Onderwijs heeft bijscholing nodig

Het lijkt of van alles is veranderd op school, maar de tijd heeft er stilgestaan. Het onderwijs is afgestemd op een jeugd en op een maatschappelijke behoefte die er niet meer zijn....

WIE WEL eens moe wordt van de snelheid waarmee alles om ons heen verandert, doet er goed aan een school binnen te lopen. Bij voorkeur een middelbare school. Het is onvoorstelbaar hoe daar de tijd heeft stilgestaan sinds uw eigen schooltijd. De lessen duren nog altijd 45 à 50 minuten. Het rooster voorziet nog steeds in pakweg zes à zeven lesuren per dag - in evenzoveel vakken. Ook de indeling in vakken heeft de tand des tijds moeiteloos doorstaan. Zelfs het klassieke beeld van een schoollokaal met dertig kinderen als inktkoelies in rijtjes achter elkaar heeft niets aan actualiteit ingeboet.

Grote onderwijskundige operaties als de basisvorming, het studiehuis en de tweede fase doen vermoeden dat het onderwijs voortdurend moderniseert en in beweging is. Niets is minder waar. In grote lijnen staat de ontwikkeling van het onderwijs, met name dat op de middelbare school, al decennia lang stil. Acht jaar Paars heeft daar geen spat verandering in gebracht.

De school is een typisch 19de-eeuws industrieel systeem. Alles is gestandaardiseerd: de lesstof, de snelheid waarmee de stof verwerkt moet worden, de manier waarop de stof wordt aangeboden en getoetst. Alle kinderen, van Delfzijl tot Maastricht, beginnen in groep 6 met breuken. De helft van de leerlingen snapt het. De andere helft niet. 'De helft bereikt pas halverwege of tegen het eind van groep 6 het vereiste abstractieniveau om met breuken te kunnen werken', zegt de Utrechtse orthopedagoog Luc Stevens. 'Die kinderen hebben dus pech.'

In het gestandaardiseerde schoolsysteem doen we, noodgedwongen, net of alle kinderen ongeveer gelijk zijn. In de 19de eeuw werkte dat prima. In het begin van de 20ste eeuw ook nog wel, want de kinderen pasten zich aan. Ze waren volgzaam. En de 15 procent van de kinderen voor wie het allemaal te snel ging of te moeilijk was, vond toch wel een plekje. Met alleen lagere school kon je best schillenboer worden. Of huisvrouw. Of boerenknecht.

Anno 2002 zijn kinderen niet meer volgzaam. Ze hebben thuis geleerd te onderhandelen. Ze willen weten 'waarom' ze iets moeten doen voordat ze het doen. Ze bedienen de computer vlotter dan hun ouders. En als hun ouders gaan scheiden, krijgen ze inspraak in de vraag of ze bij pappa of mama gaan wonen.

De hele dag volgzaam zijn, iets wat school vereist, kunnen deze kinderen niet meer. 'En dat is maar goed ook', vindt Stevens. 'Want mensen zijn niet gemaakt om te volgen.' Volgzaam of niet: het grootste deel van de kinderen - pakweg 70 procent - is zo intelligent, flexibel en creatief dat ze de basisschool hoe dan ook wel tot een goed eind brengen.

Aan de onderkant haalt - net als vlak na de oorlog - nog altijd zo'n tien à vijftien procent van de kinderen het niveau van groep 8 niet. Ze raken ontmoedigd, krijgen een hekel aan school en haken af. Dat is een ramp voor een kennissamenleving die schreeuwt om hoger opgeleiden in plaats van schillenboeren. En het is een tragedie voor de kinderen..

Ook zeer getalenteerde leerlingen hebben het vaak moeilijk. Ze kunnen zoveel en krijgen de kans niet dat te laten zien. Naar schatting 20 procent van de kinderen kan al lezen en schrijven als ze naar groep 3 gaan. Ook zij hebben pech. Want op het overgrote deel van de basisscholen moeten ze gewoon meedoen met de rest. Geen wonder dat het ook op de lagere school steeds moeilijker wordt de orde te handhaven. Geen wonder dat steeds meer privé-schooltjes worden opgericht.

Kortom, het onderwijs is afgestemd op een jeugd die er niet meer is en op een maatschappelijke behoefte die er niet meer is. Diversiteit is tegenwoordig overal een kwaliteit - behalve dan binnen de vier muren van de school. Geen enkel modern bedrijf haalt het nog in zijn hoofd van alle werknemers hetzelfde te verwachten. Bedrijven proberen juist de talenten van hun personeel zo goed mogelijk te benutten door de juiste man/vrouw op de juiste plek te zetten. En terwijl de samenleving een steeds groter beroep doet op onze zelfredzaamheid en zelfstandigheid, nodigt het onderwijs juist uit tot passiviteit.

In economische termen is school een pure aanbod-economie. Ongeacht hun aanleg, interesse en voorkennis moeten alle kinderen langs dezelfde ruif. Maar het is een misverstand dat kinderen alleen leren als volwassenen hun een programmaatje voorschotelen. 'Elke gezonde 4-jarige kan de taal van zijn ouders spreken', onderstreept Stevens. 'Daar is geen school, geen leraar, geen lesmethode aan te pas gekomen. Die gi-gan-ti-sche klus heeft het kind helemaal alleen geklaard. Op zijn eigen manier. In zijn eigen tempo.'

Dat basisscholen niet durven vertrouwen op de natuurlijke drang tot leren van heel jonge kinderen is misschien nog wel te begrijpen, maar dat het voortgezet onderwijs geen plaats weet te geven aan de eigen inbreng van de leerlingen is ronduit bizar. Rector Jan Bolscher van het Bonhoeffer College in Enschede herinnert zich nog levendig de vraag van zijn dochter waarom ze op school niet wat meer lessen wiskunde kon krijgen in ruil voor wat minder Frans, omdat ze in het ene vak slecht en in het andere vak excellent was. 'Zelfs zo'n eenvoudig verzoek van een leerling kan een school niet inwilligen', aldus Bolscher. 'Want dat past niet in het rooster. En blijkbaar is het rooster de norm. Niet de leerling.'

De vraag dringt zich op of het nog wel van deze tijd is alle leerlingen, ongeacht hun voorkennis en interesses, hetzelfde vakkenpakket voor te schrijven met de daarbij behorende lesuren van altijd maar weer die vijftig minuten. Wordt het geen tijd rekening te gaan houden met verlangens en wensen van de individuele leerling? Bij die suggestie barsten de meeste leraren in hoongelach uit, ze denken dat leerlingen niet weten wat ze willen, dat ze hooguit niks willen. 'Vind je het gek?', vraagt Bolscher. 'Daar hebben scholen het zelf naar gemaakt.'

Rectoren als Bolscher zoeken naar methoden om stapsgewijs steeds meer ruimte te geven aan de leerling. 'Waarom moet een lesuur vijftig minuten duren? Waarom niet twintig voor de rappe leerling en vijftig voor de leerling die moeite heeft met dat vak. Daar is iedereen bij gebaat. En laten we alsjeblieft breken met de gewoonte dat leerlingen die blijven zitten álles opnieuw moeten doen. Ook de vakken waarin ze goed waren.'

De moderne economie draait op maatwerk. Maar een school waar de leerling de vrijheid krijgt vakken die hij leuk vindt op vwo-niveau te doen en de vakken waarvan hij baalt op mavo-niveau, moet nog uitgevonden worden. De ideale school zou de leerling die zich aanmeldt moeten vragen: wat wil je hier komen doen, wat wil je hier leren? En vervolgens zouden de school en de leerling samen een mooi lesprogramma moeten opstellen.

Niet alleen leerlingen zitten bekneld in het keurslijf van het heilige rooster, dat geldt ook voor de docenten. Een biologieleraar die met zijn leerlingen op excursie wil naar een natuurgebied krijgt dat misschien één keer voor elkaar. Maar daarna moet hij snel ophouden met die malligheid.

Wie nu denkt dat scholen de lessen niet mogen halveren of het lesrooster niet mogen omgooien of geen alternatieve methoden mogen bedenken om kinderen iets bij te brengen, heeft het mis. Er staat nergens dat Frans in twee uur per week, verspreid over vijf jaar, gegeven dient te worden. Je mag de leerlingen ook veel effectiever én leuker Frans leren, door ze drie maanden lang onder te dompelen in de Franse taal. Of door ze een jaar lang wekelijks te laten e-mailen met een Frans leeftijdgenootje. Of door ze twee weken op een Franse school te laten meedraaien. Als ze zich maar kwalificeren voor het schoolexamen of het centraal schriftelijk.

Ook de grote operaties als basisvorming, tweede fase en de samenvoeging van vbo en mavo tot vmbo zijn aanbodgericht. Het zijn structuurwijzigingen die veel tijd en energie vreten maar geen enkel effect hebben op het primaire proces: dat wat er in de klas gebeurt. En alleen dát bepaalt uiteindelijk de kwaliteit van het onderwijs.

ER MOET een uitzondering gemaakt worden voor het studiehuis. Want met deze operatie werd wel een modernisering beoogd van de traditionele kennisoverdracht, maar de leraren hebben ook deze vernieuwing met de hakken in het zand uitgevoerd. Ze hebben zichzelf aangepraat dat ze geen mooie verhalen meer mogen vertellen, maar de werkelijkheid is dat ze geen mooie verhalen meer hebben. Steeds meer docenten volgen braaf de lesmethode en de boeken. 'Vroeger waren boeken en methoden bijzaak. Een beetje docent bepaalde zelf wel wat hij ging doen', herinnert AOB-voorzitter Walter Dresscher zich.

Niet dat er geen kwaliteit in het onderwijs zit. Stevens is haast lyrisch over de motivatie, de inzet en de kwaliteiten van docenten. Rector Bolscher ook. 'Ze moeten alleen het idee krijgen dat het ook allemaal anders kan. Dán komen ze weer tot leven', aldus Bolscher. Zelf gooit hij het lesrooster voor een aantal klassen van de vmbo-afdeling dit schooljaar drie maanden in de hoek om met de kinderen de Verenigde Oostindische Compagnie te bestuderen. 'We gaan naar de Batavia; we bezoeken werven. De leerlingen moeten schepen ontwerpen, bouwtekeningen maken, zeemansliederen instuderen en intussen krijgen ze heel wat aardrijkskunde en geschiedenis mee. Daarmee motiveer je zelfs de meest moeilijke vmbo-leerling.' En de leraren? 'Die roepen eerst dat ze geen tijd hebben voor zoiets en achteraf blijkt inderdaad dat ze tijd overhielden.'

Speelse lesprogramma's en flexibele roosters geven scholen ook ruimte om de scherpe kantjes van het lerarentekort te slijpen. Want een rondleiding op een werf hoeft niet door de leraar begeleid te worden, en het instuderen van zeemansliederen evenmin. En waarom zou die extra toets voor een zwakke leerling niet afgenomen kunnen worden door een assist in plaats van door de leraar?

De leraar moet eindverantwoordelijk blijven. Maar tal van bijkomende taken zou hij moeten kunnen uitbesteden. Aan assisten, maar ook aan buitenstaanders. De les over Zuid-Amerika die nu eens niet door de leraar wordt gegeven, maar door iemand die net een half jaar door dat continent heeft gezworven, wordt een onvergetelijke les.

'Het onderwijs moet weer leuk worden', zei Ferdinand Mertens toen hij afscheid nam als inspecteur-generaal van het onderwijs. Leuk onderwijs is geen luxe, maar een must. Bijna 30 procent van de leerlingen haalt geen startkwalificatie. Dat zijn niet allemaal kneusjes, maar ze gaan in de optiek van de overheid onvoldoende geschoold de arbeidsmarkt op; áls ze die arbeidsmarkt al opgaan.

Intussen neemt de inspanning die scholen moeten leveren om het kroost binnenboord én aan het werk te houden, groteske vormen aan. Een netwerk van mentoren, decanen, zorgcoördinatoren, leerlingbegeleiders, huiswerkbegeleiders en studielessen houdt de leerlingen aan de gang. En dan hebben we het nog niet over de absenten-administratie en het antispijbelbeleid. Ordeproblemen in de klas kwamen vroeger ook voor, maar dat gold voor individuele docenten. Nu is vrijwel iedere leraar voortdurend op zijn hoede om ordeverstoringen te voorkomen.

Het is de leerlingen niet kwalijk te nemen, vindt Bolscher. 'Ga zelf maar eens op een congres naar zes lezingen luisteren. Bij de vierde haak je af. En als de vijfde spreker ook nog eens opdrachten gaat uitdelen, heb je het helemaal gehad.' Het schoolsysteem neemt kinderen hun verantwoordelijkheid af en dooft de motivatie. Het lokt verzet en balorigheid uit.

Wie een middelbare school binnenstapt, ziet de leraren door de gangen rennen. Van rapportvergadering, naar sectie-overleg en de kantinewacht. De rectoren en conrectoren lopen nóg iets harder, want het slagingspercentage moet omhoog. En het gemiddelde eindcijfer ook. En de leerlingen? Die zitten gezellig keuvelend op de trap met hun leeftijdgenoten. Of ze relaxen op het schoolplein met een sigaretje.

Deze patstelling kan een minister van Onderwijs niet doorbreken. Of hij nou paars of groen of rood is. Niemand gelooft nog in een blauwdruk voor het hele voortgezet onderwijs of alle basisscholen. Zelfs een collectivistische organisatie als de onderwijsbond AOB wil scholen de vrijheid geven zich van elkaar te onderscheiden. 'Laat duizend bloemen bloeien', is hun nieuwe credo.

Dit nieuwe inzicht rijpt al decennia. De grotere vrijheid die het hoger onderwijs heeft gekregen, zal zeker doorsijpelen naar het basis- en het voortgezet onderwijs. Maar scholen moeten eerst bewijzen dat ze meer kunnen dan uitvoeren wat Zoetermeer bedenkt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden