jammer voor hen - en voor Frankrijk - was het François Hollande die klaarstond om president te worden. Hij won de verkiezingen door geen initiatieven te nemen, waardoor hij ook geen fouten maakte. Dezelfde tactiek hanteert hij als president. Houdt hij die koers vast, dan zal hij de geschiedenis ingaan als de grote vermijder, de man die besloot geen besluiten te nemen.


Terwijl Frankrijk hoognodig moet veranderen, op veel gebieden; geen Fransman die dat zal ontkennen. Het onderwijs moet gestroomlijnd, de sociale partners moeten leren met elkaar te overleggen, de nieuwkomers moeten kansen en nieuwe hoop krijgen, het woud aan regels moet gekapt, de invloed van de staat moet beperkt.


Kortom: al die geheime tuinen moeten worden opengebroken en omgespit. Dat zal een heidens werk zijn, waarbij onwaarschijnlijke vondsten zullen worden gedaan. Als het karwei achter de rug is, zal Frankrijk klaar zijn voor de uitdagingen van de moderne tijd.


Het land zal onherkenbaar zijn, en heel veel van zijn charme hebben verloren.


Dit is de laatste bijdrage van Ariejan Korteweg als correspondent in Frankrijk. Van hem verschijnt in oktober bij uitgeverij De Geus het boek Surplace. Over de ziel van Frankrijk.

SOMBERHEID

Elk onderzoek bevestigt het beeld: de Fransen behoren, met de Afghanen en de Irakezen, tot de grootste droefsnoeten van deze planeet. Hun wereldbeeld: het gaat niet goed en morgen wordt het minder. Als de Fransman 'ça va' zegt, bedoelt hij eigenlijk dat het helemaal niet gaat.


Een Indische ondernemer vergeleek Frankrijk eens met een grote kat die lekker dicht bij het vuur ligt te doezelen. 'Je moet honger kennen om het geluk te kunnen waarderen.' Dat is goed gezien. Hoe optimistisch kun je zijn als de toppen van de verzorgingsstaat zijn bereikt en het alleen nog maar minder kan worden? Een Fransman van 2013 heeft - crisis of niet - 50 procent meer koopkracht dan in 1980, zijn levensverwachting is sindsdien met vijf jaar toegenomen. Het is dus het pessimisme van de bevoorrechten dat hier speelt.


Zo geredeneerd laat het pessimisme van de Afghanen en de Irakezen zich moeilijker verklaren.


SPRAAKWATERVAL

Emmanuel Kant zei het al: 'De Franse staat wordt bovenal gekenmerkt door zijn voorkeur voor conversatie.' Die eigenschap wordt niet altijd op waarde geschat. Praten is een vorm van beleefdheid, het betekent erkennen dat de ander bestaat, en net als jij een burger is van de republiek. Frankrijk is gebouwd op woorden.


Of ze nu directeur van een denktank zijn of vakbondsman, student of opinieleider, bij iedereen klinkt de schoolopleiding door. Op het Franse systeem is genoeg aan te merken, maar je leert er te spreken in het openbaar. Er wordt gewerkt aan presentatie en uit het hoofd leren; de klassieke opbouw in these, antithese en synthese wordt erin gestampt. De retorische vraag die een adempauze vormt en aandacht trekt; de opbouw in punten; de herhaling in andere bewoordingen - het zijn trucs die in elk betoog opduiken, soms tot vervelens toe.


De vraag waar al die verbale kwaliteiten toe dienen, is weer een heel andere. In elk geval niet om het eens te worden. Een hang naar consensus zit niet in het Franse dna.


STILTE

Frankrijk is tamelijk geruisloos. Het viel me op toen op een avond een zwerm Nederlandse meisjes de metro binnenstormde. Op slag was het treinstel gevuld met gelach, geroep en opwinding. Toen ze een paar haltes verder weer uitstapten, was de stilte nog dieper.


Of rijd op een vroege zondagmiddag vanuit Frans Baskenland maar eens 10 kilometer Spanje in, naar een dorpsrestaurant in Donestebe. Daar wordt gelachen en geschreeuwd, tafelgenoten roepen dwars door de zaak naar bekenden verderop. In Frankrijk is dat ondenkbaar. Het spreken is er een gretig beoefende maar streng gereguleerde bezigheid.


Ook in de Franse muziek zit die stilte. Alle denkbare vormen van popmuziek worden ook in Frankrijk gemaakt. Maar altijd zal de Franse variant vluchtiger en minder rumoerig zijn, met meer nadruk op woorden en melodie en minder op ritme en volume.


Franse boekhandels zijn vergeleken met die in Nederland een oase van rust. De boekomslagen schreeuwen er niet om aandacht. Schoolvoorbeeld zijn de omslagen van het vermaarde uitgevershuis Gallimard: auteursnaam en titel op licht beige papier, met daaromheen dunne kaderlijnen, de dubbele binnenste in rood, de buitenste in zwart. Zo laten de boeken zacht fluisterend horen dat ze er zijn.


ORDE

André Le Nôtre ontwierp de immense tuinen van Versailles, maar ook die van Chantilly en Vaux-le-Vicomte in de buurt van Parijs en de Tuilerieën in hartje stad. Hij werd geboren in 1613. Vandaar dat er in 2013 veel herdenkingen voor hem worden georganiseerd. De tuinen van Le Nôtre worden gekenmerkt door opperste symmetrie en streng formalisme.


De Fransen koesteren de gedachte dat die tuinen iets weerspiegelen van de wijze waarop zij hun land hebben georganiseerd. Ook de filosoof René Descartes is zo'n rolmodel. 'Ik ben nogal cartesiaans', mag een Fransman graag zeggen als hij zijn rechtlijnigheid wil verklaren. Al eeuwen wordt Descartes door vriend en vijand ingezet als ultiem bewijs van de rationele, logische manier waarop de zaken zijn geregeld. Zo wordt de filosofie tot legitimatie van het staatsbestel gemaakt.


Van het stijve Menton aan de Côte d'Azur naar Ventimiglia is maar 15 kilometer. Het is ook de overstap van de Franse orde en beheersing naar het luidruchtig improviserende Italiaanse leven, dat zich aan regels weinig gelegen laat liggen. Overigens kan de Franse orde de chaos die er vlak onder schuilt niet altijd verhullen.


ABSOLUTISME

Een handzame formule om de verschillen tussen beide landen uit te leggen luidt: Nederland is een republiek met een koning aan het hoofd, Frankrijk een monarchie met een president. De Franse president regeert als een absoluut vorst. Hij benoemt de premier en de ministers, maar mengt zich vaak ook in de benoeming van functionarissen van lager allooi, zoals de directeur van het Louvre of de voorzitter van de rekenkamer. Het staatsbestel heeft een militair stempel. De uitvoerende macht is het sterkst: de president heeft meer macht dan het parlement, de burgemeester meer dan de gemeenteraad, en zo verder. Waar andere regeringsleiders eerst moeten overleggen, kan de Franse president zeggen: vanmiddag heb ik besloten dat Frankrijk ten strijde trekt tegen de rebellen in Mali.


Dat absolutisme en de bijbehorende hiërarchie worden er al vroeg ingeprent. De Franse scholen hechten sterk aan discipline. En de Franse politie doet geen enkele moeite je beste vriend te worden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden