Onfortuinlijk minnaar

In 1876 werd Willem Kloos, zeventien jaar oud, dodelijk verliefd op zijn klasgenoot Jan Beckering. Toen deze in 1877 zakte voor zijn toelatingsexamen voor de universiteit, greep hem dit zo aan dat hij een einde aan zijn leven maakte....

Drie jaar later leek de geschiedenis zich te herhalen, toen de jonge dichter een hartstocht opvatte voor Jacques Perk die in 1881 overleed. Beide sterfgevallen hebben Kloos geïnspireerd tot menig gedicht waarin zijn liefde mythische proporties aannam. Tot op hoge leeftijd zou hij een dwepende adolescent blijven.

In welk jaar Kloos' beroemdste gedicht ontstond, is onbekend. Voor de lezer is dat ook niet belangrijk, want de woorden spreken voor zich. Dat Kloos voor de sonnetvorm koos, is geen toeval: sinds Petrarca en Shakespeare is dat immers het klassieke gewaad voor liefdespoëzie.

Door de asymmetrische vorm en de spanning die doorgaans tussen octaaf en sextet bestaat, is het een perfect vehikel voor het meest verscheurende gevoel dat mensen kwelt. Verliefdheid verandert volwassenen in kinderen, mensen in dieren, burgers in narren en koele stoïcijnen in stamelende gekken.

Zo ook bij Willem Kloos. In de kwatrijnen roept hij het beeld op van een arrogante solipsist, iemand die op bijna pathologische wijze probeert zichzelf en de wereld te beheersen. Hij onderdrukt en verdringt wat hem dreigt te raken.

De eerste en achtste regel zijn muren waarachter de dichter zich verschanst, of waartussen hij zich willens en wetens heeft opgesloten. Opvallend is de militaire metaforiek, die in de tweede strofe een demonisch karakter krijgt. Het 'heir van donkerwilde machten' wordt voorgesteld als een springvloed die gaat liggen zodra de God zijn hand verheft.

Dat moet natuurlijk mis gaan. De zelfverzekerdheid slaat om in een smachten, dat betekenisvol op 'gedachten', 'krachten' en 'machten' rijmt, de 'donkerwilde' golven van de vijandige emoties lopen uit op een 'wilden vloed van kussen', de op bevel weggeëbde ('gevloôn') branding zwelt weer aan tot een niet in te dammen springtij.

De hand die met kalme autoriteit werd opgeheven, wil nu niets liever dan omarmen. De lippen van de aanbedene zijn klippen geworden (zou Kloos die woordspeling bewust aangebracht hebben?) waarop de trotse God te pletter wil slaan.

Maar de muren uit het octaaf zijn niet geslecht. Weliswaar heeft de spreker een poging gedaan zich van zijn keurslijf te bevrijden, het is niet gelukt. Hij smacht naar liefde en tederheid, maar het blijft bij woorden. Pas wanneer hij 'niet langer woorden vond' zou hij de geliefde jongen kunnen bespringen. Een dichter vindt echter altijd woorden, en wie een gedicht schrijft, kan niet tegelijkertijd vrijen.

Kloos is een onfortuinlijk minnaar geweest, die ook als dichter nooit helemaal gelukkig werd. De beeldspraak in dit gedicht is troebel, bij rijksgeboden van strijd en zege kan ik me weinig voorstellen, het enjambement na 'rond' is onhandig. Het gedicht komt niet goed uit zijn woorden. Juist daarom is het een goed gedicht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden