Ondernemertje tussen relnichten

Bevangen door vooroordelen en argwaan begon ik aan de roman Haantjes. Vanwaar dat voorbehoud? Omdat Raymond van de Klundert (1964) een marketingbureau heeft gehad, omdat hij zich daarna het infantiele pseudoniem Kluun aanmat en zich in zijn hoedanigheid van schrijver ook als gehaaide entrepreneur bleef manifesteren. Maar vooral omdat hij in Komt een vrouw bij de dokter (2003, inmiddels een miljoen exemplaren verkocht) en De weduwnaar (2006) de platheid niet schuwde.


Zo begon ik. En wég vlogen de bezwaren. Het wedervaren van verteller en alter ego Stijn van Diepen, van het kleine maar succesvolle marketing-agency Werk In Uitvoering, die in de zomer van 1998 op de Gay Games in Amsterdam een klapper hoopt te maken met de verkoop van vlaggen (in roze gay-versie), petjes, T-shirts en fluitjes, heeft een verhaal opgeleverd dat snel is, grappig, pretentieloos, met sterke dialogen en veel zelfspot. Zakenmannetjes vol machismo en bravoure, die een whiteboard volkalken met termen als 'locatie', 'stock', 'target', 'sales', 'percentage' en 'afdracht', gaan finaal het schip in door amateurisme, door niet te luisteren naar het andere geslacht (Stijns vrouw Carmen - ook bekend van Kluuns debuut - is niet alleen een kundig zakenvrouw maar houdt ook hun gezinnetje met de eveneens bekende Luna draaiende), en door zich goedgelovig te laten naaien door een paar gewiekste rel- en regelnichten.


Nee hoor, bezweert de schrijver in zijn nawoord, de ladenlichter Arno de Hen van Gay Business Amsterdam is níet geënt op Siep de Haan, toevallig ook de roemruchte mede-oprichter van Gay Business Amsterdam (en organisator van de jaarlijkse Gay Pride), maar op deze manier gaan we dat natuurlijk juist denken. Een valse nichtenstreek, trefzeker uitgevoerd. Van de Klundert had vermoedelijk nog een appeltje te schillen met Siep, maar hij laat Kluun een appeltje schillen met Arno, er op vrolijke wijze voor uitkomend dat hij zich heeft láten naaien.


De verwijzing naar I.M. (1998) van Connie Palmen, profetes van de hogere literatuur die ze zelf niet schrijft, is van een onderkoelde doeltreffendheid: 'Ik las hoe Connie Palmen het in haar broek deed toen ze Ischa Meijer voor het eerst tegenkwam, Carmen in Oei, ik groei! dat venkelthee goed is tegen darmkrampjes.' De verwijzing naar Kaas (1933) van Willem Elsschot is te subtiel om hier te citeren, maar overigens gepast; de scène met de jongens die 's nachts in hun kantoortje tussen de stapels dozen met onverkoopbare souvenirs tienduizend los geleverde koordjes aan fluitjes moeten bevestigen, is goed voor een giechel.


De atmosfeer is helemaal Elschottiaans, vooral door het aandoenlijke geloof in een goede afloop van een evident hopeloze zaak:


'Nadat de laatste boot uit het zicht was verdwenen verkocht Maud drie Amerikaanse gayvlaggen, twee petten, een T-shirt en nog wat verdwaalde fluiten. Zelf bleef ik steken op een Amerikaanse vlag en een fluit.


Onze target van vijfduizend gulden was niet gehaald.


Ik overhandigde Frenk de paar tientjes en het ene briefje van vijfentwintig. Hij legde ze op elkaar en stak ze in een envelop. 'Hier komen straks de fluiten nog wel bij, hè?', zei ik.


'Waarschijnlijk gaat het vanavond pas echt los', mijmerde Frenk. 'Dit was achteraf bezien meer een braderie voor hetero's.'


'Hoeveel fluitverkopers hebben we vanavond on the road?'


Frenk keek op zijn schema. 'Alle vier.'


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden