nieuws

‘Ongeëvenaarde’ Arnon Grunberg krijgt P.C. Hooftprijs toegekend

null Beeld Linelle Deunk
Beeld Linelle Deunk

De jury van de P.C. Hooftprijs kent de prestigieuze oeuvreprijs toe aan Arnon Grunberg. De schrijver krijgt de prijs, en het bijbehorende geldbedrag van 60.000 euro, voor zijn proza. Opvallend genoeg voorspelde hij zijn winst al in een brief uit 1993.

Onno Blom

Het werd tijd. Aan Arnon Grunberg is de P.C. Hooftprijs 2022 voor verhalend proza toegekend. De jury omschrijft het oeuvre van Grunberg als ‘ongeëvenaard in ambitie, productiviteit en intellectuele kracht’.

Grunberg is een jonge laureaat, maar zeker niet de jongste. Lucebert was 43, Gerard Reve 45, en Alfred Schaffer, de laureaat van vorig jaar, was 47. Willem Frederik Hermans en Harry Mulisch waren precies even oud als Grunberg toen de prijs aan hen werd toegekend: 50.

‘Het werd tijd, dat klinkt mij wat te arrogant’, zegt Arnon Grunberg aan de telefoon. ‘Maar ik kan er wel begrip voor opbrengen. Laat ik het zo zeggen: Marga Minco werd vóór mij bekroond met de P.C. Hooftprijs voor verhalend proza. Ik ben blij dat ik niet, zoals zij, 100 heb moeten worden voor het zover was.’

Toch voorspelde de jonge Arnon al dat deze eer hem te beurt zou vallen vóór hij was gedebuteerd. In een brief uit 1993 aan zijn mentor Jan Ritsema, opgenomen in de bundel Aan nederlagen geen gebrek, schreef hij: ‘Ik denk dat je door te schrijven iemand helemaal gek op je kunt laten worden, sterker nog, totaal in je ban kunt laten geraken. En dat denk ik niet alleen, ik wil het ook bewijzen. Het is me nog niet gelukt, dat geef ik toe, maar het zal me lukken. Misschien lukt het me zelfs om iemand helemaal gek te maken van geilheid. Met woorden. Alleen met woorden. Als dat lukt heb ik wel de P.C. Hooftprijs verdiend.’

‘Ik walgde toen van mezelf’, zegt Grunberg, ‘maar ik herken de overmoed en ambitie waarmee ik dat schreef.’ Hij was in 1988 van het Amsterdamse Vossius Gymnasium getrapt, probeerde acteur te worden – en slaagde daar niet in, zoals in zijn geestige roman Figuranten (1997) valt na te lezen – schreef toneelteksten en maakte torenhoge schulden met zijn eigen uitgeverijtje, Kasimir.

Van schlemiel naar successchrijver

Het schrijven moest hem redden. In mei 1994 debuteerde hij met de roman Blauwe maandagen, waarin hij een even huiveringwekkend als hilarisch beeld schetste van zijn jeugd in Amsterdam-Zuid, die werd getekend door zijn getraumatiseerde Joodse ouders. De hoofdpersoon, die niet toevallig ook Arnon heet, moet zich zien te bevrijden uit zijn moeders verstikkende omhelzing en gaat op zoek naar de betaalde en onbetaalde liefde.

Blauwe maandagen werd bekroond met de Anton Wachterprijs voor het beste debuut en het Gouden Ezelsoor voor het meestverkochte debuut. Arnon Yasha Yves Grunberg was in één klap van een schlemiel een beroemd en succesvol schrijver geworden. Maar zijn moeder schreef hem een brief dat ze hem niet meer wilde zien. Ze voelde zich verraden. Later draaide ze bij en liet hem opnieuw niet meer los.

Als ergens de duistere bron voor Grunbergs oeuvre te vinden is, dan is het daar: in het ouderlijk huis, in de schaduw van de Shoah. Hannelore Grünberg-Klein (1927-2015) had als Duits meisje Auschwitz overleefd, zijn vader, Hermann Grünberg, had tijdens de oorlog in Nederland moeten onderduiken op veertig verschillende adressen. Hun zoon zag in de beschaving de barbarij. In een openbare brief aan zijn moeder schreef hij: ‘Mensen hebben geen recht op geluk. Mensen hebben recht op pijn. Ik zie mezelf als een engel die mensen dat moet geven waar ze recht op hebben. Een witte engel, mama.’

Toen Grunberg het nieuws van de P.C. Hooftprijs voor het eerst hoorde, moest hij meteen aan zijn ouders denken. ‘Steeds meer besef ik wie ik ben door wie zij waren én door hun hoge verwachtingen van mij. Die zouden met deze prijs in hun ogen voor een deel zijn ingelost. Ze zouden heel trots zijn geweest.’

Virtuoos ontsnappingskunstenaar

De schrijver kan maar heel even aan de telefoon komen, omdat hij op de dansvloer staat. Pardon? Hij lacht: ‘Ik word opgeleid tot danser. Maar wees gerust: mijn transformatie zal een tijdelijke zijn. Ik heb nog veel schaamte te overwinnen – en dat niet alleen. Het is ironisch dat ik jou nu over de P.C. Hooftprijs te woord sta in een trainingsbroek.’

Grunberg is een virtuoos ontsnappingskunstenaar. Schrijven biedt hem de mogelijkheid een ander te worden, de gaten in de geschiedenis te vullen met fictie. Het verklaart ook zijn wens om embedded op reportage te gaan; te werken als kamermeisje, in een slachthuis of op het slagveld van Afghanistan. Of, zoals nu, om zich op te laten leiden tot danser. ‘Ik wil iedereen te snel af zijn’, zegt hij, ‘de lezer, jou, mezelf. Ik wil nooit worden vastgepind. Dan ben je een dode kunstenaar.’

Uit elke zin, uit elk woord spreekt de noodzaak om te schrijven. Zijn productie is adembenemend. In 2014 werd die gemeten: in een gemiddelde maand schreef hij 60 duizend woorden. Romans, essays, gedichten, toneelstukken en columns, waaronder een tijdlang de dagelijkse Voetnoot op de voorpagina van de Volkskrant. ‘Een kwestie van discipline’, zegt hij koeltjes. ‘Iedere ochtend achter mijn laptop gaan zitten.’

Wereldburger

Terecht kreeg Grunberg de prijs voor zijn verhalend proza. ‘De romans staan bij mij bovenaan.’ Al zijn kwaliteiten komen er samen: de snijdende, repetitieve stijl, zijn constructiedrift, het verleggen van de grenzen van de verbeelding. In veel van zijn romans roepen de tragische helden, zoals Beck in De asielzoeker (2003), Jörgen Hofmeister in Tirza (2006) of psychiater Kadoke uit Moedervlekken (2016) en Bezette gebieden (2020) uit goede bedoelingen het onheil over zich af. Ze laten je lachen en huilen tegelijk.

Zijn werk is vertaald in vele talen. Grunberg is een wereldburger – hij woont al sinds 1995 grote delen van het jaar in New York en overwoog vorig jaar om het Amerikaans staatsburgerschap aan te vragen – en heeft succes over de wereld. Aan zijn vriendin Rosie schreef Grunberg op 17 november 1992: ‘Ik ben de jongen die over 45 jaar de Nobelprijs zal winnen.’ Hij ligt nog op koers.

‘De door mij bewonderde Poolse dichter en Nobelprijswinnaar Czeslaw Milosz noemt in de laatste regel van zijn gedicht Een bekentenis de literatuur ‘een toernooi van gebochelden’. Dat kun je niet ontkennen, de literatuur is een toernooi voor gebochelden. Er is haat en nijd, jaloezie en competitie. Maar tijdens het schrijven spelen prijzen en succes geen rol. Dan telt alleen het boek, waaraan ik werk met volle inzet en overtuiging. Dan telt alleen de volgende zin.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden