Onderwijs peuters schiet tekort

Het onderwijs voor peuters en kleuters met een achterstand schiet ernstig tekort. Gemeenten weten vaak niet of ze de juiste kinderen bereiken, achter de zorg voor kinderen zit veelal geen strak plan en ouders worden amper betrokken bij de activiteiten. Dat stelt de Onderwijsinspectie in een omvangrijk rapport dat deze week naar de Tweede Kamer gaat.

AMSTERDAM - Het is de eerste keer dat er zo'n grootschalig onderzoek is gedaan naar de kwaliteit van de Nederlandse vroeg- en voorschoolse educatie. Jaarlijks gaat hier 355 miljoen euro heen, waarmee 45 duizend peuters en kleuters moeten worden bediend. De educatieve programma's moeten onderwijsachterstanden tegengaan bij kinderen van 2,5 tot 6 jaar. Kinderdagverblijven en peuterspeelzalen bieden voorschoolse educatie aan, terwijl basisscholen vroegschoolse educatie aanbieden in groep 1 en 2. Maar ze krijgen hier 'niet de zorg en begeleiding die ze nodig hebben', concludeert de inspectie.


De resultaten in het rapport kunnen roet gooien in de plannen van minister Lodewijk Asscher (PvdA) van Sociale Zaken. Hij beoogt één voorschoolse voorziening voor alle peuters vanaf 2,5 jaar. Het maakt daarbij niet uit of de ouders werken en opvang nodig hebben, of dat het kind in aanmerking komt voor voorschoolse educatie. De gemeente Amsterdam wil hier een voorschot op nemen en wil af van het onderscheid tussen kinderopvang, voorscholen en peuterspeelzalen, zo bleek dinsdag.


De inspectie nam 5.300 locaties onder de loep en bezocht ruim 60 procent ervan. Bij meer dan de helft van die bezoeken bleek de kwaliteit op delen onvoldoende. Zo bleek dat bij 59 procent van de voorschoolse educatie geen afspraken met de basisschool zijn gemaakt over het lesprogramma. Bij de educatie van ruim de helft van de 2,5 tot 4-jarigen wordt onvoldoende ingespeeld op de onderlinge niveauverschillen.


Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het wegwerken van taalachterstanden bij jonge kinderen. Vooral de kleinere gemeenten laten steken vallen, blijkt uit het rapport. Slechts in 15 procent van de gemeenten zijn afspraken gemaakt over wat de resultaten van de voor- en vroegschoolse educatie moeten zijn. Ook blijkt dat 60 procent van de gemeenten te weinig onderwijsplekken voor achterstandskinderen creëert met het geld dat ze daarvoor krijgen.


In de meeste gevallen bepaalt het consultatiebureau of een kind tot de doelgroep hoort. Dat baseert zich op het opleidingsniveau van de ouders. De inspectie merkt op dat het niet toereikend is om alleen naar het opleidingsniveau van de ouders te kijken, maar dat ook de feitelijke achterstand van het kind meetelt.


Staatssecretaris Sander Dekker (VVD) van Onderwijs noemt het rapport zeer kritisch. 'Dit is een wake-upcall voor wethouders en gemeenteraden. Het rapport is een pregnant signaal dat we er nog lang niet zijn.' Volgens Dekker hebben gemeenten veel vrijheid in de regie van de vroeg- en voorschoolse educatie. 'Maar daardoor vinden ze ook allemaal opnieuw het wiel uit.' Meer geld is volgens de staatssecretaris niet nodig. 'Als je de bedragen afzet tegen het aantal kinderen, moet je daar als gemeente toch een eind mee kunnen komen. Zeker als je de doelgroep beter bepaalt en betere afspraken maakt over de kwaliteit.'


De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) kon gisteren nog niet reageren op het rapport.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden