Onderzoeker acht debat in parlement over dekolonisatie-periode ongewenst 'Verleden behoort historici, niet politici'

Politici die via een debat willen vaststellen wie verantwoordelijk was voor het Nederlands militair ingrijpen in Indonesië, zijn getikt, vindt Pieter Drooglever....

Van onze verslaggeefster

Hella Rottenberg

DEN HAAG

Volgens Drooglever vonden de politionele acties plaats op gezag van een regering die werd gecontroleerd door een democratisch gekozen parlement. 'Voor het bepalen van de verantwoordelijkheid, heb je echt geen studie of nieuw debat nodig.'

Dr Drooglever werkt al 25 jaar aan de publikatie van officiële documenten over de Nederlands-Indonesische betrekkingen tussen 1945 en 1950. Er zijn achttien dikke delen verschenen, het negentiende komt deze maand uit en, alsof het zo bedacht is in dit herdenkingsjaar, het twintigste en laatste deel zal in december het licht zien.

De regering-De Jong verstrekte in 1969 de opdracht aan de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis om (onder leiding van prof. Van der Wal) in de archieven te duiken en een gedegen bronnenpublikatie te verzorgen.

In het kamerdebat dat zich hetzelfde jaar over de Nederlandse dekolonisatie ontspon, verzette premier De Jong zich met succes tegen pressie van de oppositie om de politieke schuldvraag aan de orde te stellen. Laten we eerst maar eens het archiefmateriaal toegankelijk maken, dan kunnen we vervolgens verantwoorde wetenschappelijke conclusies trekken, stelde De Jong destijds.

'Dat was natuurlijk een doorzichtige truc', zegt Drooglever. Van tevoren was duidelijk dat het vele jaren zou duren tot het groepje historici - ze werkten met twee, soms drie mensen - zich door de bergen documenten had heen geploegd. De simpele waarheid was al vroeg te trekken, en voor een historische analyse was een politiek debat niet geschikt.

De commissie heeft overigens wel baat gehad bij het feit dat in 1969 de politieke discussie oplaaide. Zij kreeg zonder enige beperking toegang tot alle rijksarchieven. Bovendien werd het materiaal, als dat eenmaal door de handen van de commissie was gegaan, vrijgegeven opdat er publieke controle van het onderzoek mogelijk werd.

Het basismateriaal ligt er, en bestudering ervan acht Drooglever heel nuttig. Er zijn al flink wat proefschriften geschreven over de dekolonisatie - onder meer over de KVP, het militaire beleid en de rol van de Britten - maar de kwestie is nog lang niet uitputtend geanalyseerd. Naar zijn stellige overtuiging dient het werk te worden overgelaten aan de vaklui, de historici.

Drooglever: 'Een parlement moet terughoudend zijn als het gaat om het geven van een oordeel over het verleden. Alleen als het een bizarre graad van ergheid betreft, zoals in het geval van Duitsland, is een politieke beoordeling noodzakelijk. Maar anders moet je niet een eenduidige conclusie willen trekken of iets goed of fout was. Dat leidt tot mishandeling van de geschiedenis.'

Hij verwacht niet dat een heropening van het Indonesië-debat nieuwe feiten boven tafel zal brengen. De 'excessen-nota', die de regering in 1969 aan de Kamer overlegde, is deugdelijk gebleken, zo constateert Drooglever 25 jaar van studie later. 'Het is een eerlijke weergave van het archiefmateriaal.'

Een systematisch onderzoek naar wreedheden die niet officieel zijn geboekstaafd, is nooit gedaan. Niettemin denkt Drooglever dat de grove incidenten bekend zijn. De politionele acties speelden zich niet in een vacuüm af. De Kamer, met name de CPN en PvdA, volgde de gebeurtenissen op de voet en stelde de regering lastige vragen. De tegenstander was erop gespitst om Nederlandse wandaden aan de kaak te stellen, en duizenden Nederlandse militairen schreven brieven naar huis. 'Je mag er wel van uitgaan', zegt Drooglever, 'dat over de ernstigste misdragingen ogenblikkelijk bericht werd.'

Naar zijn indruk deelden de Nederlands-Indische autoriteiten straffe orders uit om geweldsexcessen te vermijden, maar als die zich toch voordeden, trachtten ze de publiciteit te stoppen.

Ter illustratie haalt hij een brief te voorschijn van Lovink, de Hoge vertegenwoordiger van de Kroon, aan de minister van overzeese gebiedsdelen. 'Iedere militaire actie brengt onvermijdelijk uitwassen met zich mede', schrijft Lovink op 6 september 1949, 'welke ondanks ijzeren discipline nimmer geheel kunnen worden vermeden.' Na de minister te hebben verzekerd dat de legerleiding strenge instructies laat uitgaan, vraagt hij dringend de kwestie vooral binnenskamers te houden.

De discussie over de datum van het bezoek van koningin Beatrix aan Indonesië - moet zij juist wel of niet op 17 augustus, de dag waarop in 1949 Indonesië zich eenzijdig onafhankelijk verklaarde, aanwezig zijn? - zorgt voor een meewarige glimlach op zijn gezicht. 'De onafhankelijkheidsdag is altijd erkend. Al in 1949 woonden Nederlandse ambtenaren in Djakarta de viering bij. In Den Haag niet, Drees was er tegen. Maar op 17 augustus 1950 gaf in Den Haag en Djakarta Nederland officieel acte de présence.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.