Ondeugende Wolff en Deken

Coosje, de oma van de criticus Conrad Busken Huet, kreeg liefdesbrieven van de schrijfster Betje Wolff (1738-1804), die vanwege haar voorkeur zich te omringen met jonge vrouwen wel de 'Beemster Sappho' is genoemd....

Na de dood van haar man, de veel oudere dominee Bekker, ging Elisabeth Wolff samenwonen met Agatha Deken, en getweestaan ze voor eeuwig geboekstaafd als de auteurs van de eerste Nederlandse 'roman': Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart (1782). Gedurfd vanwege de inhoud (goede wees Saartje ontvlucht haar godvruchtige tante), bijzonder door de vorm (175 korte, levendige brieven van de personages aan elkaar, zonder sturende tussenberichten van de schrijfsters gepresenteerd), en bij alle nieuwigheid toch ook binnen de perken blijvend. Niet voor niets wijzen de schrijfsters er in het voorwoord bij de tweede druk uit 1783 op dat niemand bang hoeft te zijn: 'men heeft ons geschreven, dat wy eene zedigheid hebben weten waartenemen, ook in een geval, daar het bezwaarlyk scheen die te behouden'. En de 'Narede', opgenomen om de lezers in te lichten over het lot van 'de meest hupse mensen' die zij hebben leren kennen, begint met de heldin zelf: onze vriendin Burgerhart leeft 'sedert tien jaren zeer gelukkig met haar braven man, en is reeds moeder van vijf aardige kinderen, die zij voorbeeldig opvoedt'. Die man heet Edeling.

Een beetje ondeugend misschien, maar voorzeker binnen de kluisters der braafheid blijvend; dat is het beeld dat sommigen nog van Betje en Aagje hebben. Meer dan een beeld heeft bijna niemand, want lezen doen we ze niet langer, ondanks de vele inspanningen van professor Piet Buijnsters.

Komt er verandering in die situatie door het verschijnen van de roman Ter navolging van Kees 't Hart? Het contemporaine boek is een briefroman (met ook e-mails en sms'jes) van een omvang die vergelijkbaar is met die van Sara Burgerhart. De titel verwijst bovendien naar de begraafplaats in Scheveningen waar de schrijfsters liggen (en die 'Ter Navolging' heet omdat het werd aanbevolen zich buiten de woonkernen te laten begraven). Ten derde speurt de hoofdpersoon Vincent Gorter (1974) als sociologisch-historisch onderzoeker het 'netwerk' van de dames na, waarmee hij tegelijk het werk van zijn vroeggestorven vader Jan van de vergeefsheid wil redden. Die had in de jaren vijftig van de vorige eeuw 'sporen-onderzoek' gedaan naar het verblijf van Wolff en Deken in het Franse Trux, gedurende de roerige jaren 1787-1796. Jan Gorter schreef er een Vestdijkiaanse historische roman, maar ver kwam hij niet.

Het zal de braafheid zijn, die als een rode lap heeft gewerkt op Kees 't Hart. Ook in zijn vorige vijf romans gaf hij er blijk van dat Hollandse degelijkheid bij hem onmiddellijk een bel doet rinkelen. Bestaat niet. Daar wordt iets verdrongen! Op bloemrijke wijze, om niet te zeggen: met komieke gekte, heeft hij zich eerder afgezet tegen de literaire held met wie hij zijn voornaam deelt, Kees de Jongen van Theo Thijssen. Daarnaast heeft hij in al zijn boeken de angst voor een groep of club met bijbehorend groepsgedrag, waar de 'ik' bang is buiten te vallen (en waar hij door diezelfde angst, die hem tot niet-begrepen gedragingen en uitingen aanzet, dan ook buiten valt - dat zul je altijd zien), indringend weergegeven.

De club is in Ter navolging de academische wereld die Wolff en Deken keurig in kaart heeft gebracht, de onbetrouwbare braafheid is die van de schrijvende dames aan wie geen aanwijsbaar vuiltje kleeft. De buitenstaander is de jonge hond Gorter, en de Pietje Bell achter dit alles heet Kees 't Hart, die volgens de achterflap van zijn essaybundel De ziekte van de bewondering (2002) 'zich niets aantrekt van het onderscheid tussen het triviale, banale en de hoogwaardige cultuur'.

Zou hij dat menen? Het opvallende aan zijn werk is nu net dat Kees 't Hart zich steeds iets zit aan te trekken van dat onderscheid! Anders had hij niet zo opzichtig hoeven flirten met Corry Konings (in poe), de revue van Snip & Snap of Andran Duin (in een roman), en was het ook niet nodig geweest dat we in een vuistdikke briefroman zouden vernemen over de onvermoede schaduwzijden van Betje en Aagje.

Tot verbazing en ontsteltenis van hooggeleerden als Frits van Oostrom en Piet Buijnsters en burgervaders als Wim Deetman (die allen briefschrijvend en wel meedoen) ontdekt Vincent dat die tantes het niet altijd zo nauw hebben genomen. Ze dronken, hebben pornografie geschreven en erin gehandeld, namen deel aan aardappelsmokkel, waren spionnen, hebben in Frankrijk en in Nederland heel dubieuze dingen gedaan, en dan namen ze ook nog een kind mee uit Frankrijk, dat ze hier na een paar jaar bij een pleeggezin onderbrachten. Ja hoor, en van dkind zou Vincent Gorter een nazaat zijn.

Volgens de aankondiging van Ter navolging zijn Betje Wolff en Aagje Deken, 'deze allang bijgezette historische figuren nooit zo indringend in beeld gebracht'. Absolute flauwekul - en daar is niets tegen, zeker niet bij Kees 't Hart, maar de twee schrijfsters komen ternauwernood in beeld. Het gaat 't Hart om het spelen met onkreukbaar geachte iconen. O ja? Was er niks mis met die twee? Dat zullen we nog wel eens zien.

Stoute satire en belhamelgedrag, een dikke roman lang, vol brieven en uitgebreide romanfragmenten (van vader Jan) die het in levendigheid zelfs afleggen tegen de briefroman uit 1782 over het 'luchtig stout meisje' Saartje - het is te eendimensionaal om erdoor in de ban te raken. De vieze briefjes die Vincents vriendin Miesje aan haar fictieve penvriendin Polly schrijft (een beetje Joyce en een beetje Kees: 'Kom maar jongen, zei ik, pleegzustergeilwijn, staat je lul op vijf voor twaalf, kom maar bij tante Jopie') herinneren aan de geheimzinnige taal ('fietsgelach, vioolsamba, handwerkankertje, rubberen pianoscharnier, stophuid, jongenswolk') van de aanbeden danseres Zwiep uit De Revue (1999). Die herinnering stemt echter niet vrolijk, want in Ter navolging staat die taal ten dienste van een soort lol waar 't Hart in zijn zestigste levensjaar wel aan ontgroeid had mogen zijn.

Voor het eerst in zijn carri is Kees 't Hart niet leuk. Een bittere pil. De leut dient als dekmantel - zoveel is duidelijk - om een gevoelig bedoeld verhaal te vertellen: vader Jans werk was niet vergeefs, Vincent kan er een halve eeuw later iets mee en vindt ook nog uit hoe zijn familie met Wolff en Deken is verbonden. De winst ligt minder op het academische dan op het persoonlijke terrein.

Maar door de traagheid, de ernst die maar niet wil overspringen op de lezer, de loze boert die je stilaan tot een beschaamd geeuwen voert, volgt Kees 't Hart - tegen elke verwachting in - de dames Wolff en Deken vooral in hun mindere momenten trefzeker na. Ja, misschien moeten we hweer eens lezen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden