Onderwijs blijft trekken

Leraar en journalist Kees Beekmans gaf Nederlandse les in Amsterdam en beschreef hij hoe het eraan toeging op een ‘zwarte’ school....

Met zijn diploma Nederlands heeft Kees Beekmans (47) altijd ‘twee opties’ gehad: het onderwijs en de journalistiek, twee liefdes waartussen hij nog altijd laveert. ‘Als journalist sta je een beetje aan de rand van de maatschappij, ik vind het leuker om er middenin te staan. Om zelf ook wat te doen.’

En daarom stond Beekmans ruim tien jaar voor een ‘zwarte’ klas, halverwege onderbroken voor twee jaar bij de Volkskrant. Na jarenlang aan Marokkaanse kinderen Nederlandse les gegeven te hebben, verhuisde hij tweeënhalf jaar geleden naar Marokko. Sinds zijn verhuizing leeft hij weer van de pen: hij heeft een wekelijkse column in de Groene Amsterdammer, schreef het boek Marokko voor beginners over zijn nieuwe thuisland en is nu bezig aan een tweede boek. Maar schrijven alleen is hem toch te saai, merkte hij. Het onderwijs blijft trekken. Daarom gaat hij binnenkort doceren aan een nog op te richten vakgroep Nederlands aan de universiteit van Casablanca – zodra de Nederlandse Taalunie en Marokko het eens worden over de financiering ervan.

Beekmans rolde het onderwijs in toen hij na een jaartje op de buitenlandredactie van de Volkskrant op zoek was naar een nieuwe baan. Een vriendin die lesgaf haalde hem over ook op die school te komen werken. ‘Ze zei: we hebben nog uren over, je kunt zo aan de slag.’

Nog altijd, denkt hij, hoef je niet veel moeite te doen om in het onderwijs aan het werk te kunnen. ‘Er staan nog altijd mensen voor de klas die hun bevoegdheid nog niet gehaald hebben. Leraar is niet bepaald een populair beroep.’ Het salaris is in de jaren tachtig behoorlijk gezakt – de salarisverhoging die de lerarenbonden vorige week afdwongen is voor Beekmans niet meer dan terecht –, het maatschappelijk aanzien is evenredig gedaald, het beroep is uitgehold. Hij zegt het met een nuancerende grijns: ‘In de ogen van leerlingen ben je een sukkel omdat je met de fiets of in een tweedehands autootje naar school komt. Ze vinden ons leraren maar armoedzaaiers.’

Dat de school ‘zwart’ was, maakte het voor Beekmans nog interessanter. ‘Ik weet niet of ik het op het Barlaeusgymnasium even leuk had gehad als op de Berlageschool, zoals mijn school heette.’ Op de school zaten kinderen met meer dan vijftig nationaliteiten en Beekmans werkte vooral in de klassen taalverwerving, waar leerlingen nog Nederlands moesten leren. In zijn vrije tijd schreef hij twee verhalenbundels over zijn leerlingen. ‘Ze hielden me geregeld een spiegel voor, we hadden vaak interessante discussies. Het was een beetje alsof ik al in het buitenland werkte.’

De discussie over het onderwijs, meer in het bijzonder de zwarte scholen, volgt hij ook vanuit het buitenland nog altijd op de voet. In december vorig jaar schreef Beekmans nog een recensie voor NRC Handelsblad over twee onderwijsboeken en vatte hij de situatie als volgt samen: ‘Het onderwijs kampt met motivatieproblemen van leraren, een dreigend lerarentekort en een ontzagwekkende tweedeling: het zwarte gat waarin leerlingen afkomstig uit lagere- of migrantenmilieus vallen als zij op een vmbo of ROC terechtkomen.’

‘Kinderen blijven kinderen’, zegt hij nu. ‘Of het nu Ghanezen of Russen of Turken zijn. Maar ze hebben vaker wel wat meer problemen. Op een stedelijk gymnasium komen ouders sowieso wel naar ouderavonden en stellen ze honderuit vragen. Bij ons spraken ouders de taal vaak niet, begrepen ze weinig van de schoolorganisatie en lieten ze hun kinderen dus erg vrij. Als je voor hen een ouderavond organiseert, moet je daar wel meer achteraan zitten.’

Na de tussenjaartjes als journalist kon de leraar niet meer terug naar de havo/vwo-school waar hij vijf jaar lang had lesgegeven. ‘Als je over kinderen op een school schrijft, raak je onvermijdelijk aan de schoolorganisatie. Hoe vaak je het daarover hebt, hangt af van hoe goed het gaat. Als het in de klas niet lekker loopt omdat de schoolorganisatie niet deugt, moet je het er wel over hebben. Maar voor slechte publiciteit zijn alle scholen bang, ze kampen sowieso al met leerlingentekorten, ze moeten het hoofd boven water houden.’

Beekmans ging aan de slag op een vmbo-school in Amsterdam-West. ‘Die school had eerst niet in de gaten dat ik ook over die kinderen schreef, maar daar heb ik eigenlijk snel weer problemen mee gekregen.’ Want in zijn columns nam de journalist/leraar geen blad voor de mond over wat hij van de schoolleiding vond. ‘Bijna misdadig was het hoezeer ze leerlingen tekortdeden, door het schoolsysteem waar ze voor gekozen hadden en het gebrek aan faciliteiten.’ Hij kan er zich nog altijd kwaad om maken: ‘Juist omdat je met kinderen te maken hebt die toch al beperkter zijn, die een goede schoolopleiding nodig hebben.’ Drie jaar werkte hij op de vmbo-afdeling, de laatste twee jaar op een praktijkschool die de school op dat moment net had opgericht, nog een treetje lager dan het vmbo. Een jaar later ging de school ook fulltime over op het nieuwe leren, en ‘dat is helemaal op een ramp uitgedraaid’, zegt Beekmans.

De parlementaire onderzoekscommissie-Dijsselbloem, die onlangs haar rapport uitbracht over de onderwijsvernieuwingen als vmbo en het nieuwe leren, is ook tot de conclusie gekomen ‘dat je juist bij kinderen met een andere culturele achtergrond erg moet oppassen met nieuwe leermethodes. Dit soort kinderen hebben meer structuur nodig.’

Iets wat Beekmans zelf jarenlang beschreef in zijn columns. ‘Dan moesten ze in drie weken tijd het schoolplein herinrichten, stond er na een paar uur nog niks op papier, behalve de twee suggesties die ik gegeven had. Als leraar ben je dan min of meer coach van die kinderen, maar ik heb Nederlands gestudeerd. Laat de tekeningen dan maken door iemand die daar verstand van heeft: een architect, iemand met expertise in elk geval. Wij hadden twintig projecten waar de leerlingen uit mochten kiezen, en over geen van die projecten had ook maar iemand langer dan tien minuten nagedacht.’ Soms stond hij vijf of zes uur na elkaar voor dezelfde klas. ‘Terwijl het praktijkschoolkinderen zijn, met een korte aandachtsspanne, en ik alleen uit boeken les kan geven.’

Nu ja – hij haalt zijn schouders op – ‘de school gaat er gewoon mee door, ondanks dat rapport-Dijsselbloem, en ondanks alle kritiek in de lerarenkamer. De leraren hebben het gevoel dat ze het helemaal verkeerd aanpakken. Toen vond ik het een zinkend schip, die school, en ik denk dat het nog altijd zo is.’ Misschien zijn er scholen die het veel beter doen, hoor, dat denkt hij wel, ‘maar ik kan me niet voorstellen dat ik net de slechtste school van Nederland heb getroffen.’

Van het contact met de leerlingen is hij desondanks altijd enorm blijven genieten. ‘Je kunt zoveel plezier beleven in de klas. Dat is denk ik de basis voor ieder leraarschap: niet zozeer je vak uitdragen, maar het contact met de leerlingen. Als je geen goeie band met de klas hebt, lukt het je ook niet je vak over te dragen.’

Dat wil hij dan ook in Casablanca weer gaan doen. ‘Nederlandse les geven aan Marokkanen. Al zijn het dit keer wel studenten aan de universiteit.’ *

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.