Onfrisse hobby met dure nasleep

In 1981 wist Stern-verslaggever Gerd Heidemann zeker dat hij Hitlers dagboeken op de kop had getikt. Zijn ex-collega Michael Seufert reconstrueerde de primeur die het Duitse weekblad bijna fataal werd....

In zijn jonge jaren was de nu 76-jarige Gerd Heidemann de coryfee van het Duitse weekblad Stern. Hij versloeg, met veel gevoel voor menselijk drama, oorlogen in Afrika en het Midden-Oosten. Hij grossierde in primeurs over corruptie in de wapenindustrie. Echter: hij had ook een obsessieve belangstelling voor het Derde Rijk. Hij verzamelde Hitler-parafernalia en hij ambieerde de vriendschap met vroegere SS-kopstukken en de dochter van Hermann Göring. In 1972 kocht hij voor 160 duizend D-mark Görings 28 meter lange motorjacht.

De nieuwe bezitter handelde onbeschroomd in de geest van Göring. Hij richtte het schip met de authentieke inventaris in, en hij belegde aan boord bijeenkomsten die – zo blijkt uit het gastenboek – nogal eens ontaardden in mijmeringen over ‘de heerlijke jaren van het Derde Rijk’.

Gerd Heidemann hield er, kortom, een nogal suspecte hobby op na. Zijn hoofdredacteur Peter Koch verbood hem dan ook over nazi-Scheisse te schrijven. Heidemann sloeg deze wenk echter in de wind omdat hij de dagboeken van Adolf Hitler op het spoor meende te zijn. Met deze eigenzinnigheid bracht hij zichzelf en Stern onherstelbare schade toe.

Heidemanns vroegere Stern-collega Michael Seufert heeft deze episode opgetekend in een iets te minutieus, soms wat warrig, maar niettemin spannend en voor journalisten confronterend boek. Het laat zien dat de bekoring van een primeur verblinding voor alle onwelkome informatie tot gevolg kan hebben, en dat waarschuwingsborden en alarmsignalen worden genegeerd als de dwaalweg eenmaal is ingeslagen.

Het onthutsende van het drama van de Hitler-dagboeken is dat het niet alleen op het conto van een verdwaasde amateurhistoricus en een matig getalenteerde vervalser kan worden geschreven, maar ook op dat van de ingewijde uitgevers en journalisten. Zij moedigden Heidemann aan toen ze hem tegen zichzelf in bescherming hadden moeten nemen.

Heidemann was al verblind door gretigheid toen hij begin 1981 in contact kwam met Konrad Kujau – een hartstochtelijk verzamelaar van ‘militaria’ en documenten uit het Derde Rijk die zichzelf van de schuilnaam ‘Konrad Fischer’ bediende. Later ging hij die documenten vervalsen, en vervaardigde hij ‘authentieke’ schilderijen van veldslagen uit de Tweede Wereldoorlog.

Toen Heidemann door een bevriende verzamelaar in contact met Fischer werd gebracht, veroorloofde deze zich alle denkbare vrijheden. Hij toonde Heidemann het manuscript van het derde, niet gepubliceerde, deel van Mein Kampf, alsmede de partituur van een door Hitler gecomponeerde opera en een door Hitler geschreven gedicht. Maar hij wekte vooral Heidemanns belangstelling met de suggestie dat hij via zijn broer, een generaal van de nationale Volksarmee van de DDR, in het bezit kon komen van de dagboeken die Hitler van 1932 tot 1945 zou hebben geschreven. Tegen betaling van twee miljoen D-mark zou Heidemann deze kunnen verwerven.

Nadat de Stern-reporter vergeefs naar geldschieters in het bruine circuit had gezocht, wendde hij zich tot Stern-uitgever Manfred Fischer. Die stelde zonder ruggespraak met de hoofdredactie het benodigde bedrag beschikbaar, en gaf Heidemann carte blanche voor de voortzetting van zijn project. Van zijn collega-redacteuren was aanvankelijk alleen Thomas Walde ingewijd. De hoofdredactie werd pas in mei 1981 geïnformeerd – ter verklaring van de omstandigheid dat Heidemann niet beschikbaar was voor ander werk.

Heidemann behield echter de vrije hand – ook toen de kosten die met de aanschaf van de dagboeken waren gemoeid opliepen tot ruim negen miljoen D-mark. Hij kon volstaan met het verhaal dat de dagboeken zich aan boord hadden bevonden van een transportvliegtuig dat op 21 april 1945 bij het Oost-Duitse Börnersdorf was neergestort, en dat de broer van Fischer ze met gevaar voor eigen leven in concertvleugels van de DDR naar het Westen smokkelde. Heidemann zou ook een aantal keren zelf een setje dagboeken in de DDR hebben opgehaald. Naar eigen zeggen was de transactie afgehandeld tussen twee naast elkaar rijdende auto’s.

Op voorspraak van Heidemann namen de ingewijden aan dat de dagboeken echt waren. Ook nadat ze zich van talrijke ongerijmdheden hadden kunnen overtuigen. Fischer, die het gotische letterschrift kennelijk niet machtig was, had de kaften van de dagboeken voorzien van de initialen FH – in letters van plastic nota bene. Sommige in de dagboeken vermelde gebeurtenissen waren verzonnen, gepostdateerd dan wel geantedateerd. Maar de belangrijkste aanwijzing van zwendel was dat Hitler volgens zijn naaste medewerkers nooit een dagboek heeft bijgehouden.

De alarmbellen hadden dus oorverdovend moeten rinkelen toen Heidemann op 25 april 1983 zijn vondst wereldkundig maakte. Maar de uitgevers van Stern trokken pas de onvermijdelijke conclusie toen het Bundeskriminalamt twee weken later vaststelde dat Hitler zijn dagboeken met naoorlogse inkt op naoorlogs papier had geschreven.

Twee vragen blijven onbeantwoord: was Gerd Heidemann zelf van de authenticiteit van de dagboeken overtuigd, of heeft hij welbewust gezwendeld? En: hoeveel van de ruim negen miljoen D-mark die de uitgever hem beschikbaar heeft gesteld is metterdaad aan het veronderstelde doel besteed?

De rechter meende dat Heidemann vooral zichzelf heeft verrijkt, en veroordeelde hem daarvoor tot een gevangenisstraf van vier jaar en acht maanden.Sander van Walsum

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden