Analyse Premierskandidaat Rutte

Ongenaakbaar begint de premier aan zijn tiende jaar. Komt er nog serieuze concurrentie?

Premier Mark Rutte in 2010, het jaar dat hij premier werd, en in 2017, bij het aantreden van het kabinet-Rutte III. Beeld Hollandse Hoogte / HilzVerhoeff

Als premierskandidaat laat Mark Rutte volgens kiezersonderzoek inmiddels iedereen ver achter zich. Dinsdag is zijn negende Prinsjesdag. Komt er nog serieuze concurrentie voor het Torentje?

Een jaar lang ging het op het Binnenhof vooral over zijn aanstaande vertrek. Zijn toekomst lag in Europa, zo werd gefluisterd. En sowieso was het verstandig om niet te lang te blijven zitten, klonk het zelfs in zijn eigen VVD: ook een premier heeft een houdbaarheidsdatum. Op zeker moment zijn de kiezers je zat en dan is de schade niet te overzien.

De parlementaire geschiedenis wijst uit dat dat klopt, maar vooralsnog hoeft Mark Rutte zich geen zorgen te maken, zo blijkt uit het jaarlijkse Prinsjesdagonderzoek van I&O Research: aan de vooravond van zijn tiende jaar in het Torentje en zijn veertiende jaar als partijleider laat Mark Rutte als premierskandidaat alle concurrentie ver achter zich. Eerdere uitdagers als Job Cohen, Diederik Samsom en Sybrand Buma hebben het toneel gedesillusioneerd verlaten en serieuze nieuwe concurrentie is nog niet in zicht. Nederland is zo aan Mark Rutte gewend dat het voor velen kennelijk moeilijk is geworden om zich een ander voor te stellen als minister-president.

Gevraagd naar de ‘ideale premier’ noemt 25 procent van de kiezers Rutte als hun eerste of tweede kandidaat. Nog altijd maar een kwart, maar in versnipperd Nederland is het ruim genoeg voor een ongenaakbare voorsprong op de rest. Zijn partijgenoot Klaas Dijkhoff komt in de ranglijst tot 15 procent, PvdA-eurocommissaris Frans Timmermans tot 14 procent. Alle andere vaak genoemde kandidaten met mogelijke premiersambities, van de ministers Wopke Hoekstra, ­Sigrid Kaag en Hugo de Jonge tot fractievoorzitters als Lodewijk Asscher, Jesse Klaver en Thierry Baudet blijven daarbij achter. Ook buiten de VVD-achterban is het vertrouwen in Rutte relatief groot. ‘25 procent is een hoge score’, zegt I&O-onderzoeker Peter Kanne, ‘wetende dat de VVD in de peilingen op zo’n 20 procent staat.’

Is dit dan de premierbonus, het effect dat in de afgelopen vijf decennia vrijwel elke zittende premier naar verkiezingsoverwinningen stuwde? Een premier is voortdurend in het nieuws, elke dag in de media, als staatsman vaak zij aan zij met andere hoogwaardigheidsbekleders uit binnen- en buitenland – zijn ster rijst bijna vanzelf.

Premier Mark Rutte wandelt over het Binnenhof. Beeld Freek van den Bergh

‘Waarschijnlijk wel’, denkt politicoloog Philip van Praag, ‘mensen zijn honkvast bij de zittende premier. Maar niet voor eeuwig. Wat vooral opvalt, is dat er bij Rutte nog geen sleet op zit. Op Balkenende waren de kiezers na acht jaar echt uitgekeken. Dat is bij Rutte nog niet zichtbaar, al is het te vroeg om te zeggen dat hij die ­bonus ook binnenhaalt in 2021. Het is nu geen verkiezingstijd, hij wordt niet echt uitgedaagd. Iemand als Wopke Hoekstra stijgt in populariteit, we kunnen niet uitsluiten dat die hem toch nog gaat bedreigen.’

Dan is er nog wel werk aan de winkel, want vooralsnog blijkt Rutte ook onder de christen-democratische kiezers de meest genoemde favoriete premier, ruim voor Hoekstra en diens collega-bewindsman De Jonge. Die twee doen het ook bij het electoraat van andere partijen niet opvallend goed, terwijl Rutte vaak wordt genoemd door potentiële stemmers op D66, ChristenUnie en SGP.

Linkerflank

Op de linkerflank, die sinds 2002 snakt naar een kandidaat die bij verkiezingen kan winnen van de kandidaten van VVD en CDA, hebben de kiezers hun hoop gevestigd op Frans Timmermans, eerder dit jaar de verrassende winnaar van de Europese verkiezingen. Hij moet in eigen kring partijleider Asscher voor zich dulden, maar scoort beter onder de kiezers van de andere partijen. Daarin streeft hij ook de Rotterdamse burgemeester Aboutaleb voorbij.

Onderzoeker Peter Kanne: ‘Als Frans Timmermans niet net was begonnen als vicevoorzitter bij de Europese Commissie zou hij een uitdager voor Rutte kunnen zijn. Hij ligt onder zowel PvdA- als GroenLinks-kiezers vrij goed.’

Of Rutte bij de volgende verkiezingen (nu voorzien in maart 2021) inderdaad weer de VVD-lijsttrekker is, beslist hij in de zomer van 2020. ­Tegen die tijd is hij Willem Drees voorbij op de lijst van langstzittende premiers en heeft hij Charles Ruijs de Beerenbrouck en recordhouder Ruud Lubbers in zicht. Hij zal het zelf niet bevestigen, maar mensen die hem kennen, zeggen dat zulke dingen ertoe doen voor Mark Rutte.

Een goede premier is nog geen populaire minister
Opvallend is dat de voorkeur voor Rutte als premier niet hand in hand gaat met enorme waardering voor zijn daden als bewindsman. In I&O’s Prinsjesdag-onderzoek naar de populariteit van de ministers, moet Rutte vijf ministers voor zich laten. ‘Dat zou wel eens zijn zwakke plek kunnen zijn’, denkt politicoloog Philip van Praag. Zoals vele van zijn voorgangers op Financiën is CDA’er Wopke Hoekstra binnen twee jaar uitgegroeid tot de populairste van het stel. Het bewaken van de schatkist zorgt in Nederland bijna automatisch voor lovende kritieken. In de topvijf laat hij Hugo de Jonge (Volksgezondheid), Carola Schouten (Landbouw), Sigrid Kaag (Buitenlandse Handel) en Ank Bijleveld (Defensie) voor zich. Onderaan staan de ministers Dekker van Justitie (veel in het nieuws rond het tbs-beleid) en Wiebes van Economische Zaken, die veel kritiek kreeg rond de voorgenomen afschaffing van de dividendbelasting en de afhandeling van de aardbevingsschade in Groningen. Opvallend detail: alle D66-ministers hebben sinds hun aantreden in 2017 – toen ze juist sterk scoorden – behoorlijk aan populariteit ingeboet.

Rutte mag de teugels laten vieren
In zijn eerste zeven jaar in het Torentje manifesteerde Mark Rutte zich als de premier van de saneringen, naar het voorbeeld van zijn verre voorganger Ruud Lubbers, minister-president van 1982 tot 1994. Hij won er drie landelijke verkiezingen mee. Maar juist bij de kiezersgroepen waar hij de meeste aanhang heeft als premierkandidaat (VVD, CDA, D66 en PvdA) is nu de neiging ontstaan om de teugels te laten vieren. Een meerderheid van die kiezers kan instemmen met het idee dat in het kabinet leeft om de lage rentestand te gebruiken om extra geld te lenen, de staatsschuld op te laten lopen en daarmee publieke investeringen te doen. De zorg, het onderwijs en de woningbouw zijn de populairste bestemmingen voor extra financiële injecties. De kiezers van de flankpartijen zijn terughoudender en vinden het idee ­vaker onacceptabel. I&O-onderzoeker Peter Kanne: ‘Het is opvallend dat kiezers van VVD en CDA – die doorgaans zo hechten aan begrotingsdiscipline – het acceptabel vinden dat er extra geld geleend wordt voor investeringen.’ 

I&O Research deed van 29 augustus tot en met 3 september landelijk representatief onderzoek onder 2262 Nederlanders van 18 jaar en ouder. De resultaten zijn gewogen op geslacht, leeftijd, opleiding, regio en stemgedrag bij de Tweede Kamerverkiezingen in 2017.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden