Onderwijs, dat doe je zo

Een jaar geleden ging een Panel van Wijzen op verzoek van de Volkskrant aan de slag om de belangrijkste problemen in het onderwijs in kaart te brengen....

De uitdaging was: laten we eens proberen oplossingen te bedenken voor de problemen in het onderwijs. Want er is nogal wat mis, als we de media mogen geloven: schooluitval, leraren die in de klas niks te vertellen hebben, te lage onderwijssalarissen, mismanagement, te grote scholen en studies waar niemand nog wijs uit kan worden. En dan zijn er nog de verhalen over zwarte kinderen die niks zouden leren, verwende witte kinderen, leerlingen die weigeren huiswerk te maken, gedragsproblemen hebben en geen zin correct kunnen spellen.

Wat zou het dan prachtig zijn als we oplossingen konden aandragen waarmee al die problemen uit de wereld werden geholpen. Het gaat tenslotte om een belangrijk terrein, waarvan politieke partijen zelfs in crisistijd niet durven zeggen dat ze erop gaan bezuinigen. Wie zou het belang van onderwijs nou willen betwisten?

Onderwijs is de beste investering in onze welvaart van morgen. En dat niet alleen. Het is ook de grote socialiseermachine waar ieder jong lid van de samenleving, jongen/meisje, moslim/christen, zwart/wit, slim/simpel, denker/doener, doorheen moet. Een betere manier om mensen basisvaardigheden voor de maatschappij bij te brengen is er niet.

Misschien zijn daarom onze verwachtingen zo hoog gespannen. Hier, in het onderwijs, moet het gebeuren. Als er iets misgaat in de wereld ligt het aan school, of moet daar op zijn minst de remedie worden ingezet. Als er iets misgaat op school, bedreigt dat de samenleving.

Misschien dat het onderwijs daarom geregeld speelbal is van wereldverbeteraars die het vanuit oprechte idealen over een andere boeg willen gooien: een nieuw schooltype hier, een stelselherzieninkje daar.

Maar misschien zit de oplossing ook daarin wel niet. Mogelijk, zo dachten we bij de Volkskrant, ligt het dichter bij onszelf. Moeten we het eerder in het kleine zoeken dan in grote stelselwijzigingen.

Een jaar geleden wilden wij een discussie op gang brengen in en naast de krant over waar het om draait bij goed onderwijs. We wilden dat gesprek niet met de bekende spelers aan de zijlijn voeren, maar met deelnemers. Geen vakbonden, politici of belangengroeperingen dus, maar leraren, ouders, kinderen, de mensen uit de praktijk. Vooruit: een enkele wetenschapper met een bruikbaar idee mocht ook aanschuiven. En we noemden het de Onderwijsagenda.

Een uitgebreid proces over vele schijven, waaraan zo’n dertigduizend mensen deelnamen, leidde tot een serie oplossingen waarmee we verder moeten. Het zijn er zeven geworden, en we presenteren ze hier.

Hier en daar wekken ze verbazing vanwege hun vanzelfsprekendheid. Maar laten we ons niet vergissen: geen van de zeven trek je zo uit de kast, en wie het onderwijs een beetje kent, weet hoe moeilijk het wordt er een praktisch vervolg aan te geven. Toch zijn ze aardig genoeg om ze als vervolg op de discussie buiten de krant te presenteren. In reacties (in dit katern alvast een voorschot), in discussies op of naast de werkvloer, en in – ja, waarom niet? – beleid.

1De eerste oplossing, door het Panel van Wijzen als allerbelangrijkste aangewezen, is een vergroting van de status van het leraarschap. Nee, in dat panel zaten niet louter oude mannen die dit uit nostalgie aandroegen (‘in mijn tijd had je een leraar wiskunde, daar had je ontzág voor’). Het statusprobleem lijkt de laatste jaren de sisyfusklus van het onderwijs: steeds maar duwen, en je krijgt het niet waar je het hebben wilt. De commissie-Rinnooy Kan deed in 2007 een serieuze poging, maar uiteindelijk kon ook zij slechts een pak papier neerleggen waaruit de minister sommige dingen wel en andere niet oppikte.

Het probleem met status is dat je geen gezag verwerft door alleen extra strepen en tressen op een uniform te naaien. Meer salaris kan helpen het zelfbeeld van de docent op te krikken, en het zal zeker meer talent naar de opleidingen lokken, maar het leidt niet vanzelf tot een hogere status. (Andersom werkt het vreemd genoeg wel: de beroepsgroep in het voortgezet onderwijs is nog altijd aan het bijkomen van de mokerslag die minister Wim Deetman eind jaren tachtig met de HOS-nota toebracht.)

Er is dus meer nodig: de echt goede docenten moeten komen bovendrijven, en dat vergt na een steviger opleiding voortdurende bijscholing. Overigens zijn de besten niet per se de hoogst opgeleiden, maar degenen die het weten over te brengen. ‘Een docent is ook een podiumkunstenaar’, zei ervaringsdeskundige Ferry Haan op een van de slotdebatten van de Onderwijsagenda. Het vergt moed en meesterschap van de schoolleiding om dat talent te honoreren. Semi-automatisch salarisschalen uitdelen, zoals nu toch weer met de functiemix gebeurt, lijkt minder adequaat dan iemand bij goed presteren in salaris laten stijgen en bij slecht lesgeven een leerkracht te laten inleveren.

2Deze oplossing is sterk verbonden met de eerste. En een cruciale zet om te komen tot grotere prestaties in de klas en de collegebanken. De leraar kan pas iets overtuigend overbrengen als hij zichzelf serieus genomen voelt. Het gaat dan over professionaliteit. De afgelopen decennia, toen schoolorganisaties steeds groter werden en de rol van besturen en managers daarbinnen ook, is die professionaliteit aangetast. Veel leraren zijn zich gaan verschansen in hun eigen koninkrijk: de klas. Maar dat kan de oplossing niet zijn. De lokaaldeur moet juist open, zodat leraren kunnen zien en horen hoe goed hun collega vertelt, en hoe ademloos leerlingen luisteren. Of ze kunnen feedback geven als die collega er even niet uitkomt. Welwillend, opbouwend. ‘Er zijn er nog te veel die het falen aan alles en iedereen wijten behalve aan zichzelf’, zei een panellid.

Eigenlijk vreemd dat veel mensen die vinden dat de leraar als professional moet worden behandeld, dit heilige huisje niet durven aan te pakken. Het wezenskenmerk van de professional is dat hij zijn eigen functioneren kritisch kan bekijken, er anderen bij durft te betrekken en bereid is steeds bij te leren. In alle beroepsgroepen waar kwaliteit en status van belang zijn – en vaak ook goed betaald wordt – is dit gemeengoed, of het nou om advocaten, artsen of consultants gaat. Misschien helpt een beroepsregister dat verplicht tot periodieke bijscholing; waarom zouden we daar niet naar durven kijken? Natuurlijk betrek je daar ook de output bij, de resultaten van de klas, maar met respect voor het materiaal waarmee gewerkt wordt. Ook de knapste dokter geneest niet iedereen, de briljantste advocaat wint niet elke zaak. ‘Reflecteren op je resultaten dwingt je met je eigen vak bezig te zijn’, zei een panellid. In consultancyjargon: maak die leraar eigenaar van het proces.

3Inmiddels weten we onder andere uit hersenonderzoek zoveel over hoe verschillend kinderen zich ontwikkelen, dat het zonde is er geen rekening mee te houden. Dezelfde rekenmethode werkt niet voor ieder kind op elk moment, dus houd er meerdere achter de hand. Deze oplossing past ook in de slingerbeweging die het onderwijs al tijden domineert. Dan weer meer naar kennis, dan weer meer naar ontplooiing. De laatste jaren is er volkomen terecht gehamerd op het belang van rekenen en taal, van kennis in het algemeen en van ‘de lat omhoog’. Maar de burger wordt niet automatisch succesvol van een indrukwekkende cijferlijst. Voor een carrière, als hoogleraar of als elektricien, zijn sociale vaardigheden en andere menselijke eigenschappen van hetzelfde belang.

Neem alleen die docent van daarnet: los van zijn vakkennis wordt hij pas een goede leraar als hij zijn klas aanvoelt, inschat wie hij met extra vragen moet prikkelen en wie hij in zijn zelfvertrouwen moet ondersteunen. Dat houdt leerlingen op school als het even moeilijk gaat. Het is heel goed denkbaar dat aandacht voor ook deze menselijke verschillen, samen met voldoende cognitieve uitdaging, ons onderwijs in het internationale concurrentiegeweld een beslissende stap vooruit helpt.

4Er staat dus niet: verzwaar het management, of: geef ze meer salaris. Maar tijdens de paneldiscussie kwam dit wel als een van de makkelijkste en goedkoopste oplossingen bovendrijven: je hoeft er niet een slordige honderdduizend mensen hoger voor op te leiden of beter voor te betalen. Als je erin slaagt de mensen aan de top wezenlijk te verbeteren, geef je direct een impuls aan alle scholen. Een individu in de top van een onderwijsorganisatie kan het verschil maken. En en passant de bureaucratische rompslomp weghouden bij de leraar.

Maar pas op: het luistert nauw. De kwaliteit van de manager wordt mede bepaald door de mate waarin hij zelf inziet en uitstraalt hoe een onderwijsorganisatie moet worden geleid. Snelle pakken en dikke auto’s, grote bureaus en chique lunches werken hier niet. Of zoals de benjamin van het panel het formuleerde: ‘Als er iets is waar docenten echt een schijthekel aan hebben, is het meer geld steken in de managers.’

5Het enige wat telt is of die leerling bijleert – ongeacht zijn achterstand, of waar die achterstand vandaan komt. Hij moet op zijn talenten worden aangesproken, ongeacht zijn etniciteit of zijn sociaal-economische achtergrond. En de docent staat steviger in zijn schoenen als hij hiervoor tijdens zijn opleiding of bij de bijscholing gereedschappen aangereikt heeft gekregen. Dat geldt trouwens ook op schoolniveau: als je onderwijsvernieuwingen doorvoert die helemaal niet geschikt zijn voor grote delen van je doelgroep, span je het paard achter de wagen. Is deze noodzakelijke oplossing tijdelijk, omdat de problemen die te maken hebben met integratie en achterstanden, eindig zijn? Mwah, hoe de toekomstige regering er ook uitziet, er zijn weinig aanwijzingen dat Nederland de komende eeuwen minder multicultureel wordt. Investeren in het vermogen om met al die verschillen om te gaan, blijft geboden.

6Voilà, waarschijnlijk de origineelste van de zeven. Deze oplossing werd in een opinieartikel van een van de panelleden geventileerd, en haalde (niettemin) pardoes de eindlijst. De redenering is akelig logisch: het diploma wordt nu te veel bepaald door het vak dat de leerling het slechtst beheerst. Als je met wiskunde niet verder komt dan vmbo-t-niveau, wordt het vwo halen moeilijk, ook als je briljant bent in talen. En voor menig bèta-kanon zijn vreemde talen een hinderpaal op weg naar de TU. Dus als die techneut een diploma krijgt met negens voor wiskunde en natuurkunde, en Frans en Duits op havo-niveau voldoende scoort, is dat dan niet prachtig? Dagen we dan niet veel meer het individuele talent uit dan nu? Natuurlijk: er staan vast genoeg wetten in de weg en praktische bezwaren. Maar kijk er eens serieus en welwillend naar.

7Nee, kleine Puk- en Muk-schooltjes hoeft niet. Onderzoek heeft allang uitgewezen dat die vaak helemaal niet beter, soms zelfs slechter, zijn. Van belang is een omvang te scheppen die te behappen is voor de mensen die erin moeten acteren. Zodat de individualiteit van kinderen niet verdrinkt in basisschoolklassen van dertig of meer. Zodat leraren werkelijk al die werkstukken goed kunnen beoordelen en er feedback op kunnen geven, in plaats van de boel af te raffelen omdat de stapel zo groot is. Zodat docenten, leerlingen, ondersteunend personeel en management elkaar van gezicht kennen en zich betrokken voelen bij hun schoolafdeling. Er zijn goede voorbeelden van dat dat ook in scholen met duizenden leerlingen te organiseren is.

Dit waren dus de belangrijkste oplossingen. Wat niet of maar ten dele is behandeld, zijn het lerarentekort en de segregatie. Bovendien is misschien wel een van de grootste onderliggende problemen in het onderwijs niet eens geagendeerd: dat van de valse beeldvorming, waardoor ouders denken dat zwarte scholen slechter zijn dan witte, dat vmbo’s vergaarbakken van problemen zijn, en dat een bovenbouwdocent op een gymnasium een betere leraar is dan een docent bouwkunde op een praktijkschool.

Het valt ook niet mee, oplossingen bedenken voor de problemen in het onderwijs. Maar zeg niet dat we het niet hebben geprobeerd.

Panel van Wijzen
Robbert Dijkgraaf (1960), president van de KNAW (Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen).

Leonard Geluk (1970), voorzitter van het college van bestuur van ROC Midden Nederland.

Inez Groen (1968, communicatiedeskundige en mede-auteur van de bestseller Generatie Einstein .

Jelle Jolles (1949), hoogleraar hersenen, gedrag en educatie aan de VU in Amsterdam.

Haci Karacaer (1962), secretaris van de Stichting Openbaar Basisonderwijs Westelijke Tuinsteden.

Sywert van Lienden (1990), oud-voorzitter LAKS (Landelijk Aktie Komitee Scholieren).

Henriëtte Maassen van den Brink (1951), hoogleraar Onderwijs en Arbeidseconomie aan de UvA

Tineke van der Steen (1979), leraar van het jaar 2009 voor het basisonderwijs.

Heleen Terwijn (1967), oprichter en directeur van de IMC Weekendschool, die aanvullend onderwijs aanbiedt aan kinderen in achterstandposities.

Kars Veling (1948), algemeen directeur van de openbare Johan de Witt Scholengroep in Den Haag.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden